Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU5808

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
215073
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:3901, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brandschade.

Brandstichting. Er bestaat een aantal onduidelijkheden ten aanzien van de activiteiten van eiser in conventie op zondag 28 maart 2010, de dag voor de brand. In deze onduidelijkheden ligt de basis van RVS' weigering tot uitkering over te gaan.

Verwijzing naar rol voor het nemen van een akte door eiser in conventie met betrekking tot door rechtbank gestelde vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 215073 / HA ZA 11-660

Vonnis van 2 november 2011

in de zaak van

[eiser in conventie],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.J.C. Teunissen te Boxmeer,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. D.J. van der Kolk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie] en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juni 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 12 oktober 2011

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser in conventie] heeft bij RVS een woonhuisverzekering (woonhuisverzekering extra-uitgebreid met glas) met polisnummer [polisnummer] en een inboedelverzekering (inboedelverzekering extra-uitgebreid met garantie) met polisnummer [polisnummer] gesloten. Deze verzekeringen betreffen [eiser in conventie]s woonhuis aan de [adres] te [postcode] [woonplaats] Lb. Hij bewoont dit huis met zijn vrouw en zijn zoon [zoon 1], maar omdat hij een cafetaria in [woonplaats in Duitsland], Duitsland, bezit, verblijft het gezin niet altijd in de woning in [woonplaats].

2.2. Op 14 april 2010 doet [eiser in conventie] bij de politie Regio Limburg Noord, district Venray, basiseenheid [woonplaats]/Gennep aangifte van brandstichting aan zijn woonhuis. Hij verklaart onder meer dat op maandag 29 maart 2010 om 00.31 uur de brandstichting is gepleegd en dat hij daarvan, uitgenodigd door de politie, aangifte wil doen. Ter comparitie heeft [eiser in conventie] uitgelegd dat hij op het bureau was omdat er mensen waren opgepakt voor meerdere brandstichtingen bij hem in de buurt, die ook gezien waren tijdens de brand in zijn woning.

2.3. Op het moment van de brandstichting, heeft [eiser in conventie] bij de politie en ter comparitie verklaard, was hij niet thuis.

2.4. Op de comparitie heeft [eiser in conventie] verklaard dat hij op de maandagmorgen van de brand tussen 9.30 en 9.45 uur werd opgebeld door een ‘contra-expert’ die op een nieuwszender over de brand had gehoord. Deze zou [eiser in conventie] hebben gevraagd of hij schade had geleden door een brand bij de buren.

2.5. RVS, die de brandmelding telefonisch van de Verzekeraars Hulp Dienst had doorgekregen, deelt [eiser in conventie] bij brief van 30 maart 2010 mee I-TEK BV in te hebben geschakeld om een onderzoek in te stellen naar de oorzaak/toedracht en overige omstandigheden van de brand en Interlloyd Survey BV voor een onderzoek naar de omvang van de schade. De expert M. Baggen heeft dan al een bezoek aan de schadelocatie gebracht.

2.6. [eiser in conventie] spreekt op 8 april en 4 mei 2010 met I-TEK. Op 3 augustus 2010 vindt er opnieuw een gesprek met I-TEK plaats; daar zijn ook [eiser in conventie]s advocaat en de contra-expert A. De Nood aanwezig.

2.7. In de gesprekken met [eiser in conventie] en daarbij aansluitende correspondentie tussen I-TEK en [eiser in conventie]s advocaat geeft [eiser in conventie] aan op zondag 28 maart 2010 zijn zoon [zoon 2] naar Lunteren te hebben gebracht; daarbij zou hij de route [woonplaats]-Beuningen-Veenendaal-Lunteren-Veenendaal-Beuningen-[woonplaats in Duitsland] hebben gereden.

2.8. Het Voorlopig rapport van I-TEK d.d. 11 juni 2010 noemt onder meer het volgende.

- Er zijn geen sporen van braak aangetroffen. Politie en brandweer hebben de achterdeur in niet afgesloten toestand aangetroffen. De brand moet in de hal zijn ontstaan, kennelijk in een nis waarin zich onder meer de kapstok bevond.

