Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU5257

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/2753
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet IB 2001. Artikel 22 en 33 lid 1 Wet IB 1964. Eiser heeft in 2006 een verlies uit resultaat uit overige werkzaamheden opgevoerd van € 80.561 dat door de inspecteur is geweigerd. Het opgevoerde verlies is de som van een aantal vorderingen van eiser op een derde, die hun oorsprong vinden in 1985. De rechtbank is van oordeel dat geen van die vorderingen zijn terug te leiden tot een belastbare bron van inkomen dan wel dat niet aannemelijk is dat die ooit tot het genoten inkomen van eiser hebben behoord. Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2937
FutD 2011-2910
V-N Vandaag 2011/2885
V-N 2012/7.3.2

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/2753

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 22 november 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser, met dagtekening 29 oktober 2009, voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [000].H.66) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Daarbij is een bedrag van

€ 17.440 aan verlies uit werk en woning verrekend. Het ultimo 2006 nog te verrekenen verlies is vastgesteld op € 4.423.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2010 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 25 juli 2010, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2011 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen drs. [gemachtigde].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

2. Feiten

2.1 Eiser heeft in 1985 een samenwerkingsovereenkomst gesloten met [A] (hierna: [A]), die beweerdelijk de ondernemingen "[B]" en "[C]" exploiteerde. Deze samenwerking is beëindigd in oktober 1985 en eiser heeft [A] vervolgens op 20 november 1985 gedagvaard. Dit heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank van 10 juli 1986, nr. 1985/3806, waarin onder meer het volgende is vermeld:

" (…)

1. Eiser heeft in de periode van 1 juni 1985 tot 2 oktober 1985 meerdere malen kontante gelden aan gedaagde ter beschikking gesteld, alsmede op verzoek van gedaagde en te zijnen behoeve betalingen gedaan (…);

2. Voormeld bedrag (…) kan worden geacht bij wege van geldlening aan gedaagde te zijn verstrekt;

3. (…) zodat eiser nog heeft te vorderen een bedrag van ? 5.314,50;

4. Tussen eiser en gedaagde is op 1 juli 1985 een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarbij werd afgesproken dat de door eiser ten behoeve van de samenwerking verrichte werkzaamheden door gedaagde zouden worden vergoed op basis van het architekten-uurtarief, ingeval de samenwerking zou worden beëindigd;

5. Eiser heeft uit een artikel, gepubliceerd in de Telegraaf d.d. 2 oktober 1985, moeten lezen dat de samenwerking met hem is verbroken, hetgeen gedaagde nadien ook heeft bevestigd, zodat vanaf 2 oktober 1985 de samenwerking kan worden geacht te zijn beëindigd;

6. Eiser maakt op grond van de tussen partijen gesloten voorwaardelijke overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten aanspraak op vergoeding van een bedrag van ? 13.500,00, welk bedrag redelijk kan worden geacht voor de door hem in de periode van 1 juli 1985 tot

2 oktober 1985 verrichte werkzaamheden;

7. Gedaagde heeft in zijn bezit een aantal bescheiden van eiser, waaronder een Amerikaanse cheque van $ 29.500, een bankgarantie van de RABObank (…), welke goederen gedaagde, ondanks sommatie, weigert aan eiser af te geven;

8. Bij aangetekend schrijven d.d. 28 oktober 1985 is gedaagde gesommeerd tot betaling van een bedrag van ? 18.814,50, terzake van voormelde gronden verschuldigd, alsmede tot afgifte van de voormelde bescheiden, met aanzegging dat aanspraak zal worden gemaakt op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 1 november 1985;

9. Gedaagde heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven (…);

(…)

Overwegende dat de feiten, die door eiser aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, als niet weersproken vaststaan en de vordering kunnen dragen, zodat als volgt moet worden beslist;

Rechtdoende:

1. Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de som van ? 18.814,50 (…), vermeerderd met de rente als gevorderd.

2. Veroordeelt gedaagde om aan eiser af te geven alle in zijn bezit zijnde bescheiden van eiser, waaronder met name een Amerikaanse cheque van $ 29.500, een bankgarantie van de Rabo-bank (…).

(…)

5. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van deze procedure (…). "

2.2 De kascheque van $ 29.500, die door de in het vonnis genoemde bankgarantie was afgedekt, is door [A] in onderpand gegeven aan een derde, die de cheque heeft geïnd. Daarop heeft Rabobank de garantie aangesproken, waardoor een vordering op eiser ontstond.

