Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU6163

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
212280
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De grondslag van de vordering is een toerekenbare tekortkoming in de uitvoering van de adviesopdracht, bestaande uit een schending van de zorgplicht die Vizion als opdrachtnemer jegens eiser in acht had moeten nemen.Eiser stelt dat hij als particuliere opdrachtgever mocht verwachten dat Vizion hem zou beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht en dat Vizion hem in niet mis te verstane bewoordingen had moeten waarschuwen voor de aan de belegging verbonden risico’s. Eiser stelt dat hij Vizion heeft aangegeven geen ervaring met beleggen te hebben en dat hij ook niet op basis van opleiding en/of werkervaring deskundig geacht kon worden op dat gebied.Eiser stelt dat Vizion zich ervan had moeten vergewissen of NIF wel eigenaar was. Voorts verwijt eiser Vizion dat zij aan hem geen schriftelijke informatie heeft verstrekt, zoals een brochure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 212280 / HA ZA 11-267

Vonnis van 16 november 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.F.G. Mulders te Zaltbommel,

tegen

1. de vennootschap onder firma

VIZION FINANCIAL CONSULT V.O.F.,

gevestigd te [woonplaats],

en haar vennoten:

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. M.L. van Opijnen te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en Vizion c.s. genoemd worden. Afzonderlijk worden Vizion c.s. Vizion, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 mei 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 18 oktober 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Vizion verleent financiële adviesdiensten. Vizion heeft in 2001 als tussenpersoon [eiser] geadviseerd ter zake een hypothecaire geldlening. In 2005 heeft [eiser] in verband met de lagere rentestand een gesprek gevoerd met Vizion om te bezien of oversluiting tegen een lager rentepercentage met een lagere maandlast een reële mogelijkheid was. Hij heeft gesproken met [gedaagde sub 3].

2.2. Bij dit gesprek heeft [gedaagde sub 3] aan [eiser] een investeringsmogelijkheid voorgehouden voor de gelden, die als gevolg van de mogelijke oversluiting/omzetting van de hypotheek en de daaraan gekoppelde beleggingsrekening zouden vrijkomen. [eiser] had een hypothecaire lening met een hoofdsom van € 198.500,00 en een rente van 6,2%, waaraan gekoppeld was een beleggingsrekening met een waarde van € 35.000,00. [gedaagde sub 3] heeft aan [eiser] een berekening voorgelegd, waarbij werd uitgegaan van een hypotheek bij een andere hypotheekbank met een rente van 3,7%, een verhoging van het geleende bedrag tot € 250.000,00 en de vrijval van het bedrag van € 35.000,00 van de beleggingsrekening. Hiermee zou ongeveer € 50.000,00 + € 35.000,00 ter beschikking komen. Van deze gelden moesten een boete voor vervroegde aflossing, oversluitkosten en een koopsom voor een arbeidsongeschiktheidsdekking worden betaald, terwijl [eiser] nog een bedrag in handen wilde krijgen voor andere bestedingen. Tussen [gedaagde sub 3] en [eiser] is besproken dat daarna nog een bedrag van ongeveer € 21.750,00 beschikbaar zou blijven voor een investering in teak.

2.3. Het betrof een investering in teakhout op een plantage in Costa Rica, welke investeringsmogelijkheid in Nederland werd aangeboden door een Nederlandse besloten vennootschap, Natural Investment Fund B.V. (verder: NIF). Vizion had al eerder klanten bij NIF aangebracht.

2.4. [gedaagde sub 3] heeft gespreksaantekeningen gemaakt en heeft hiervan een afschrift achtergelaten bij [eiser]. In geschil is of [gedaagde sub 3] ook een brochure van NIF heeft achtergelaten. Blijkens die gespreksaantekeningen heeft [gedaagde sub 3] aan [eiser] voorgerekend dat een teakinvestering ten bedrage van € 21.750,00 eind 2011 ongeveer € 46.000,00/ 47.000,00 zou opleveren, waarmee dan een gedeelte van de hypothecaire lening zou kunnen worden afgelost ter verdere verlaging van de maandlasten.

