Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU6604

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
191272 / 197543 / 216658 / 210326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding van schade na brand. Rechtbank is voornemens een deskundige te benoemen m.b.t. oorzaak van de brand. Verwijzing naar de rol voor akte uitlating partijen over voorlopige vraagstelling aan de deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis van 16 november 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 191272 / HA ZA 09-1865 van

[A],

wonende te Bemmel,

eiser in de hoofdzaak,

advocaat mr. P.M. Wilmink,

tegen

1. [B],

wonende te Arnhem,

gedaagde in de hoofdzaak,

2. [C],

wonende te Arnhem,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. J.G.T. Stapelbroek-Klooken te Arnhem,

3. [D],

wonende te Westervoort,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. H.J. Arnold te ’s-Gravenhage.

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 197543 / HA ZA 10-450 van

[D],

wonende te Westervoort,

eiser in vrijwaring,

advocaat mr. H.J. Arnold te ‘s-Gravenhage,

tegen

1. [B],

wonende te Arnhem,

gedaagde in vrijwaring,

2. [C],

wonende te Arnhem,

gedaagde in vrijwaring,

advocaat mr. Stapelbroek-Klooken te Arnhem,

3. [E],

wonende te Bemmel,

gedaagde in vrijwaring,

advocaat mr. L.K. de Ronde te Arnhem.

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 216658 / HA ZA 11-878 van

[C],

wonende te Arnhem,

eiser in vrijwaring,

advocaat mr. J.G.T. Stapelbroek-Klooken te Arnhem

tegen

[D],

wonende te Westervoort,

gedaagde in vrijwaring,

advocaat mr. H.J. Arnold te ’s-Gravenhage.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 210326 / HA ZA 10-2627 van

[A],

wonende te Bemmel,

eiser,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Endedijk.

Partijen zullen hierna [A], [B], [C] en [D], [E] en Allianz genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 april 2010 in de hoofdzaak met rolnummer 09-1865 en de vrijwaringsprocedure met rolnummer 10-450

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 juni 2010 gehouden in de hoofdzaak met rolnummer 09-1865 en de vrijwaringsprocedure met rolnummer 10-450

- het vonnis van 25 mei 2011 in de hoofdzaak met rolnummer 09-1865, de vrijwaringsprocedure met rolnummer 10-450 en de procedure tussen [A] en Allianz met rolnummer 10-2627

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 7 oktober 2011gehouden in alle vier de procedures.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is eigenaar van een onroerende zaak aan het Kattenleger 15 te Bemmel, bestaande uit een perceel land met daarop een woonhuis en een loods.

2.2. Op 17 november 2008 is brand ontstaan in de loods. Als gevolg van de brand zijn de loods en zich daarin bevindende roerende zaken (grotendeels) verwoest.

2.3. Onderzoeksbureau I-tek B.V. heeft in opdracht van ASR, de opstalverzekeraar van [A], een onderzoek naar de oorzaak van de brand ingesteld. In het rapport van 13 januari 2009 staat onder meer:

“Resumé technisch onderzoek

(…)

* De brand is kennelijk ontstaan in de werkplaats, die was gesitueerd aan de linkerachterzijde van de loods.

* In de werkplaats heeft een Volkswagen Transporter gestaan die als gevolg van de brand geheel verloren is gegaan.

* Aan de hand van het brandbeeld en met name de mate en wijze van aantasting van het nog aanwezige houtwerk, de werkbank en de kasten in de werkplaats, werd vastgesteld dat de brand zeer zeker ontstaan kan zijn in de Transporter.

* Door de verregaande staat van aantasting van de Transporter kon de exacte oorzaak van de brand niet worden vastgesteld. Aan de hand van de aantasting van het motorcompartiment werd vastgesteld, dat de brand zeer waarschijnlijk in dit compartiment moet zijn ontstaan.

* Zeker kan niet worden uitgesloten, dat de brand is ontstaan als gevolg van een onvolkomenheid in de elektrische bedrading van de Transporter. Met name enkele constant spanningvoerende kabels vertoonden in de omgeving van de accu sporen van (on)volkomen elektrische sluitingen. (…)

Resumé

(…)

* De brand in de loods is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ontstaan in de Volkswagen Transporter.

* De Transporter was ongeveer drie weken voorafgaande aan de brand te water geraakt, waarbij er schade was ontstaan aan de carrosserie en het motorblok.

