Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU6612

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
222159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Non existent beslag, nu geen eis in de hoofdzaak was ingesteld ten tijde van het vragen van verlof, terwijl dat wel was gesteld door de verzoeker.

Geen verwijzing naar schadestaatprocedure (om volledige proceskosten vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 222159 / KG ZA 11-566

Vonnis in kort geding van 3 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QT INFLATABLES B.V.,

tevens handelend onder de naam BIG BIG WORLD,

gevestigd en kantoorhoudende te Nijmegen,

eiseres,

advocaat mr. D.D.M. Xanthopoulos te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AIR-AFFAIR HOLDING B.V.,

gevestigd te Velp en kantoorhoudende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. B.P.J.M.L. Vliexs te Nijmegen.

Eiseres zal hierna QT Inflatables worden genoemd. Gedaagden zullen Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de wijziging van eis

- de pleitnota van QT Inflatables.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Na daartoe verleend verlof van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde sub 2] op 23 juni 2011 ten laste van QT Inflatables voor een bedrag van € 63.500,00 conservatoir (derden) beslag laten leggen onder de Rabobank en Sidijk B.V. (een debiteur van QT Inflatables) alsmede op de in de bedrijfspanden aanwezige roerende zaken van QT Inflatables.

2.2. Bij vonnis van 26 oktober 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank

die beslagen opgeheven en daartoe onder meer als volgt overwogen:

4.3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. De vordering ter verzekering waarvan beslag is verzocht is in het beslagrekest omschreven als “huurpenningen bedrijfsgebouw” ter hoogte van € 2.380,- en “debetsaldo rekening-courantverhouding” ter hoogte van € 46.542,48. Het bedrag waarvoor het verlof is verleend is begroot op € 63.500,- inclusief rente en kosten. Op 21 juli 2011 zijn Qt Inflatables en [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. door [gedaagde sub 2] en AIR-AFFAIR HOLDING B.V. gedagvaard. Uit de dagvaarding blijkt dat [gedaagde sub 2] en AIR-AFFAIR HOLDING B.V. betaling hebben gevorderd door [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. van een bedrag van € 46.542,48 wegens onverschuldigde betaling. [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. is een andere partij dan Qt Inflatables. Tegen [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. richt zich het beslagrekest niet. Bij de dagvaarding in de hoofdzaak heeft [gedaagde sub 2] van Qt Inflatables uitsluitend betaling gevorderd van € 2.380,- betrekking hebbend op achterstallige huurpenningen. Tussen partijen staat vast dat die vordering door Qt Inflatables inmiddels is voldaan. Daarmee is de vordering waarvoor de beslagen zijn gelegd, geheel voldaan zodat de grondslag aan het beslag is komen te ontvallen. Nu de beslagen reeds op die grond dienen te worden opgeheven, wordt aan een belangenafweging tussen partijen niet meer toegekomen.

(…)

4.6. Ten slotte heeft [gedaagde sub 2] aangevoerd er belang bij te hebben dat de beslagen worden gehandhaafd omdat [gedaagde sub 2] en/of Air-Affair Holding B.V. een vordering van € 46.542,28 op [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. heeft uit de rekening-courantverhouding. Ten tijde van de beslaglegging verkeerde [gedaagde sub 2] naar zijn zeggen in de veronderstelling die vordering op Qt Inflatables te hebben, reden waarom onder laatstgenoemde beslag is gelegd en niet mede onder [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. Volgens [gedaagde sub 2] bleek de vordering niet op Qt Inflatables te bestaan maar op de aan haar gelieerde vennootschap [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. [gedaagde sub 2] is van mening dat sprake is van vereenzelviging van beide rechtspersonen. Air Group B.V. is enige aandeelhouder van [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. en Qt Inflatables. [gedaagde sub 2] is van mening dat hem de bedrijfsstructuur van de “Air Group” niet kan worden tegengeworpen. Volgens [gedaagde sub 2] “praat Qt Inflatables hoe het haar uitkomt” en scheert zij de gehele “Air Group” over één kam en betoogt zij enerzijds dat sprake is van finale kwijting en anderzijds dat Qt Inflatables een andere vennootschap is dan [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. en de vorderingen (ineens) goed van elkaar moeten worden onderscheiden.