2.5. Vervolgens is [eiser] aangemeld bij NIF. NIF heeft aan [eiser] een concept-overeenkomst toegestuurd en deze overeenkomst is door NIF en door [eiser] ondertekend op 25 oktober 2005.

In de considerans van deze overeenkomst is vermeld dat NIF eigenaar is van onroerende zaken in Costa Rica, die verder de plantage worden genoemd, dat NIF deze plantage heeft onderverdeeld in percelen, dat NIF op de plantage teakbomen kweekt en dat Koper ([eiser]) een geïndividualiseerd gedeelde van de aanplant op de plantage wenst te kopen en in economische eigendom geleverd wenst te krijgen.

Bij de overeenkomst koopt [eiser] de economische eigendom van circa 138 teakbomen op geïndividualiseerde percelen voor de koopsom van € 21.500,00. Bepaald is dat de overeenkomst eindigt op het tijdstip dat de verkoopopbrengsten van de teakbomen aan [eiser] zijn uitbetaald en dat dit tijdstip ligt tussen 1 januari 2011 en 31 december 2011.

2.6. [eiser] heeft de koopsom van € 21.500,00 op 7 december 2005 door de notaris, die de hypotheekakte heeft verleden, laten uitbetalen op de bankrekening van NIF.

Vizion heeft voor haar bemiddeling van NIF een provisie van 30% ontvangen ten bedrage van € 6.450,00.

2.7. In de overeenkomst had NIF op zich genomen om jaarlijks verslag uit te brengen. Dit heeft NIF niet gedaan. In 2008 rees het vermoeden dat er iets niet in de haak was. De AFM heeft ingegrepen. Bij schrijven van 9 juni 2010 laat Vizion aan [eiser] weten dat de grond van de plantage geen eigendom is en nimmer is geweest van NIF. Inmiddels is NIF als rechtspersoon ontbonden en is in de registers van de Kamer van Koophandel ingeschreven dat zowel NIF als haar aandeelhouder/bestuurder Natural Investment Fund Holding B.V. zijn opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. Volgens de meest recente gepubliceerde jaarrekeningen bezaten NIF en haar moedervennootschap per ultimo 2004 geen vaste activa en een negatief eigen vermogen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van Vizion c.s. tot betaling van € 21.500,00, vermeerderd met rente en kosten. De grondslag van de vordering is een toerekenbare tekortkoming in de uitvoering van de adviesopdracht, bestaande uit een schending van de zorgplicht die Vizion als opdrachtnemer jegens [eiser] in acht had moeten nemen. [eiser] stelt dat hij als particuliere opdrachtgever mocht verwachten dat Vizion hem zou beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht en dat Vizion hem in niet mis te verstane bewoordingen had moeten waarschuwen voor de aan de belegging verbonden risico’s. [eiser] stelt dat hij Vizion heeft aangegeven geen ervaring met beleggen te hebben en dat hij ook niet op basis van opleiding en/of werkervaring deskundig geacht kon worden op dat gebied. [eiser] stelt dat Vizion zich ervan had moeten vergewissen of NIF wel eigenaar was. Voorts verwijt [eiser] Vizion dat zij aan hem geen schriftelijke informatie heeft verstrekt, zoals een brochure.

3.2. Vizion c.s. voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Deze zaak is juridisch vrijwel identiek aan die van een geding, waarin Vizion c.s. twee andere klanten bij NIF had aangebracht, en waarin uitspraak is gedaan door de rechtbank Utrecht en het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem. In die zaak had een echtpaar door bemiddeling van Vizion in 2003 bij NIF voor € 30.000,00 per persoon het recht gekocht op de in 2011 te realiseren verkoopopbrengst van 150 teakbomen.