* Door een kennis/hulp van verzekerde zijn aan de Transporter meerdere reparaties uitgevoerd, waarbij onder andere de dynamo is vervangen en de zekeringskast is schoongemaakt.

* Ongeveer drie dagen voorafgaande aan de brand is de startmotor vervangen. Er is een nieuwe startmotor gekocht bij een bedrijf in Westervoort en daar heeft de kennis van verzekerde, samen met een monteur van dat bedrijf, de nieuwe startmotor ingebouwd.

(…)

Conclusie

(…)

* De brand in de loods is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ontstaan in de Volkswagen Transporter die in de werkplaats van de loods stond geparkeerd.

* De Transporter had enkele weken voorafgaande aan de brand waterschade opgelopen, waarna onder andere de elektronica, alsmede de dynamo en de startmotor waren vervangen.

* Uit kennis en ervaring is bekend dat elektrische bedrading en elektronica, die nat/vochtig is geworden, onder andere gaat oxideren.

* Daardoor kunnen er zogenaamde ‘lekstromen’ ontstaan die (on)volkomen elektrische sluitingen kunnen veroorzaken. Dergelijke sluitingen kunnen vervolgens zeer zeker brand veroorzaken.

* Het is niet aannemelijk dat de brand is ontstaan als gevolg van een onvolkomenheid in de elektrische installatie van de loods. (…) `

2.4. De Volkswagen Transporter (hierna: de auto) is eigendom van [B]. [B] is de werkgever van [E], de stiefzoon van [A]. De auto was drie weken voor de brand te water geraakt terwijl [E] deze bestuurde. [C] heeft de auto de avond van de brand in de loods geparkeerd. Allianz is de WAM-verzekeraar van de auto. [C] en [D] hebben in verband daarmee reparatiewerkzaamheden aan de auto verricht.

2.5. ASR weigert uitkering onder de opstalverzekering omdat [A] bij het aangaan van de verzekering feiten zou hebben verzwegen. [A] heeft zich hierbij voorlopig neergelegd.

2.6. Tussen de stukken bevinden zich diverse taxatierapporten betreffende de waarde van de volgens [A] in de loods aanwezige goederen.

2.7. Bij brieven van 26 januari 2009 heeft [A] [C], [D] en [B] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van de brand.

2.8. In reactie op die brief heeft [D] bij brief van 16 februari 2009 geschreven:

‘Ik heb inderdaad aan betreffende auto Volkswagen bestel (…) reparaties verricht op 14 november 2008. Wij hebben de dynamo en de startmotor vervangen. Ook hebben wij diverse kabels nagelopen en schoongemaakt en zo nodig vervangen. Als daarmee iets is misgegaan zal ik dit ter kennis van mijn verzekering brengen. (…)’

2.9. In een schriftelijke verklaring van 24 november 2009 heeft [D] geschreven:

‘(…) Ik zag dat de startmotor erg roestig was. Voor een 10 jaar oude VW Transporter is dat niet bijzonder. Daarna heb ik de kabels die op de oude startmotor waren aangesloten, losgemaakt en de oude startmotor verwijderd. Ik heb toen uit voorraad een nieuwe startmotor geplaatst. Aan de aanwezige kabels in het startcompartiment heb ik niets bijzonders gezien. Wat ik wel heb gedaan, dat doe ik altijd, is dat ik de kabels die vanuit de accu en de dynamo op de startmotor worden aangesloten, heb gecontroleerd. Ik kijk daarbij met name naar het kabeloog. Dat zit aan het uiteinde van de kabels, waardoor een bout gaat die aan de startmotor wordt bevestigd. Het is namelijk mijn ervaring (bij oude VW’s), en dat bleek ook in dit geval, dat het kabeloog vies was. Ik schuur dan het kabeloog. Door het schuren van dat kabeloog wordt er een beter contact gemaakt. Wat ik ook altijd doe, is dat ik de beugel bij het kabeloog verwijder. Die beugel heeft naar mijn mening geen toegevoegde waarde. Die beugel zorgt er juist voor dat er minder contact is. Ik weet trouwens niet voor 100% zeker of ik de beugel bij deze VW Transporter ook heb verwijderd. Ik weet wel zeker dat ik geen kabels heb vervangen. (…)