2.3 Op 19 november 1986 is aan eiser surséance van betaling verleend. Daarbij is toenmalig advocaat mr. [D] benoemd tot bewindvoerder. Op verzoek van de bewindvoerder is de surseánce vanaf 21 januari 1987 omgezet in een faillissement, waarbij de bewindvoerder is benoemd tot curator. De niet-geïnde vordering van eiser op [A] behoorde tot de faillissementsboedel. [A] verkeerde in de periode 1997-2004 in faillissement. In een verslag aan de rechter-commissaris van 1 juli 1988 is onder meer door de curator vermeld:

" De aangifte Inkomstenbelasting en Premies volksverzekeringen 1986 is destijds inhoudelijk door curandus gedaan, voorzover mogelijk door mij gecontroleerd en – formeel – door mij als curator mede-ondertekend. "

2.4 Het faillissement van eiser eindigde ultimo 1996 waardoor een belangrijk deel van de prefaillissementsschulden weer herleefden, vermeerderd met wettelijke rente. Eiser heeft in de handelwijze van de curator aanleiding gezien deze aansprakelijk te stellen voor de schade die eiser heeft geleden door het faillissement. Medio 1998 heeft eiser de voormalig curator daartoe gedagvaard.

2.5 Eiser is in de periode van 7 december 1999 tot en met 25 maart 2005 op eigen verzoek toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van de Wet Schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) teneinde de procedure tegen de voormalig curator voort te kunnen zetten. Deze procedure is beëindigd door het arrest van het Hof Arnhem van 18 februari 2003, waarbij voor recht is verklaard dat jegens eiser onzorgvuldig is gehandeld en de voormalig curator in privé aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade. De afwikkeling van de schadevergoeding heeft vervolgens geleid tot een schikking. Daardoor kon een regeling met de crediteuren van eiser worden getroffen. Vervolgens is de schuldsanering beëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst per 25 maart 2005.

2.6 Vanaf 1 april 2005 is eiser begonnen met een eigen praktijk voor rechtsbijstand. In de periode tussen 1986 en 2005 heeft eiser – uit principiële overwegingen – geen inkomen uit arbeid genoten.

2.7 De vordering op [A] is nooit geïncasseerd en per 10 juli 2006 verjaard.

2.8 Eiser heeft op 29 maart 2007 voor het jaar 2006 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 162.560. Dit bedrag vormt het saldo van een brutoresultaat uit overige werkzaamheden van

€ 17.440 en een door eiser opgevoerd bedrag aan verlies van € 180.000 dat volgens eiser als kosten in aftrek kan worden gebracht. Dit bedrag is de som van de vordering op [A], vermeerderd met wettelijke rente en gerechtelijke kosten.

2.9 Verweerder is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2006 afgeweken van de ingediende aangifte en heeft het bedrag aan verlies van € 180.000 gecorrigeerd.

2.10 Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt. In het kader van het bezwaar heeft eiser de door hem opgevoerde kosten nader gespecificeerd en onderbouwd en een correctie aangebracht omdat in de aangifte ten onrechte is uitgegaan van euro's in plaats van guldens. Volgens eiser bedraagt zijn aftrekbare verlies in totaal € 81.680,44. Voorts heeft eiser onder meer een verklaring van de toenmalige curator van 8 april 2010 overgelegd, waarin de voormalig curator aan eiser schrijft:

" Met betrekking tot uw belastingaangifte over 1985 herinner ik mij (meer dan twintig jaar na dato!) niets meer. Wel herinner ik mij de naam [A].

Ten aanzien van de belastingaangifte over 1985 schrijft u over daarin verwerkte "nog uit te betalen" inkomsten. Ik neem echter aan dat u bedoelt door u nog te ontvangen inkomsten.

Nu ik geen enkele herinnering heb aan uw belastingaangifte 1985, weet ik dus ook niet of daarin nog te ontvangen inkomsten uit de overeenkomst met de heer [A] zijn verwerkt. Ik kan dan ook niet bevestigen dat dat is gebeurd. Indien ik toentertijd op de hoogte was van de bedragen waarop u jegens [A] aanspraak maakte, indien die nog te ontvangen bedragen in de aangifte dienden te worden verwerkt én indien ik, zoals ik kennelijk heb geschreven, die aangifte “voor zoveel mogelijk gecontroleerd en meeondertekend” heb, acht ik wel aannemelijk dat de nog te ontvangen inkomsten uit de overeenkomst met de heer [A] in uw belastingaangifte over 1985 waren opgenomen. (…) "

2.11 Bij de aangevallen uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2.12 Daartegen heeft eiser tijdig beroep ingesteld. Ter zitting heeft eiser een nadere specificatie van de het verlies overgelegd. Dat luidt als volgt (waarbij het €-teken in de eerste kolom dient te worden gelezen als ?):

" (…)