4.2. In die zaak heeft de rechtbank Utrecht bij vonnis van 16 december 2007 (LJN BK6889) op de gronden, die [eiser] in deze zaak heeft aangevoerd in zijn dagvaarding, geoordeeld dat Vizion haar zorgplicht had geschonden en was tekortgeschoten bij de uitvoering van de adviesopdracht. De rechtbank Utrecht heeft Vizion c.s. in die zaak veroordeeld om aan die klanten het door hen geïnvesteerde bedrag terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2003.

Inmiddels, dit wil zeggen tijdens dit geding tussen [eiser] en Vizion c.s., heeft het gerechtshof Amsterdam in die zaak bij arrest van 13 september 2011 (LJN BT2481) uitspraak gedaan op het hoger beroep van Vizion c.s. Het hof heeft de grieven van Vizion c.s. ongegrond verklaard en het hof kwam op nagenoeg dezelfde gronden tot het oordeel dat Vizion is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit hoofde van artikel 7:401 BW om jegens haar cliënten de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen, op grond waarvan Vizion gehouden is de ten gevolge daarvan door die cliënten geleden schade te vergoeden. Hierbij heeft het hof voorts verworpen het (alsnog) opgeworpen beroep van Vizion c.s. op eigen schuld bij de benadeelden en hun (nadere) betwisting van de schadeomvang en de toerekenbaarheid daarvan.

4.3. De rechtbank verwijst naar deze uitspraken, waarvan de desbetreffende rechtsoverwegingen als hier ingelast en herhaald kunnen worden beschouwd.

De stelling van Vizion c.s. dat er relevante verschillen zijn, wordt door de rechtbank verworpen. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

4.4. Wat betreft het verzuim om te waarschuwen, hebben Vizion c.s. gesteld dat in deze zaak [gedaagde sub 3] [eiser] in het gesprek weldegelijk heeft gewezen op de risico’s van de belegging. Dit blijkt weliswaar niet uit de gespreksaantekeningen van [gedaagde sub 3], die [gedaagde sub 3] bij [eiser] heeft achtergelaten en die door [eiser] zijn overgelegd, maar Vizion c.s. hebben ook andere aantekeningen van [gedaagde sub 3] overgelegd, die hij in zijn eigen dossier heeft opgeborgen. Hierin staat vermeld: ‘NIF besproken, brochure uitgereikt. Werking product uitgelegd. Voor- en nadelen besproken’

4.5. De rechtbank overweegt dat het woord ‘risico’s’ hier niet bij staat en dat er ook niet staat welke voor- en nadelen [gedaagde sub 3] zou hebben benoemd. In het bijzonder staat niet vermeld dat [gedaagde sub 3] zou hebben gewezen op het geringe realiteitsgehalte van het in het vooruit gestelde rendement en dat twijfel zou kunnen bestaan omtrent de juistheid van de opgave van NIF dat zij eigenaar was van de plantage.

Wat wel door [gedaagde sub 3] is gezegd, staat niet vast. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hieromtrent bewijs op te dragen, omdat uit de eigen stellingname van Vizion c.s. moet worden afgeleid dat Vizion zelf nauwelijks risico’s zag, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan worden aangenomen dat [gedaagde sub 3] [eiser] heeft gewaarschuwd voor die volgens hen niet-bestaande risico’s. Vizion c.s. stellen immers dat zij uitstekende ervaringen hadden met NIF en dat er geen enkele reden was om wantrouwend te zijn. Vizion c.s. stellen dat haar vennoten hebben gesproken met de man die achter NIF zat en dat deze man betrouwbaar overkwam, dat andere cliënten de plantage in Costa Rica zouden hebben bezichtigd en dat zij ook cliënten hadden die tijdens de looptijd hun investering tegen een aantrekkelijke opbrengst hebben kunnen verkopen.