Wat mij van het hart moet, is dat [D] mij voor de brand nooit heeft verteld dat de VW Transporter in het water had gelegen. Als er een behoorlijke waterschade is geweest, dan ontstaan er vroeg of laat problemen met de electronica; zeker bij een auto die al 10 jaar oud is. Het is dan waarschijnlijk dat er op een bepaald moment kortsluiting optreedt. Ik zou zo’n auto met waterschade dan ook nooit in mijn garagebedrijf parkeren. Verder moet je zo’n auto met waterschade natuurlijk laten repareren door een erkend herstelbedrijf. (…)

Ik vind het niet voorstelbaar dat de startmotor de oorzaak van de brand zou zijn geweest. De startmotor draait bij het starten van de auto maar enkele seconden. In de verklaring van [D] lees ik verder dat de VW al ongeveer een half uur ongebruikt in de loods stond, voordat hij naar buiten ging. Ik vind het aannemelijk dat door de waterschade elektrische leidingen en relais zijn gaan roesten. Als + en – contact met elkaar maken, dan kan er vonkvorming ontstaan. De accu geeft altijd stroom, ook als de auto niet wordt gebruikt.`

2.10. In een brief aan de aansprakelijkheidsverzekeraar van [D], Aegon, van 1 maart 2010 schrijft Brugman, onderzoeker bij I-tek, naar aanleiding van door de advocaat van [D] gestelde vragen onder meer:

‘(…) De door de heer [D] omschreven werkwijze is mijns inziens gebruikelijk. Gelet op zijn verklaring lijkt het zo te zijn, dat hij ook zorgvuldig heeft gewerkt. Om een goed contact te krijgen tussen de pluskabel en de startmotor moet het oog van de kabel inderdaad goed schoon zijn. Het ‘schoon’ schuren is dan een zeer gebruikelijke werkwijze.

Is er onderzoek gedaan naar de startmotor als oorzaak van de brand?

Er is geen specifiek onderzoek aan de startmotor verricht. Wel is het gehele motorcompartiment onderzocht, waarbij uiteraard ook de startmotor is betrokken. Vastgesteld werd, dat het motorcompartiment geheel was uitgebrand. Het betrof een ‘egaal’ brandbeeld, waarbij niet vastgesteld kon worden, op welke plaats de brand in het motorcompartiment het hevigst was geweest dan wel was ontstaan. (…)

Is het aannemelijk dat de vervanging van de startmotor de oorzaak van de brand is?

Als gevolg van de zeer ernstige en egale aantasting van het motorcompartiment, in combinatie met de totale aantasting van de elektrische bekabeling/bedrading, kon de exacte oorzaak van de brand niet worden vastgesteld. Dit in verband met het feit, dat niet alleen de bekabeling van de startmotor sporen van sluiting(en) vertoonde, maar ook andere kabels/bedrading, die niet op de startmotor aangesloten bleken te zijn. (…)

Indien een auto te water is geraakt, zullen normaliter de bedrading en de elektronica vervangen worden, om problemen met de elektrische installatie te voorkomen.’

2.11. Over de door hem verrichte werkzaamheden heeft [C] aan I-tek in een verklaring van 27 november 2008 verklaard (bijlage 4 bij het rapport van I-tek):

‘(…) Ik heb mijn hele leven gewerkt als automonteur en daarom had de zoon van [A] mij gevraagd om de bus te repareren. Ik had hierover overleg gehad met [A] en ik was natuurlijk heel blij dat ik iets voor hen kan terug kon doen voor alle steun en hulp die van hen krijg.

Ik denk dat het ongeval ongeveer drie weken geleden is gebeurd en vanaf dat moment ben ik de bus gaan repareren. Ik heb de bus helemaal gerepareerd in het autobedrijf van mijn broer. Dat gebeurde na sluitingstijd, omdat het overdag natuurlijk te druk was in het autobedrijf.

Ik ben zelf met de bus bezig geweest en heb alle blikschade gemaakt en natuurlijk alle elektronische delen van het motorblok zijn door mij vervangen. Ik heb onder andere de zekeringenkast schoongemaakt en dynamo vervangen.’