- [eiser in conventie] verklaarde dat alleen hij en zijn zoon [zoon 1] een sleutel van de woning hadden en dat deze altijd via de voordeur werd betreden. De keuken-/achterdeur wordt op slot gedraaid, maar de sleutel blijft dan in het slot steken. [eiser in conventie] was op woensdag 24 maart nog in zijn woning geweest met zijn zoon [zoon 1]; zij hadden de woning volledig afgesloten achtergelaten.

- [eiser in conventie] verklaarde dat hij op zondag 28 maart 2010 zijn zoon [zoon 2] met de auto naar [adres] in Lunteren had gebracht, hem daar omstreeks 22.30 à 22.45 uur had afgezet en aansluitend naar [woonplaats in Duitsland] was gereden, waar hij om 00.15 à 00.30 uur thuis kwam. [eiser in conventie]s zoon [zoon 1] en zijn vrouw waren die zondagavond 28 maart 2010 in [woonplaats in Duitsland]. [eiser in conventie] verklaarde later dat hij omstreeks 23.15 uit Lunteren was vertrokken. Het was volgens hem zowel op de heen- als op de terugweg erg druk op de A50 tussen Malden en Beuningen en bij de knooppunten Ewijk en Valburg. Daarom besloot [eiser in conventie] binnendoor te rijden via Beuningen en Veenendaal. Volgens Rijkswaterstaat stonden er rond die tijd geen files op de Nederlandse wegen. De reistijd [woonplaats]-[woonplaats in Duitsland] is volgens [eiser in conventie] ongeveer 25 minuten, maar volgens routenet.nl 12 minuten; de afstand [woonplaats in Duitsland]-Lunteren is ongeveer 98 km, de reistijd zonder files volgens routenet.nl een uur.

- [eiser in conventie] heeft een telefoonspecificatie gefaxt aan I-TEK uit welke – niet geheel goed leesbare – fax kon blijken dat op 28 maart 2010 omstreeks 20.19 uur van zijn telefoon in het buitenland een sms was verzonden en dat op die dag omstreeks 20.49 uur met zijn mobiele telefoon in Nederland was getelefoneerd. Het sms-bericht en het telefoongesprek zouden zijn gericht tot zijn zoon [zoon 2], die hij op die dag naar Lunteren bracht. Een nader onderzoek van de originele specificatie van TELE2 leverde echter op dat op zondag 28 maart 2010 drie maal, het laatst om 11.32, was gebeld met de telefoon van [eiser in conventie] terwijl de verbinding via een Duitse provider liep. Later op die dag was er met dit nummer niet meer gebeld. Tevens bleek dat niet op 28, maar op 26 maart 2010 omstreeks 20.19 uur van [eiser in conventie]s telefoon in het buitenland een sms was verzonden en niet op 28, maar op 26 maart 2010 omstreeks 20.49 uur met [eiser in conventie]s telefoon in Nederland was getelefoneerd.

2.9. In een Aanvullend rapport d.d. 17 september 2010 berekent I-TEK dat [eiser in conventie], gelet op zijn verklaringen over zijn vertrektijd naar Lunteren, als hij op die zondag naar Lunteren is geweest, op zijn vroegst op maandag 29 maart 2010 om 1.20 uur weer in [woonplaats in Duitsland] kan zijn geweest.

2.10. RVS schrijft op 21 oktober 2010, nadat zij onderzoek heeft laten doen en verklaringen van [eiser in conventie] en diens zoon [zoon 1] heeft opgenomen, aan [eiser in conventie] onder meer:

De brand in uw woning is het gevolg van brandstichting. De brandhaard bevond zich in de hal van de woning (…). Op basis van alle feiten en omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd, dat een sleutelhouder betrokken moet zijn geweest bij het ontstaan van de brand. Uit de verschillende, afgelegde verklaringen is duidelijk geworden, dat naast u zelf uw inwonende zoon [zoon 1] over de sleutel van de woning beschikte. Nadrukkelijk werd verklaard, dat niemand anders over de sleutel(s) van de woning beschikte. Aan derden werd geen sleutel verstrekt. Er bleken geen braaksporen aanwezig.