4.6. Vizion c.s. stellen voorts dat [gedaagde sub 3] aan [eiser] de bij hun conclusie van antwoord overgelegde brochure van NIF heeft uitgereikt, zoals ook staat vermeld in de door hen overgelegde gespreksaantekeningen, terwijl in die andere zaak door rechtbank en hof is vastgesteld dat dit niet was gebeurd. [eiser] betwist dat hij die brochure heeft ontvangen en gelezen.

4.7. De rechtbank laat dit in het midden en acht bewijslevering op dit punt overbodig. Die brochure maakt de zaak voor Vizion c.s. namelijk niet beter. Het betreft een gedateerde brochure, waarin nog in guldens wordt gerekend terwijl de euro in 2005 al lang was ingevoerd, maar waar het vooral om gaat is dat in deze fraai uitgegeven brochure het accent wordt gelegd op de duurzaamheid en de milieuvriendelijkheid van deze groenbelegging en op de door de participant te verwachten rendementen, waarbij percentages tussen 12,2% en 17,7% worden genoemd en een rekenvoorbeeld wordt gegeven met een rendement op jaarbasis van 15,48%. In de brochure wordt daartegenover met geen woord gerept over de mogelijkheid van teleurstellende resultaten en over de risico’s van deze belegging. Verder wordt NIF in deze brochure misleidend, want in strijd met de waarheid, gepresenteerd als de eigenaar van vele hectares plantagegrond in Costa Rica.

Indien juist zou zijn dat [gedaagde sub 3] deze brochure aan [eiser] ter hand heeft gesteld, dan verergert dit de schending van de zorgplicht, omdat Vizion c.s. met een dergelijke brochure [eiser] nog meer zand in de ogen hebben gestrooid in plaats van hem te waarschuwen voor de risico’s van deze belegging.

4.8. Verder is er volgens Vizion c.s. een relevant verschil in het opleidingsniveau van de klanten.

In de Utrechtse zaak ging het blijkens het arrest van het hof om een echtpaar, waarvan de man LTS heeft, een technische avondopleiding heeft gedaan en werkt als service-technieker van tandheelkundige apparatuur, terwijl de vrouw ULO heeft, avond MEAO heeft gedaan en werkt als secretaresse van een bisdom. De vrouw is een tante van de vriendin van een van de vennoten van Vizion c.s.

[eiser] is de buurman van [gedaagde sub 3]. [eiser] heeft de MAVO gevolgd, is daarna administratief medewerker geworden bij de belastingdienst en heeft daar een interne opleiding van twee tot drie jaar gevolgd, waarna hij controleur in de buitendienst is geworden.

De rechtbank oordeelt dat de verschillen in opleidingsniveau geen objectieve rechtvaardiging geven voor een onderscheid in de waarschuwingsplicht en/of de mate van eigen schuld.

4.9. Wat betreft de beleggingservaring volgt uit het vonnis van de rechtbank Utrecht en het arrest van het hof dat die personen een ‘miskleun’ hadden bij LegioLease/Spaarbeleg en dat een van hen op verjaardagsfeestjes over beleggen heeft gesproken. [eiser] had, zoals bij de feiten is vastgesteld, een beleggingsrekening die gekoppeld was aan zijn hypotheek. Omtrent de aard en de samenstelling van deze beleggingsrekening is echter niets gesteld of gebleken en in het bijzonder is niet gesteld of gebleken dat daarmee ook gespeculeerd werd en/of op andere wijze werd deelgenomen in risicovolle beleggingen. Op na te melden beleggingsinventarisatie hebben [gedaagde sub 3] en [eiser] aangekruist dat [eiser] geen ervaring en kennis had met/van obligaties, aandelen en opties/warrants.

Er bestaat dus geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser] meer beleggingservaring had dan de personen in de Utrechtse zaak.