2.12. In een brief van I-tek van 18 maart 2010 aan Aegon staat onder meer:

‘ (…) Zoals reeds in de brief van 1 maart 2010 werd weergegeven, kon als gevolg van de zeer ernstige en egale aantasting van het motorcompartiment, in combinatie met de totale aantasting van de elektrische bekabeling/bedrading, de exacte oorzaak van de brand niet worden vastgesteld.

Tevens werd in voornoemde brief kenbaar gemaakt, dat indien een voertuig te water geraakt, doorgaans de bedrading en de elektronica vervangen worden, om problemen met de elektrische installatie in de toekomst te voorkomen.

Met betrekking tot het vorenstaande werd contact opgenomen met enkele bij het Nivre aangesloten voertuig-experts. Zij deelden desgevraagd mede, dat wanneer een motorvoertuig te water is geraakt en waarbij het motorcompartiment onder water is geweest en daardoor waterschade heeft opgelopen, het betreffende voertuig ‘total loss’ zal worden verklaard. Deze informatie werd verstrekt, omdat uit hun kennis en ervaring was gebleken, dat ondanks het feit dat als een te water geraakt voertuig werd gerepareerd, er regelmatig problemen ontstonden met betrekking tot de bedrading, de elektronica en elektrisch aangedreven onderdelen.’

2.13. Op verzoek van Allianz heeft Gorissen & Van der Zande een onderzoek naar de oorzaak van de brand ingesteld. In het rapport van 19 november 2010 staat onder meer:

‘6.5. Conclusie

Naar de mening van rapporteur was het ten gevolge van de grote vuurvernietiging in en aan de loods niet meer mogelijk om de exacte plaats van ontstaan van de brand te bepalen. De vuurvernietiging rondom en aan de bestelbus laat zich ook als gevolgschade verklaren. Een dergelijk voertuig vormt tijdens een brand een zeer grote vuurbelasting.

Zolang de exacte plaats van ontstaan van de brand niet voor 100% vastgesteld is, is het ook niet mogelijk om de oorzaak van de brand vast te stellen. Van de in 6.3 genoemde mogelijke oorzaken is hooguit een aantal oorzaken als minder aannemelijk aan te wijzen. Uit te sluiten zijn deze echter niet.

Gelet op de minder grote vuur- en hitteschade ter hoogte van de accu in de bestelbus, waar de sporen van sluiting zouden zijn aangetroffen, en het feit dat ook tijdens een brand sporen van sluiting in bekabeling kunnen optreden lijkt het juist niet aannemelijk dat de brand op die plek ontstond. Het aangetroffen afwijkende brandbeeld ter hoogte van de werkbank lijkt het beeld dat de brand niet in de bestelbus ontstond alleen maar te versterken.

Ook het op een gevallen tl-armatuur aantreffen van een deel van de geklapte autoband duidt op een ontstaan van brand buiten het voertuig. Indien de brand in het afgesloten motorcompartiment zou zijn ontstaan had verwacht mogen worden dat de autobanden om de voorwielen al snel door vuur zouden zijn aangetast en lek geraakt, c.q. geklapt. Dit nog voordat het vuur de tl-armatuur zou kunnen bereiken en zover aantasten dat deze viel.’

7. OPMERKELIJKHEDEN

(…) I-Tek schrijft in haar rapport dat de brand zeer waarschijnlijk in het motorcompartiment van de Volkswagen Transporter ontstond t.g.v. een elektrisch manco. Een brand t.g.v. een elektrische oorzaak, ontstaan in een afgesloten motorcompartiment van een voertuig, zal zich slechts zeer geleidelijk ontwikkelen en uitbreiden. (…) Als de brand in de bestelbus t.g.v. een elektrisch defect ontstond na het vertrek van de heer [C], dan had de brand zich, naar de mening van rapporteur, om 19.40 uur nauwelijks tot buiten het voertuig kunnen uitbreiden. Toch stond, volgens de verklaring van de heer [A], rond die tijd al een groot deel van het pand in brand. Naar de mening van rapporteur is het dan ook op grond van dat gegeven niet aannemelijk dat de brand t.g.v. een elektrisch mankement in de bestelbus ontstond. (…)’

2.14. Op verzoek van Allianz heeft voor deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden op 31 maart 2011, waarbij als getuigen zijn gehoord [A], zijn echtgenote, hun zoon, [C] en [E].