4.7. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698) kan van vereenzelviging van rechtspersonen en daarmee het volledig wegdenken van het identiteitsverschil slechts sprake zijn onder omstandigheden die zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging de meest aangewezen vorm van redres is. Zulke uitzonderlijke omstandigheden zijn, voorshands geoordeeld, door Air-Affair Holding niet, althans onvoldoende gesteld. Het beroep op vereenzelviging zal daarom worden verworpen.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot opheffing van de beslagen zal worden toegewezen als na te melden. (…)

2.3. Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter heeft Air-Affair Holding ten laste van QT Inflatables op 26 oktober 2011 voor een bedrag van € 60.500,00 conservatoir (derden)beslag gelegd onder Sidijk B.V..

3. Het geschil

3.1. QT Inflatables vordert na een wijziging van eis dat de voorzieningenrechter

1. het op 26 oktober 2011 op verzoek van Air-Affair Holding ten laste van QT Inflatables gelegde conservatoir beslag onder de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sidijk B.V. opheft,

2. Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] veroordeelt te gehengen en gedogen dat Sidijk B.V. alsnog aan QT Inflatables voldoet de door Sidijk B.V. aan QT Inflatables verschuldigde bedragen, die zij vanwege de gelegde beslagen tot de datum van dit vonnis niet aan QT Inflatables heeft voldaan,

3. Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] verbiedt op straffe van verbeurte van een dwangsom opnieuw ten laste van QT Inflatables beslag te doen leggen voor feiten die aan de gepretendeerde vorderingen zoals geformuleerd in de verlofrekesten d.d. 22 juni 2011 en 25 oktober 2011 ten grondslag liggen,

4. Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de termijn voor voldoening, en

5. Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt in de werkelijke proceskoten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2. QT Inflatables heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat het door Air-Affair Holding gelegde beslag non existent is, nu geen eis in de hoofdzaak is ingesteld. De enige vordering die Air-Affair Holding bij dagvaarding in de hoofdprocedure jegens QT Inflatables heeft ingesteld betreft een huurvordering ten bedrage van € 2.380,-, welke vordering inmiddels geheel is voldaan. Nu door [gedaagde sub 2] noch door Air-Affair Holding een vordering is ingesteld uit hoofde van een debetsaldo rekening-courantverhouding of enige andere vordering, is de vordering waarvoor beslag is gelegd volgens QT Inflatables ondeugdelijk. Bovendien is sprake van misbruik van procesrecht. Op dezelfde dag dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 26 oktober 2011 de door [gedaagde sub 2] ten laste van QT Inflatables gelegde beslagen heeft opgeheven, heeft Air-Affair Holding (opnieuw) beslag gelegd onder Sidijk B.V. voor een beweerdelijke vordering op QT Inflatables. Dit terwijl de voorzieningenrechter onder meer had overwogen dat geen vordering in de hoofdzaak jegens QT Inflatables was ingesteld. Nu Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] het middel van conservatoire beslaglegging enkel gebruiken om QT Inflatables te schaden (de handelsrelatie met Sidijk B.V. is opnieuw onder druk komen staan), wordt QT Inflatables onnodig op kosten gejaagd. Om die reden vordert QT Inflatables tevens een verbod om opnieuw ten laste van haar beslag te leggen en betaling van de integrale advocaatkosten, nader op te maken bij staat.

3.3. Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.2. Nadat door de voorzieningenrechter bij beschikking van 25 oktober 2011 verlof is verleend, heeft Air-Affair Holding ten laste van QT Inflatables conservatoir derdenbeslag doen leggen onder Sidijk B.V., een debiteur van QT Inflatables. In het daartoe strekkende verzoekschrift heeft Air-Affair Holding gesteld dat er tussen Air-Affair Holding en QT Inflatables een rekening-courantverhouding bestaat, die op dat moment € 46.542,48 bedroeg, voor welk bedrag, exclusief kosten zij conservatoir derden beslag wenste te leggen. Daarbij heeft Air-Affair Holding aangegeven dat een eis in hoofdzaak reeds was ingesteld, welke zaak aanhangig is bij deze rechtbank onder nummer 218833/HA ZA 11-1156.

4.3. Voorafgaand aan de beantwoording van de vraag of het beslag kan worden opgeheven dient eerst te worden beoordeeld of er rechtsgeldig beslag is gelegd.