Op basis van de hiervoor gegeven argumenten is voldoende aannemelijk geworden, dat een onder de woonhuis- en de inboedelverzekering als verzekerde aan te merken persoon op negatieve wijze bij het ontstaan van de brand betrokken is geweest.

Wij bevestigen u, dat wij niet tot schadevergoeding zullen overgaan. Wij verlenen in dit geval primair geen dekking omdat ons een beroep toekomt op artikel 7:952 van het Burgerlijk Wetboek (…).

De schadeonderzoeker heeft met u gesproken over uw activiteiten op de avond van zondag, 28 maart 2010 evenals de nacht die daar op volgde. U bracht uw zoon [zoon 2] met de auto naar Lunteren. Tijdens het eerste interview verklaarde u, dat u [zoon 2] omstreeks 22.30 uur in Lunteren hebt afgezet. Om ongeveer 00.15 uur kwam u thuis in [woonplaats in Duitsland] (…).

Op basis van uw verklaringen is de conclusie gerechtvaardigd, dat door u niet volledig naar waarheid is verklaard:

- noch van de door u beweerde files, noch van de door u genoemde wegwerkzaamheden was op de avond van zondag, 28 maart 2010 sprake.

- op grond van de verzamelde gegevens lijkt uitgesloten, dat zoals door u bij herhaling is beweerd, u op maandag, 29 maart 2010 rond ongeveer 00.15 uur, uiterlijk om 00.30 uur in [woonplaats in Duitsland] zou zijn thuisgekomen.

- de door u beweerde route komt ons niet als aannemelijk voor, gelet op de overige bijzonderheden. Er heerst veel onduidelijkheid over het daadwerkelijk door u afgelegde traject.

- met betrekking tot het telefoongebruik is kennelijk onjuist verklaard. De verklaringen op dit punt zijn niet eenduidig gebleken en stroken bovendien niet met de overgelegde specificaties.

2.11. RVS zegt in dezelfde brief wegens de ontstane vertrouwensbreuk de bij haar lopende verzekeringen op tegen in de brief aangegeven data. De gegevens van [eiser in conventie] zijn opgenomen in RVS’ incidentenregister en zij heeft zijn personalia aan de Stichting CIS en het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars doorgegeven.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser in conventie] vordert samengevat

- een verklaring voor recht dat RVS gehouden is dekking te verlenen voor de schade die hij als gevolg van de brand heeft geleden en nog zal lijden,

- veroordeling van RVS tot vergoeding aan [eiser in conventie] van de door hem geleden en nog te lijden schade als op te maken bij staat,

vermeerderd met de kosten.

3.2. RVS voert verweer. Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, in.

in reconventie

3.3. RVS vordert samengevat veroordeling van [eiser in conventie] tot betaling aan haar van € 15.285,55 als schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten, waaronder nakosten.

3.4. [eiser in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, in.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Hoewel [eiser in conventie] – zonder te verklaren waarom hij dan aangifte van brandstichting heeft gedaan – in twijfel trekt of er sprake is van brandstichting, zal de rechtbank van brandstichting uitgaan. Zij doet dit omdat er geen andere oorzaak voor het ontstaan van de brand gebleken is, buiten de suggesties van mogelijke oorzaken door [eiser in conventie], die echter niet geconcretiseerd zijn.

4.2. De vraag is dan of [eiser in conventie] zelf iets met de brandstichting te maken heeft gehad. Gebleken is niet dat er sprake is geweest van serieuze verdenking in de richting van een of meer buitenstaanders. In het bijzonder is onduidelijk of de verdachten die [eiser in conventie] tijdens de comparitie bedoelde, enige rol in het politieonderzoek hebben gespeeld. Gebleken is niet dat [eiser in conventie] zelf een reden heeft in hen verdachten te zien.