4.10. De omstandigheid dat [gedaagde sub 3], zoals Vizion c.s. benadrukken, een beleggingsinventarisatie c.q. beleggingsprofiel van [eiser] heeft opgemaakt, waarin is geopteerd voor een offensief risicoprofiel, maakt de zaak ten aanzien van de investering in teak niet anders. Uit de stellingen van Vizion c.s., de gespreksaantekeningen van [gedaagde sub 3] en de kop van dit formulier volgt dat dit risicoprofiel geen betrekking had op de investering in teak, maar op een aan de nieuwe rendementhypotheek bij de SNS Bank te koppelen beleggingsrekening, waarbij geopteerd werd voor een portefeuille met 25% obligaties en 75% aandelen. Uit de door [eiser] overgelegde gespreksaantekeningen volgt dat het voornemen bestond om, naast de investering in teak bij NIF met € 21.750,00 en een looptijd van 6 jaar, tevens een bedrag van € 21.903,00 te beleggen op een beleggingsrekening bij SNS met een looptijd van maximaal 30 jaar. Of dit voornemen is uitgevoerd, blijkt niet uit de stukken. Het profiel heeft in elk geval geen betrekking op de investering in teak, welke investering overigens volgens Vizion c.s. niet eens zou kwalificeren als een belegging.

4.11. Met betrekking tot de eventuele eigen schuld van [eiser], waarop Vizion c.s. zich beroepen, benadrukt de rechtbank dat [gedaagde sub 3] in deze optrad als de financieel adviseur van [eiser] en dat [eiser] mocht vertrouwen op zijn deskundigheid en zich daarop ook tot op zekere hoogte mocht verlaten. [gedaagde sub 3] moest naar objectieve maatstaven beter in staat worden geacht om de risico’s van deze investering in te kunnen schatten. Het door NIF in het vooruitzicht gestelde rendement van 15,48% per jaar was, zoals algemeen bekend kan worden verondersteld, ook in 2005, zeer optimistisch en niet erg realistisch. Dit had [eiser] zelf ook kunnen bedenken. Vizion c.s. echter wist dat van de inleg van [eiser] eerst nog eens 30% zou worden afgehaald om haar provisie te betalen en gesteld noch gebleken is dat [eiser] dit wist. Dit betekent dat de investering van [eiser] van € 21.750,00, teneinde in 2011 de door [gedaagde sub 3] voorgerekende uitbetaling van ongeveer € 46.000,00 op te leveren, in de tussenliggende zes jaren zou moeten aangroeien niet met € 24.250,00, maar met € 30.775,00. De inleg moest in zes jaar dus niet (ruim) verdubbelen, maar (ruim) verdrievoudigen. Hiervoor is nodig niet een rendement van 15,48% per jaar, maar een (niet cumulatief) rendement van ruim 33% per jaar. Een zo hoog rendement was, naar algemeen bekend kan worden verondersteld, ook in 2005 en bij belegging in groen, voor een solide belegging niet alleen uitermate rooskleurig, maar zelfs irreëel.

4.12. De goedgelovigheid van [eiser] valt in het niet bij die van Vizion c.s., bij wie ter zake enige deskundigheid mocht worden voorondersteld. Hieraan doet niet af dat, zoals Vizion c.s. stellen, een andere klant in Costa Rica een plantage zou hebben bezocht. Gesteld noch gebleken is dat daarbij in de desbetreffende registers of op andere wijze is geverifieerd of deze plantage wel aan NIF in eigendom toebehoorde, terwijl uit de gepubliceerde jaarrekeningen aanstonds duidelijk was dat dit niet het geval kon zijn. Evenmin doet hieraan af dat Vizion c.s. de persoon, die achter NIF zat, hebben ontmoet en dat deze man op Vizion c.s. correct overkwam. In dit soort zaken mag een professionele financieel adviseur niet afgaan op uiterlijke schijn. Hetzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat andere investeerders vóór het debacle van NIF hun investeringen tussentijds met winst hebben kunnen verhandelen. Dit komt vaker voor bij piramideachtige financiële constructies. Vizion c.s. hadden hierop beroepshalve bedacht moeten zijn.