2.15. In een aanvullend rapport van Gorissen & Van de Zande van 18 april 2011 staat onder meer:

‘(…) 5. Slotopmerkingen

* Het daadwerkelijke tijdstip van brandontdekking lijkt niet overeen te komen met de brandmelding bij de brandweer. Alle getuigen spreken over een ontdekking van de brand omstreeks 19:00 uur terwijl deze pas om 19:45 uur werd gemeld.

* Mogelijk dat alle getuigen zich in de tijd vergissen, maar het is ook niet uit te sluiten dat eerst nog een eigen bluspoging werd ondernomen en dat de brandweer pas werd gewaarschuwd toen de brand zich verder uitbreidde. Ook is het mogelijk dat de gezinsleden te druk bezig waren om goederen uit de loods te redden en pas later dachten aan het waarschuwen van de brandweer.

* Ook aan de hand van de verklaringen die tijdens het getuigenverhoor werden opgenomen blijkt niet dat de brand daadwerkelijk in de bestelbus ontstond. (…)

* Aan de lijst met mogelijke brandoorzaken moeten naar de mening van rapporteur de gasheater en zeker de hogedrukreiniger, die beiden in de werkplaats aanwezig en aangesloten waren, worden toegevoegd.

* Vooralsnog blijkt uit niets dat de brand daadwerkelijk in de onderhavige Volkswagen Transporter ontstond. De heer [A] zag de bus wel in brand staan maar op dat moment was al sprake van een ontwikkelde en fors uitgebreide brand, waardoor het logisch te verklaren is dat de bus in brand stond. (…)’

3. Het geschil

in de hoofdzaak 09-1865: [A]-[B], [C] en [D]

3.1. [A] vordert samengevat - veroordeling van [B], [C] en [D] tot betaling van EUR 3.698.076,78, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [C] en [D] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak 10-450: [D]-[B], [C] en [E]

3.3. [D] vordert samengevat - dat [B], [C] en [E] worden veroordeeld om aan [D] te betalen al hetgeen waartoe [D] jegens [A] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [B], [C] en [E] in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

3.4. [C] en [E] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak 11-878: [C]-[D]

3.5. [C] vordert - samengevat - dat de rechtbank [D] zal veroordelen tot betaling aan [C] van al hetgeen waartoe [C] als gedaagde in de hoofdprocedure mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [C] in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

3.6. [D] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 10-2627: [A]-Allianz

3.7. [A] vordert - samengevat - veroordeling van Allianz om alle schade te vergoeden die [A] heeft geleden of nog zal lijden ten gevolge van de brand op 17 november 2008, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van Allianz in de kosten van deze procedure.

3.8. Allianz voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

[A] – Allianz

4.1. [A] houdt Allianz op grond van artikel 3 lid 5 jo. artikel 6 WAM aansprakelijk voor de schade die de brand heeft veroorzaakt. Aan die vordering legt [A] ten grondslag dat blijkens het rapport van I-tek de brand is ontstaan in de auto. De schade is derhalve veroorzaakt door het bij Allianz verzekerde motorvoertuig, zodat Allianz gehouden is de schade te vergoeden, aldus [A]. Allianz voert onder meer het verweer dat als al moet worden aangenomen dat de brand is ontstaan in de auto, hetgeen zij betwist, deze schadeveroorzakende gebeurtenis niet valt onder het verkeersrisico waarvoor de WAM dekking biedt.

4.2. De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 3 lid 1 WAM bepaalt voor zover hier relevant dat de WAM-verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. De WAM strekt tot bescherming van slachtoffers van het gemotoriseerde verkeer en dekt het verkeersrisico. Een relatie tussen de schade en het verkeersgedrag is noodzakelijk. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het begrip ‘deelnemen aan het verkeer’ ruim moet worden opgevat en dat daaronder niet alleen valt verkeer dat in beweging is. Voorts hoeft het causale verband tussen die deelname en de schade niet zeer direct te zijn.

