Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU6954

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
2072246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BT 6358.

Benoeming van een deskundige ter beantwoording van de vraag of de opsteller van het door gedaagde gehanteerde vestigingsplaatsonderzoek in redelijkheid tot de toegepaste hantering van de XL-formule heeft kunnen komen.

Door partijen na vorig vonnis bepleite verbreding van de discussie wordt (nu) niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 207246 / HA ZA 10-2124

Vonnis van 23 november 2011

in de zaak van

MR. [eiser]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene],

voorheen handelend onder de naam Jumper Huisdierdiscount,

kantoorhoudende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUMPER WEST B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. J.M.W. Werker te Arnhem.

Partijen zullen hierna mr. [de curator] q.q. en Jumper West genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 september 2011

- de akte uitlating deskundigenrapportage van mr. [de curator] q.q.

- de akte na tussenvonnis van Jumper West.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het vonnis van 14 september 2011 is partijen gevraagd zich uit te laten over de benoeming van een deskundige zoals in dat vonnis onder 4.60 en 4.61 bedoeld. De achtergrond daarvan was dat de rechtbank (genoemd vonnis onder 4.17) behoefte heeft aan voorlichting op een onderdeel van het debat over de berekening van het marktaandeel in het vestigingsplaatsonderzoek naar aanleiding van de stelling van mr. [de curator] q.q. dat in het vestigingsplaatsonderzoek ten onrechte ervan uitgegaan is dat op de winkel de zogenaamde XL-formule kan worden toegepast.

2.2. Mr. [de curator] q.q. bestrijdt in zijn akte op een aantal onderdelen de in het tussenvonnis gevolgde redeneringen en genomen beslissingen en koppelt daaraan een aantal vragen die de deskundige volgens hem moeten worden voorgelegd. Deze stellen, kort gezegd, de algemene vraag aan de orde of het vestigingsplaatsonderzoek deugdelijk is uitgevoerd. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte meer. Zij heeft het onderzoek van de deskundige tot één, overigens niet onbelangrijk, onderdeel beperkt en zal zich aan deze beslissing houden. Er is sprake van een verschil in inzicht tussen mr. [de curator] q.q., die op een aantal onderdelen in het ongelijk gesteld is, en de rechtbank. Hierbij stelt mr. [de curator] q.q. niet dat er sprake zou zijn van een eindbeslissing die berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, zodat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechtbank overgaat tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat zij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. De rechtbank passeert daarom het hier bedoelde betoog van mr. [de curator] q.q.

2.3. Ook Jumper West geeft in haar akte aan een bredere discussie te willen voeren dan waar het debat in deze zaak, gelet op het tussenvonnis van 14 september 2011 ruimte voor laat. Op grond van dezelfde overwegingen als verwoord onder 2.2 passeert de rechtbank in zoverre ook het betoog van Jumper West.

2.4. De rechtbank heeft voorgesteld aan de deskundige de vraag voor te leggen:

Heeft de opsteller van het door Jumper West gehanteerde vestigingsplaatsonderzoek in redelijkheid tot de toegepaste hantering van de XL-formule kunnen komen? Partijen hebben op zichzelf, buiten hun onder 2.2 en 2.3 bedoelde betogen, kennelijk geen bezwaar tegen deze vraag. De rechtbank zal deze dan ook aan de deskundige voorleggen, met daarbij de gebruikelijke ‘restvraag’.

2.5. Hierbij merkt de rechtbank op dat een ontkennende beantwoording door de deskundige van de onder 2.4 bedoelde vraag een aantal eerder door de rechtbank verworpen stellingen alsnog van belang kan maken, met andere woorden: het nu versmalde debat kan door de beantwoording van de aan de deskundige voor te leggen vraag verbreed worden. Een voorbeeld hiervan biedt de stelling van mr. [de curator] q.q. dat in de exploitatiebegroting ten onrechte in het derde jaar een jaaromzet van € 822.500,00 is geprognosticeerd (tussenvonnis onder 4.10 en 4.13) omdat de XL-formule uitgaat van een verdringingsmarkt. Is deze formule ten onrechte toegepast, dan kan dat repercussies hebben voor de waarde van de hier bedoelde prognose.

2.6. Wat de persoon van de deskundige betreft heeft de rechtbank partijen gevraagd aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. Mr. [de curator] q.q. stelt voor de heer A. Post te benoemen en verzet zich tegen benoeming van de door Jumper West ter comparitie voorgestelde deskundige. Jumper West heeft bezwaar tegen de door mr. [de curator] q.q. bij repliek voorgestelde deskundige. Nu partijen alleen bezwaar hebben tegen de door elkaar genoemde deskundigen en niet gezamenlijk met een voorstel komen, zal de rechtbank drs. J.P. Verwaaijen tot deskundige benoemen. Deze heeft zich in staat en bereid verklaard deze opdracht te aanvaarden.

2.7. De wijze van aanpak en behandeling door de deskundige is hieronder aangegeven. Wat Jumper West over dit onderwerp opmerkt, is daardoor ondervangen.

2.8. Aan de hand van de opgave van de deskundige wordt het voorschot op zijn loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 6.000,00 inclusief btw. Dit bedrag dient, gezien artikel 195 Rv., ter griffie te worden gedeponeerd door mr. [de curator] q.q. Mocht dit voorschot ontoereikend zijn, dan dient de deskundige direct contact op te nemen met de hierna te noemen rechter-commissaris.

2.9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Heeft de opsteller van het door Jumper West gehanteerde vestigingsplaatsonderzoek in redelijkheid tot de toegepaste hantering van de XL-formule kunnen komen?

2. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

3.2. benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

drs. J.P. Verwaaijen,

Strabo Marktonderzoek en Vastgoedinformatie,

Herengracht 560,

postbus 15710, 1001 NE Amsterdam,

tel. 020 626 0817

fax 020 623 6807,

3.3. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

3.4. bepaalt dat mr. [de curator] q.q. binnen twee weken na datum van dit vonnis kopieën van de overige processtukken aan de rechtbank Sector civiel, roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

3.5. bepaalt dat mr. [de curator] q.q. binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 6.000,00 ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

3.6. bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

3.7. bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

3.8. bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkeen,

3.9. bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter-commissaris mr. J.D.A. den Tonkelaar,

3.10. bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.11. bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 25 januari 2012, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

3.12. verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van mr. [de curator] q.q. of voor bepaling datum vonnis,

3.13. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. M.J.P. Heijmans en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.