Uit artikel 700, derde lid, Rv volgt dat in het geval er nog geen eis in de hoofdzaak is ingesteld het verlof tot het leggen van beslag wordt verleend onder de voorwaarde dat het indienen daarvan geschiedt binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn van tenminste acht dagen na het beslag. Overschrijding van deze termijn doet het beslag vervallen.

4.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de situatie dat binnen de gestelde termijn geen eis in de hoofdzaak is ingesteld, hetgeen tot gevolg heeft dat het beslag vervalt, te worden gelijk gesteld aan de onderhavige situatie dat verlof is verleend op grond van de stelling dat reeds een eis in de hoofdzaak is ingesteld.

4.5. Vastgesteld moet worden dat QT Inflatables en [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. op 21 juli 2011 gedagvaard zijn door Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2]. In die zaak, die bekend is onder nummer 218833/HA ZA 11-1156, heeft [gedaagde sub 2], althans Air-Affair Holding betaling gevorderd van [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. van een bedrag van € 46.542,48 wegens onverschuldigde betaling. [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. is een andere partij dan QT Inflatables. Tegen [gedaagde sub 2] Air Inflatables B.V. richt zich het onderhavige beslagrekest niet. In diezelfde procedure (218833/HA ZA 11-1156) heeft Air-Affair Holding, althans [gedaagde sub 2] van QT Inflatables wel betaling gevorderd van een bedrag van € 2.380,-, dat ziet op achterstallige huurpenningen, maar zoals de voorzieningenrechter bij vonnis van 26 oktober 2011 reeds heeft overwogen, staat tussen partijen vast dat die vordering door QT Inflatables inmiddels is voldaan. Derhalve moet worden vastgesteld dat de in de procedure met nummer 218833/HA ZA 11-1156 door Air-Affair Holding, althans [gedaagde sub 2] ingestelde vordering is komen te vervallen, althans zal worden ingetrokken dan wel afgewezen. De stelling van Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] dat een eiswijziging nog mogelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Immers op het moment van het indienen van het beslagrekest, te weten 24 oktober 2011, was er geen vordering in een hoofdzaak ingesteld tegen QT Inflatables, althans geen vordering die ziet op het bedrag van € 46.542,48, dat Air-Affair Holding en/of [gedaagde sub 2] uit hoofde van de rekening-courant verhouding nog te vorderen zouden hebben van QT Inflatables. Nu gesteld noch gebleken is dat een andere procedure aanhangig is waarin Air-Affair Holding een bedrag vordert van QT Inflatables, is het beslag niet rechtsgeldig gelegd en dus non-existent. Omdat QT Inflatables de voorzieningenrechter uitdrukkelijk heeft verzocht het beslag op te heffen, omdat haar handelspartner Sidijk B.V. het vertrouwen kwijt is in QT Inflatables, zal de voorzieningenrechter, ondanks dat dit in feite overbodig is, daartoe overgaan. De vordering onder 2. (veroordeling tot het gehengen en gedogen dat Sidijk B.V. alsnog aan QT Inflatables de verschuldigde bedragen voldoet) zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen eveneens worden toegewezen.

4.6. Het gevorderde verbod om ter zake van dezelfde (pretense) vordering opnieuw ten laste van QT Inflatables beslag te leggen, is volgens vaste jurisprudentie slechts in uitzonderlijke gevallen op zijn plaats. Het staat immers in beginsel een ieder vrij om van de door de wet geboden middelen tot bewaring van zijn recht gebruik te maken. Bovendien moet niet uitgesloten worden geacht dat in de bodemprocedure de vordering toch toewijsbaar zal blijken. Dat sprake is van misbruik van procesrecht is, zoals hierna onder 4.10. wordt overwogen, vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden. Wel is er aanleiding om Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] te gebieden om, telkens wanneer zij zich ter zake van de door haar gepretendeerde vordering tot een voorzieningenrechter richten met een verzoek tot beslaglegging ten aanzien van enig vermogensbestanddeel van QT Inflatables, deze voorzieningenrechter in het betreffende verzoekschrift op de hoogte te stellen van de onderhavige beslissing door een kopie daarvan bij het verzoekschrift over te leggen, op straffe van een dwangsom, die zal worden beperkt als volgt.