4.3. In deze zaak was de auto geparkeerd in een aan [A] in eigendom toebehorende loods. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de stelling van [A] is op enig moment kortsluiting ontstaan in de elektrische onderdelen van de auto, waardoor er brand is ontstaan in de auto, waarna de loods met daarin aanwezige goederen grotendeels door brand is verwoest. Weliswaar is in dat geval sprake van schade die is veroorzaakt door het motorrijtuig, maar die schadeveroorzaking houdt geen verband met de deelname van het motorrijtuig aan het verweer. De auto was geparkeerd in de loods en buiten het verkeer tot stilstand gebracht. Van deelname aan het verkeer was daarmee geen sprake en evenmin van schade die is ontstaan door bepaald verkeersgedrag (vgl. Benelux Gerechtshof 10 december 1990, NJ 1992, 81 en gerechtshof ’s-Gravenhage 25 mei 2010, VR 2011, 42). De conclusie luidt dan ook dat het veronderstelde ontstaan van de brand in de auto en de daardoor veroorzaakte schade niet vallen onder de reikwijdte van artikel 3 WAM. Op dat oordeel stuit de vordering van [A] op Allianz reeds af. Aan de beoordeling van de overige door Allianz gevoerde verweren wordt niet toegekomen. [A] zal in een later te wijzen eindvonnis als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.

in de hoofdzaak: [A] – [B], [C] en [D]

[B]

4.4. [B] is op 26 mei 2011 failliet verklaard. Het geding tegen hem is van rechtswege geschorst op grond van artikel 29 Fw.

[D] en [C]

4.5 Aan zijn vordering op [C] en [D] heeft [A] onder verwijzing naar het rapport van I-tek ten grondslag gelegd dat zij de reparatiewerkzaamheden aan de auto ondeugdelijk hebben verricht althans moeten hebben verricht omdat er kortsluiting in de auto is ontstaan, hetgeen niet zou zijn gebeurd indien [C] en [D] de door hen verrichte werkzaamheden deugdelijk zouden hebben uitgevoerd. Daarnaast verwijt [A] [C] dat hij, wetende dat de elektrische installatie van de auto kort daarvoor aan water was blootgesteld hetgeen de kans op kortsluiting vergroot, de auto in de loods heeft geplaatst terwijl hij wist dat daar waardevolle goederen waren opgeslagen. [D] wordt (tijdens de eerste zitting) verder nog verweten dat hij, hoewel hij wist dat de auto te water was geraakt, heeft nagelaten alle kabels te controleren althans te waarschuwen voor het gevaar.

4.6. Als meest verstrekkend verweer heeft [D] onder verwijzing naar het rapport van Gorissen & Van de Zande betwist dat de brand is veroorzaakt door (kortsluiting in) de auto. Daarmee ligt allereerst de vraag voor naar de oorzaak van de brand. Indien de brand immers niet is ontstaan in of veroorzaakt door de auto, zal de vordering van [A] moeten worden afgewezen. Aan de hand van de thans voorliggende rapporten van I-tek en Van de Zande & Gorissen kan de rechtbank niet beoordelen of de brand in de auto is ontstaan. Dat is weliswaar de conclusie die door I-tek wordt verdedigd, maar Gorissen & Van de Zande heeft kritische kanttekeningen bij die conclusie geplaatst en zij houdt (ook) andere oorzaken voor mogelijk, waarbij het haar juist niet aannemelijk lijkt dat de brand in de auto is ontstaan. Er bestaat geen aanleiding om aan het ene rapport meer betekenis te hechten dan aan het andere, te meer nu voor de beide rapporten (en daaraan ten grondslag liggende onderzoeken) geldt dat deze zijn opgesteld in opdracht van respectievelijk ASR (opstalverzekeraar) en Allianz (WAM-verzekeraar), die beide belang hebben (gehad) bij de uitkomst van het onderzoek. Thans staat dus nog niet vast dat de brand in de auto is ontstaan, zodat daarvoor nog bewijslevering nodig is. Als zou komen vast te staan dat de brand in de auto is ontstaan, dan ligt de vraag voor of dat, zoals [A] stelt, het gevolg is van ondeugdelijk verricht reparatiewerk door [C] en/of [D]. Ten aanzien van [D] heeft [A] (tijdens de eerste zitting) aangevoerd dat nu (volgens I-tek) de bekabeling rondom de startmotor sporen van kortsluiting vertoont, het wel zo moet zijn dat [D] op de kabels waarneembare sporen van oxidatie onvoldoende heeft gerepareerd. Ten aanzien van [C] heeft [A] (in de dagvaarding) aangevoerd dat doordat [C] zijn werk ondeugdelijk heeft verricht, er kortsluiting in de elektrische installatie van de auto heeft kunnen ontstaan.