4.3. In dit verband is van belang dat de in de gang van de uitgebrande woning aangetroffen rugzak volgens RVS geen rol speelde bij de brandstichting. Het I-TEKrapport van 11 juni 2010 vermeldt dat deze rugzak in de hal werd aangetroffen en dat er onder meer drie pakken lucifers en drie papieren dozen met aanmaakblokjes in hadden gezeten. Eén van die dozen was leeg, de tweede vol en de derde nagenoeg vol. Er zat een pakje vloeitjes in die gewoonlijk worden gebruikt om een joint te draaien. [eiser in conventie] en zijn zoon [zoon 1] verklaarden de rugzak niet te herkennen. Mogelijk behoorde hij toe aan een kennis van [zoon 1]. De bevelvoerder van de brandweer verklaarde dat de tas vermoedelijk in een hoek bij de meterkast had gelegen. In de tas zat een verpakte wafel waarvan de uiterste houdbaarheidsdatum 14 januari 2005 was. Ook de rugzak heeft dus geen aanleiding gegeven tot een bepaalde verdenking van betrokkenheid bij de brandstichting.

4.4. De situatie die thans is ontstaan, houdt in dat voorshands RVS’ conclusies dat de brand door of met behulp van een sleutelhouder moet zijn veroorzaakt, gevolgd moeten worden omdat dit de enige mogelijkheid is die op feiten is gebaseerd. De andere mogelijkheden zijn niet meer dan veronderstellingen. RVS legt vervolgens een verband tussen de brand en een als verzekerde aan te merken persoon. In feite brengt zij [eiser in conventie] zelf rechtstreeks met de brand in verband en dat is de aanleiding van deze procedure.

4.5. Er bestaat een aantal onduidelijkheden ten aanzien van de activiteiten van [eiser in conventie] op zondag 28 maart 2010, de dag voor de brand. In deze onduidelijkheden ligt de basis van RVS’ weigering tot uitkering over te gaan. Voorop staat in dit proces dat de door [eiser in conventie] gestelde feiten – onder meer inhoudend dat de brand buiten zijn toedoen en medeweten is ontstaan – zijn vordering dragen. Deze feiten moeten eenduidig en concreet zijn in het kader van [eiser in conventie]s stelplicht. Het bewijs van negatieve betrokkenheid van [eiser in conventie] bij de brand ligt in beginsel op de weg van RVS; hierop gaat de rechtbank onder 4.13 nader in.

4.6. De onder 4.5 bedoelde onduidelijkheden betreffen drie onderwerpen, te weten de door [eiser in conventie] op zondag 28 maart 2010 gevoerde telefoongesprekken, de tijden waarop hij naar Lunteren en van Lunteren naar [woonplaats in Duitsland] zou zijn gereisd en de toestand van de weg tijdens die ritten.

4.7. In aanvulling op hetgeen onder 2.8 is weergegeven, heeft [eiser in conventie] ter comparitie nader verklaard over het van TELE2 ontvangen overzicht van het gebruik van zijn telefoon in de dagen vóór de brand. Hierin staat het onder 2.8 genoemde telefoongebruik op 26 maart 2010 vermeld. [eiser in conventie] geeft aan dat dit plaatsvond in verband met het brengen van zijn zoon naar Lunteren en betoogt dat het gebruik dus niet op 26 maart, maar op 28 maart 2010 moet hebben plaatsgevonden. [eiser in conventie] heeft echter niet aangetoond dat de gesprekken eigenlijk op 28 maart 2010 zijn gevoerd. Dit laat de mogelijkheid open dat [eiser in conventie] ze niet op 28, maar op 26 maart heeft gevoerd, wat zou meebrengen dat hij zijn zoon niet op 28, maar op 26 maart naar Lunteren heeft gebracht. [eiser in conventie] stelt niet dat hij op beide dagen naar Lunteren is geweest.