4.7. Tot slot heeft QT Inflatables een integrale vergoeding van de proceskosten gevorderd, in die zin dat zij een proceskostenvergoeding op basis van het normale liquidatietarief heeft verzocht en een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ter onderbouwing hiervan heeft QT Inflatables aangevoerd dat het leggen van het beslag, waardoor QT Inflatables onnodig op kosten is gejaagd, onder de gegeven omstandigheden als misbruik van procesrecht en dus als onrechtmatig is te kwalificeren. Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] hebben dit weersproken.

4.8. Voorop gesteld moet worden dat volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 18 februari 2005, NJ 2005, 216 en HR 27 juni 1997, NJ 1997, 651) procederen, ook als dat niet tot een gunstig resultaat leidt, op zichzelf niet als onrechtmatig jegens de in rechte betrokken wederpartij kan worden aangemerkt. Er bestaat slechts in zeer bijzondere gevallen grond de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld, op grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij als gevolg van het voeren van die procedure heeft geleden (zie HR 17 december 2004, NJ 2005, 361).

4.9. Gelet op voormelde jurisprudentie moet met terughoudendheid worden beoordeeld of (in dit geval) sprake is van misbruik van procesrecht. Dit is onder meer het geval indien het beslag is gelegd voor een ander doel dan waarvoor zo'n bevoegdheid tot het leggen van conservatoir beslag is gegeven, met name wanneer het doel is om zonder enig in redelijkheid te respecteren belang onrechtmatig aan de wederpartij nadeel toe te brengen.

4.10. Tegen de achtergrond hiervan moet worden geoordeeld dat op dit moment onvoldoende aannemelijk is geworden dat Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens QT Inflatables door het (opnieuw) leggen van beslag en/of hun wijze van procederen. Air-Affair Holding heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een vordering in de hoofdzaak had ingesteld tegen QT Inflatables en voor zover dat niet het geval was zij haar eis in de reeds lopende procedure nog kon wijzigen. Hoewel dat standpunt niet gevolgd kan worden, valt niet in te zien dat het (opnieuw) leggen van beslag onder de gegeven omstandigheden misbruik van recht zou opleveren. Het staat immers in beginsel een ieder, en daarmee dus ook Air-Affair Holding, vrij om van de door de wet geboden middelen tot bewaring van haar recht gebruik te maken. Nu namens Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] ter zitting uitgebreid is betoogd dat zij een vordering hebben op QT Inflatables uit hoofde van een rekening-courant verhouding, waartoe ook diverse stukken zijn overgelegd, is vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden dat met het leggen van beslag geen enkel redelijk belang was gediend, dan wel dat het beslag is gelegd louter om QT Inflatables te schaden. In dit verband wordt overigens nog opgemerkt dat misbruik van procesrecht niet meebrengt dat steeds integrale vergoeding van proceskosten moet plaatsvinden (HR 23-09-2005, LJN: AU3158). Verwijzing naar de schadestaatprocedure ligt dan ook niet in de rede.

4.11. Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van QT Inflatables worden begroot op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht 560,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.452,31

4.12. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. heft op het op 26 oktober 2011 op verzoek van Air-Affair Holding ten laste van QT Inflatables onder de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sidijk B.V. (gevestigd te [adres]) gelegde conservatoir beslag,

5.2. veroordeelt Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] direct na betekening van dit vonnis te gehengen en gedogen dat Sidijk B.V. alsnog aan QT Inflatables voldoet de door Sidijk B.V. aan QT Inflatables verschuldigde bedragen, die Sidijk B.V. vanwege de gelegde beslagen tot de datum van dit vonnis niet aan QT Inflatables heeft voldaan,

5.3. gebiedt Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] om, telkens wanneer zij zich ter zake van de door haar gepretendeerde vordering(en) tot een voorzieningenrechter richten met een verzoek tot beslaglegging ten aanzien van enig vermogensbestanddeel van QT Inflatables, deze voorzieningenrechter in het betreffende verzoekschrift op de hoogte te stellen van de onderhavige beslissing door een kopie daarvan bij het verzoekschrift over te leggen,

5.4. veroordeelt Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] om aan QT Inflatables na betekening van dit vonnis een dwangsom te betalen van € 65.000,- voor iedere keer dat zij niet aan de in 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 325.000,00 is bereikt,

5.5. veroordeelt Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van QT Inflatables tot op heden begroot op € 1.452,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6. veroordeelt Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Air-Affair Holding en [gedaagde sub 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 3 november 2011. De overwegingen waarop dit vonnis stoelt zijn afzonderlijk vastgelegd op 17 november 2011.