4.7. Gedaagden hebben aangevoerd dat [A], gelet op de stand van zaken zoals beschreven in de rapporten, onvoldoende heeft gesteld en dat daarom geen deskundige zou moeten worden benoemd door de rechtbank. De rechtbank ziet dit anders. [A] heeft tijdens de zitting nadrukkelijk bewijs aangeboden van de oorzaak van de brand. Aangezien het rapport van I-tek voldoende concrete aanknopingspunten biedt voor de stelling dat de werkzaamheden van [C] en/of [D] de brand hebben veroorzaakt, zou het te ver gaan om van [A] te verlangen dat hij eerst nog een partij-deskundige opdracht moet geven om een rapport uit te brengen ter staving van zijn stelling. In het licht van hetgeen thans bekend is, heeft hij voldoende gesteld.

4.8. De rechtbank is dan ook voornemens om, teneinde [A] in staat te stellen bewijs te leveren, een onafhankelijke deskundige te benoemen die de rechtbank kan voorlichten over de volgende vragen:

1. Kunt u vaststellen wat de oorzaak is van de brand in de loods op 17 november 2008? Wilt u daarbij aangeven met welke mate van zekerheid de door u genoemde oorzaak tot de brand heeft geleid? Wilt u daarbij ingaan op de diverse rapporten van I-tek en Gorissen & Van de Zande, in het bijzonder de punten waarop (de conclusies in) deze rapporten uiteen lopen?

Indien uw antwoord op vraag 1 luidt dat de brand is ontstaan in de auto (Volkswagen Transporter) wilt u dan de volgende vragen beantwoorden:

2. Wat is de oorzaak van de brand in de auto?

3. Kunt u vaststellen of het ontstaan van de brand verband houdt met de door [D] (zie rov. 2.8. en 2.9.) of [C] (zie rov. 2.11.) verrichte werkzaamheden? Zo ja, met welke mate van zekerheid kunt u deze vaststelling doen en had de brand voorkomen kunnen worden wanneer zij de door hen verrichte werkzaamheden op andere wijze hadden uitgevoerd en zo ja, hoe dan?

4. Kan de brand ook zijn ontstaan als [C] en [D] de door hen verrichte werkzaamheden deugdelijk hebben uitgevoerd? Zo ja, waardoor dan?

5. Heeft u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn?

4.9. Partijen krijgen de gelegenheid zich over de voorlopige vraagstelling aan de deskundige (rov. 4.8.) uit te laten. Verder krijgen zij de gelegenheid om zich uit te laten over de persoon of personen van de te benoemen deskundige(n) en hun deskundigenhe(i)d(en).

4.10. Het verwijt van [A] dat [D] niet alle kabels heeft gecontroleerd en niet heeft gewaarschuwd voor gevaar, gaat niet op. [C], die zoals hij zelf heeft verklaard tegenover I-tek, al jarenlang als automonteur werkzaam was, heeft van [E] of [B] de opdracht gekregen om, zo begrijpt de rechtbank, de auto te repareren in verband met waterschade. In dat kader schakelt [C] [D] in om de startmotor te vervangen. Zelfs wanneer ervan wordt uitgegaan dat [D] ermee bekend was dat de auto te water was geraakt (hetgeen hij heeft betwist), valt niet in te zien op grond waarvan [D] gehouden was meer te doen dan hetgeen waartoe hij opdracht had gekregen. Het meerdere kwam immers voor rekening van [C]. Zonder nadere toelichting van [A], die ontbreekt, valt ook niet in te zien dat [D] [C], die als professional kan worden beschouwd, zou moeten waarschuwen voor het gevaar dat het contact van de auto met water met zich brengt. In het midden kan dus blijven of [D] op de hoogte was van het feit dat de auto te water was geraakt.

4.11. Iedere verdere beslissing, waaronder die met betrekking tot het verwijt dat [C] onzorgvuldig heeft gehandeld doordat hij de auto, terwijl hij wist dat deze te water was geraakt, in de loods heeft geplaatst, wordt aangehouden.

in de beide vrijwaringszaken 10-450 en 11-878

4.12. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst in de hoofdzaak.

5. De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 30 november 2011 voor uitlating aan de zijde van [A], [D] en [C] als bedoeld in rov. 4.9.,

In alle zaken

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen, mr. F.M. Smit en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.

cc: SG