4.13. De slotsom is dat, bij de afweging van de wederzijdse schuld ingevolge artikel 6:101 BW, de balans volledig doorslaat in het nadeel van Vizion c.s. De goedgelovigheid van [eiser] geeft geen aanleiding tot vermindering van de schadevergoedingsplicht van Vizion en haar hoofdelijk aansprakelijke vennoten.

4.14. Het betreft in de eerste plaats de investering van [eiser] ten bedrage van € 21.500,00. Gezien de ontbinding van NIF en het ontbreken van baten, kan er gevoeglijk van worden uitgegaan dat deze investering geheel verloren is gegaan.

4.15. Op zichzelf is het juist dat, zoals Vizion c.s. aangeven, bij een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie of onrechtmatige daad bekeken moet worden in welke vermogenstoestand de benadeelde zou verkeren indien de wanprestatie of de onrechtmatige daad niet zou zijn gepleegd. Vizion c.s. gaan ervan uit dat [eiser], indien zij hem gewaarschuwd zouden hebben voor het risicovolle karakter van deze investering in teak, dan gekozen zou hebben voor een andere belegging. Dit staat niet vast en Vizion c.s. hebben op dit onderdeel niet voldaan aan hun stelplicht, zowel ten aanzien van de investeringsplannen van [eiser] als ten aanzien van hun suggestie dat [eiser] dan evengoed zijn geld kwijt zou zijn geweest.

4.16. [eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente over de verloren investering vanaf 25 oktober 2005. Ook deze nevenvordering is door Vizion c.s. bestreden. Vizion c.s. stellen dat de rente hooguit kan worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat niet eerder aanspraak is gemaakt op deze rente. Voorts stellen Vizion c.s. dat de schade niet eerder dan in 2011 ontstaat.

[eiser] heeft hierop ter comparitie gesteld dat de wettelijke rente moet ingaan in 2005, omdat toen de zorgplicht is geschonden en de schade is ontstaan door de betaling van de inleg in het NIF.

4.17. De rechtbank overweegt dat het betoog van Vizion c.s. dat de schade van [eiser] eerst is ontstaan in 2011, omdat dit het jaar is waarin de investering tot uitkering had moeten komen, miskent dat [eiser] in dit geding geen vergoeding vordert van het positieve contractsbelang, zijnde de aan hem door Vizion c.s. in het vooruitzicht gestelde uitbetaling van ongeveer € 46.000,00. [eiser] beperkt zijn vordering tot schadevergoeding tot zijn inleg in 2005 van € 21.500,00, die verloren is gegaan.

De rechtbank overweegt dat de wettelijke rente over een verschuldigde geldsom ingevolge artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf de datum van het verzuim in de voldoening daarvan. Bij een schadevergoedingsverbintenis op grond van wanprestatie treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in (artikel 6:83 sub b BW). De wettelijke rente loopt dan vanaf het moment dat de verbintenis opeisbaar is. Bij een concrete berekening van de schade, zoals hier, is de verbintenis opeisbaar op het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk zijn kosten heeft gemaakt. Dat was hier de datum waarop [eiser] zijn inleg via de notaris heeft betaald aan NIF en dat was 7 december 2005. De rechtbank zal de rente toewijzen vanaf 7 december 2005 en het meer gevorderde afwijzen.

4.18. Hoewel dit in zijn petitum niet terugkomt, maakt [eiser] in het lichaam van zijn dagvaarding aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig rapport Voorwerk-II. Deze vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat hij daadwerkelijk dergelijke kosten heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.19. Vizion c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,81

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 588,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.836,81

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Vizion c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 21.500,00 (éénentwintig duizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 7 december 2005 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Vizion c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.836,81,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.