Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU6609

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/1606
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitkering uit dienstongevallenverzekering en prive-ongevallenverzekering ter zake van ongeval tijdens dienstuitoefening belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/5
Belastingadvies 2012/5.9
V-N 2012/13.3.3
FutD 2011-3161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 11/1606

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 1 december 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Gorinchem, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 met dagtekening 9 juni 2010 een voorlopige aanslag (aanslagnummer [000].H90) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.945 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.033. Tevens is bij beschikking € 74 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 maart 2011 de voorlopige aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 27 april 2011, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [gemachtigde] en [A]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

Eiser is als hoofdagent werkzaam geweest bij het Korps Landelijke Politiediensten. Tijdens de uitoefening van zijn dienstbetrekking heeft hij een ongeval gehad, als gevolg waarvan hij blijvend (gedeeltelijk) invalide is geraakt.

In het jaar 2009 heeft eiser via zijn werkgever twee uitkeringen ontvangen, namelijk een uitkering van € 39.711,08 ter zake van een door de werkgever gesloten collectieve dienstongevallenverzekering op grond van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) en een uitkering van € 8.848, 84 ter zake van een collectieve privé-ongevallenverzekering. Op deze uitkeringen is door de werkgever loonheffing ingehouden.

Eiser heeft aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 88.945 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.033. De voorlopige aanslag is dienovereenkomstig opgelegd.

3. Geschil

In geschil is of de voorlopige aanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of de door eiser ontvangen uitkeringen tot het belastbaar inkomen uit werk en woning moeten worden gerekend.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 10 van de Wet LB 1964 is loon onder meer al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten.

Op grond hiervan behoort de aanspraak op beide door eiser ontvangen uitkeringen in beginsel tot het loon.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB 1964 behoren niet tot het loon aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval.

Op grond van dit artikel is de aanspraak vrijgesteld. De in het stelsel van de Wet LB 1964 vervatte omkeerregel brengt dan mee dat de uit hoofde van die aanspraken ontvangen uitkeringen belast zijn.

De Hoge Raad heeft daarop een uitzondering gemaakt. Hij heeft beslist dat vergoedingen voor immateriële schade en verlies van arbeidskracht door een werkgever betaald op grond van zijn aansprakelijkheid voor een door een werknemer overkomen ongeval, behoudens bijzondere omstandigheden, niet zozeer hun grond vinden in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt (vgl. HR 29 juni 1983, nr. 21 435, BNB 1984/2). Bij die bijzondere omstandigheden gaat het om afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen, waaraan de gelaedeerde een recht op vergoeding wegens verlies aan arbeidskracht ontleent (vgl. HR 21 februari 2001, nr. 35 796, BNB 2001/150).

Dienstongevallenverzekering

Vast staat dat de uitkering op grond van de dienstongevallenverzekering is gebaseerd op artikel 54a van het Barp. Eiser ontleent zijn recht op vergoeding derhalve aan een afspraak in een rechtspositionele regeling die onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst, zodat de door de Hoge Raad gemaakte uitzondering niet van toepassing is en de uitkering op grond van de omkeerregel tot het loon behoort.

Dat eiser zijn werkgever civielrechtelijk aansprakelijk had kunnen stellen (onrechtmatige daad) voor de geleden schade doet hieraan niet af.

Privé-ongevallenverzekering

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitkering op grond van de privé-ongevallenverzekering niet voortvloeit uit zijn arbeidsovereenkomst, maar onverplicht heeft plaatsgevonden.

Volgens verweerder is de uitkering gebaseerd op een toezegging van het KLPD, welke toezegging is afgedekt door middel van de door het KLPD collectief afgesloten privé-ongevallenverzekering. Eiser kan daaraan, volgens verweerder, rechten ontlenen, omdat het KLPD de toezegging als een arbeidsvoorwaarde heeft verstrekt. Dat de toezegging onverplicht is gedaan en de verzekering onverplicht is afgesloten doet daaraan volgens verweerder niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser aan zijn arbeidsovereenkomst het recht op de uitkering ontlenen, nu deze is gebaseerd op een toezegging van het KLPD. Dit betekent dat de uitkering op grond van de privé-ongevallenverzekering eveneens tot het loon behoort.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient het beroep inzake de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 1 december 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.