4.8. De tijden waarop [eiser in conventie] naar Lunteren en van Lunteren naar [woonplaats in Duitsland] zou zijn gereisd, staan niet vast. Ter comparitie heeft hij verklaard dat zijn zoon [zoon 2] op 28 maart 2010 om 23.00 uur in [adres] terug moest zijn. [adres] moet dit dus geregistreerd hebben. Dat [adres] hierover geen mededeling mag doen in verband met een beroepsgeheim of omdat [zoon 2] daar als patiënt verbleef, acht de rechtbank weinig overtuigend. Het is de rechtbank ambtshalve bekend en op de website van [adres] te lezen dat [adres] een forensische GGZ-kliniek is voor jongvolwassenen vanaf 18 jaar, die in aanraking zijn gekomen of dreigen te komen met justitie. Niet valt in te zien dat er een reden bestaat voor [adres] om zich aan een getuigenverhoor voor de rechtbank te onttrekken dat uitsluitend op de momenten van thuiskomst van [zoon 2] op 26 en/of 28 maart 2010 is gericht.

4.9. Over de toestand van de weg tijdens de ritten naar Lunteren en van Lunteren naar [woonplaats in Duitsland], reden voor het maken van een omweg, heeft [eiser in conventie] diverse malen verklaard. Dat er rond de tijd waarop hij onderweg zou zijn geweest, geen filemeldingen zijn gedaan, acht de rechtbank niet relevant omdat [eiser in conventie] niets lijkt te hebben gezegd over files, maar alleen over drukte op de weg. Hij heeft verschillende verklaringen afgelegd over werkzaamheden op de weg, althans op de onderweg naar Lunteren niet door hem bereden rijbaan.

4.10. Volgens het I-TEKrapport van 11 juni 2010 zou [eiser in conventie] hebben verklaard te hebben gezien dat aan de andere kant op de snelweg werkzaamheden werden uitgevoerd. Informatie van Rijkswaterstaat heeft vervolgens uitgewezen dat er van zulke werkzaamheden geen sprake was. Ter comparitie heeft [eiser in conventie] echter verklaard dat in verband met vorstschade aan de weg, waaraan overdag werd gewerkt, er een snelheidsbeperking tot 90 km/u gold. Deze zou hem, in combinatie met de drukte, tot de omweg langs Beuningen en Veenendaal hebben gebracht.

4.11. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de volgende vragen aan [eiser in conventie].

- Biedt hij te bewijzen aan dat hij zijn zoon [zoon 2] op zondagavond 28 maart 2010 vóór 23.00 uur bij [adres] in Lunteren heeft afgeleverd, zo ja, hoe wenst hij dit bewijs te leveren?

- Kan [eiser in conventie] aantonen dat hij niet op 26, maar op zondag 28 maart 2010 zijn zoon [zoon 2] heeft ge-sms’t en gebeld in verband met de rit naar Lunteren en, zo ja, op welke wijze kan hij dit aantonen en zonodig bewijzen?

- Waaruit blijkt dat op de doorgaande route [woonplaats in Duitsland]-Lunteren-[woonplaats in Duitsland] op zondag 28 maart 2010 overdag aan de weg werd gewerkt en ‘s avonds een snelheidsbeperking tot 90 km/u gold?

4.12. [eiser in conventie] zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte over deze vragen uit te laten. RVS zal daarop bij akte kunnen reageren.

4.13. De aankomsttijd bij [adres], de tijdstippen van het telefoongebruik en de redenen om naar en van Lunteren binnendoor te rijden, acht de rechtbank essentieel in [eiser in conventie]s versie van de gebeurtenissen op 28 maart 2010. Dat is de reden waarom zij thans deze drie elementen naar voren haalt en [eiser in conventie]s betoog op deze punten aangescherpt wil zien. Pas als [eiser in conventie] aan zijn stelplicht heeft voldaan, kan de vraag beantwoord worden of bewijs moet worden opgedragen en vervolgens of het dan aan RVS is de negatieve betrokkenheid van [eiser in conventie] bij de brandstichting te bewijzen, danwel aan [eiser in conventie] om tegenbewijs te leveren van een rechterlijk vermoeden dat deze betrokkenheid bestond. Aangezien niet vooruitgelopen kan worden op hetgeen bij de aktes naar voren wordt gebracht, kan de rechter op dit thans geen verdere beslissingen nemen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 november 2011 voor het nemen van een akte door [eiser in conventie] over hetgeen is vermeld onder 4.11 en 4.12, waarna de wederpartij op de rol van 4 januari 2012 een antwoordakte kan nemen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.