Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU5797

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
218752
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 27 en 28 EEX-Verordening. Samenhangende vorderingen. Verwijzing naar de parkeerrol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 218752 / HA ZA 11-1152

Vonnis in incident van 2 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SVHH PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Lienden, gemeente Buren,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J. Oerlemans te Tilburg,

tegen

de vennootschap naar Belgisch recht

DIAMOND SPRING COMPANY N.V.,

gevestigd te Zele, (België),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. P.A.J.M. Lodestijn te Plasmolen.

Partijen zullen hierna SVHH en DSC genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. SVHH vordert in de hoofdzaak veroordeling van DSC tot betaling van een bedrag van € 76.035,39, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten. De gevorderde hoofdsom bestaat uit een post openstaande facturen, een post gederfde omzet/winst als gevolg van geannuleerde orders en een post ter zake van niet-geretourneerde goederen. SVHH legt - kort samengevat - aan genoemde vordering ten grondslag dat DSC op verschillende punten toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen.

2.2. DSC vordert voor alle weren dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Volgens DSC wordt de rechtsverhouding tussen partijen beheerst door de van toepassing zijnde algemene voorwaarden (de ‘aankoopcondities’) van DSC. Op grond van deze aankoopcondities worden handelsgeschillen waarbij DSC de aankopende partij is, beheerst door Belgisch recht met uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechter.

2.3. In lijn hiermee, zo stelt DSC, heeft zij bij het gerecht in Dendermonde, België, een procedure aanhangig gemaakt tegen SVHH en een aan SVHH verwante rechtspersoon naar Pools recht, Easysofa, ter verkrijging van schadevergoeding, stellende dat de door Easysofa aan DSC geleverde goederen een groot aantal gebreken vertonen die Easysofa weigert voor haar rekening te (doen) herstellen.

2.4. SVHH stelt in haar conclusie van antwoord in het incident dat niet de aankoopcondities van DSC, maar haar eigen algemene voorwaarden op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing zijn. In dat kader zal SVHH in de procedure bij het gerecht in Dendermonde zich op het standpunt stellen dat het gerecht niet bevoegd is kennis te nemen van het door DSC aanhangig gemaakte geschil. Om die reden verzoekt SVHH de rechtbank de zaak aan te houden totdat er duidelijkheid bestaat over de bevoegdheid van het gerecht in Dendermonde. Zij verwijst daarbij naar de artikelen 27 en 28 van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening).

2.5. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek van SVHH te honoreren.

2.6. Aangezien DSC in België, een EU-lidstaat, is gevestigd en sprake is van een burgerlijke of handelszaak, is de EEX-Verordening van toepassing. Ingevolge artikel 28 lid 1 EEX-Verordening kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak aanhouden, wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten.

2.7. Vastgesteld moet worden dat de dagvaarding in de onderhavige zaak op 17 juni 2011 is betekend aan DSC, terwijl de dagvaarding in de Belgische zaak reeds in maart 2011 door DSC is uitgebracht. Daarmee heeft deze rechtbank te gelden als “gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht”.

2.8. Van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 28 lid 1 EEX-Verordening is sprake, indien tussen vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Dit volgt uit artikel 28 lid 3 EEX-Verordening.

2.9. De rechtbank acht niet uitgesloten dat in beide procedures tegenstrijdige feitelijke oordelen of rechtsoordelen worden gegeven en is op die grond van oordeel dat er sprake is van samenhangende vorderingen. In de Belgische zaak gaat het - kort gezegd - om de vraag of SVHH en Easysofa schadeplichtig zijn jegens DSC omdat zij ondeugdelijke goederen hebben geleverd aan DSC, terwijl SVHH in de onderhavige zaak (onder meer) betaling vordert van openstaande facturen die betrekking hebben op diezelfde geleverde goederen, waarbij nog van belang is dat uit de stellingen van SVHH volgt dat Easysofa haar vorderingen op DSC heeft gecedeerd aan SVHH. Indien in de Belgische zaak zou worden geoordeeld dat SVHH toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar leveringsverplichting, kan dit gevolgen hebben voor de onderhavige procedure. Dat beide uitspraken afzonderlijk ten uitvoer zouden kunnen worden gelegd en dat de rechtsgevolgen van die uitspraken elkaar niet uitsluiten, is hierbij niet van doorslaggevende betekenis (zie HvJ EG 6 december 1994, zaak C-406/92).

2.10. Het voorgaande leidt ertoe dat de zaak naar de parkeerrol zal worden verwezen. Op het moment dat duidelijkheid bestaat over de bevoegdheid van het gerecht in Dendermonde in de procedure tussen DSC als eisende partij en SVHH en Easysofa als gedaagde partijen, kan de meest gerede partij de zaak weer voor vonnis opbrengen op de gewone rol.

2.11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. verwijst de zaak naar de parkeerrol van 4 april 2012,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.

Coll.: MvG