HOOFDSOM € 18.814,50

Rente ex art. 1286 BW (oud) t/m 31-12-91 € 10.590,23

Rente ex art. 6:119 BW t/m 06-08-2002 € 34.752,38

Rente ex art. 6:119 BW t/m 10-07-2006 € 25.972,33

Proceskosten eerste aanleg € 1.906,35

Proceskosten tweede aanleg € 1.229,20

Kosten Beslag Kort Geding € 2.047,65

Deurwaarderskosten € 2.156,80

Kosten faillietverklaring 22-09-1999 € 3.659,45

Totaal in NLG € 101.128,89

Bedrag in Euro € 45.890,30

Bankcheque

20-nov-85

$ 1,00 = NLG 2,59 € 76.405,00

Bedrag in Euro € 34.671,08

TOTAAL VERLIES € 80.561,38

3. Geschil

3.1 In geschil is of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 naar een juist bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht een correctie heeft aangebracht op het door eiser aangegeven negatieve resultaat uit overige werkzaamheden.

3.2 Eiser stelt dat de aanslag moet worden verminderd met het verlies van – zoals ter zitting gespecificeerd –

€ 80.561,38 dat hij op de vordering op [A] heeft geleden en dat tot de sfeer van resultaat uit overige werkzaamheden behoort. Volgens eiser houdt het verlies rechtstreeks verband met de werkzaamheden die hij gedurende drie maanden in 1985 voor [A] heeft verricht. De inkomsten hieruit zijn volgens eiser betrokken in de IB/PVV-heffing voor het jaar 1986.

3.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een verband met een bron van inkomen en als daarvan al sprake is, dat de inkomsten hieruit moeten worden gekwalificeerd als inkomsten uit arbeid buiten dienstbetrekking waarvoor destijds het kasstelsel gold. Ook in dat geval is geen plaats voor een kostenaftrek in 2006. Meer subsidiair stelt verweerder dat niet aannemelijk is geworden dat de vordering eerder tot het inkomen van eiser is gerekend en in de belastingheffing betrokken is geweest. Ook ten aanzien van de gecumuleerde rente, kosten van civiele procedures en faillietverklaring, en de Amerikaanse kascheque bestaat geen recht op aftrek in 2006, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Geen van beide partijen is in staat gebleken om de aangiften en aanslagen IB/PVV 1985 en/of 1986 over te leggen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank stelt voorop, dat het door eiser opgevoerde verlies uit overige werkzaamheden alleen in aanmerking kan worden genomen, indien sprake is van een verband met een eerdere bron van inkomen en indien de inkomsten daaruit eerder in de heffing van de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen zijn betrokken. De bewijslast dat daarvan sprake is rust in beginsel op eiser nu het gaat om een aftrekpost.

4.2 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3 Eiser heeft als verlies opgevoerd hetgeen blijkens het vonnis van de civiele rechter van 10 juli 1986 door [A] verschuldigd was aan eiser, vermeerderd met de vordering van de Rabobank vanwege de afgifte van de kascheque en vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 november 1985. Het vonnis van 10 juli 1986 heeft betrekking op een aantal elementen, namelijk de terugbetaling van vanwege een geldlening verstrekte bedragen, de vergoeding wegens verrichte werkzaamheden en de teruggave van goederen, waaronder de kascheque.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank vormen de aan [A] uitgeleende bedragen en de kascheque vermogensbestanddelen die, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, door hem aan [A] ter beschikking zijn gesteld met het oog op de mogelijk toekomstige participatie van eiser in het project "[B]". Deze vermogensbestanddelen behoorden evenwel uitsluitend tot het (privé-)vermogen van eiser en kunnen niet worden aangemerkt als, en zijn niet terug te leiden tot, een bron van inkomen.

4.5 Wat betreft de vergoeding voor verrichte werkzaamheden in de periode van juli tot oktober 1985 kan in beginsel sprake zijn van een bron van inkomen, namelijk als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Op grond van het vonnis van 10 juli 1986 en de ter zitting door eiser afgelegde verklaringen stelt de rechtbank echter vast dat eiser reeds direct, in oktober 1985, wist dat zijn vordering op [A] oninbaar was, omdat [A] onvindbaar was en overigens geen verhaal bood. Gelet hierop, en nu evenmin sprake was van een rentedragende vordering als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet IB 1964 (vgl. Hoge Raad 1 juni 1977, nr. 18.209, LJN: AX3510, BNB 1977/167), heeft de vordering wegens de vergoeding voor verrichte werkzaamheden nooit tot het (genoten) inkomen van eiser behoord.

4.6 De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat de gehele vordering op [A] steeds tot het (privé-)vermogen van eiser heeft behoord en dat derhalve aannemelijk is dat deze vordering – indien correct verwerkt – niet als inkomen is aangegeven in de aangifte IB/PVV 1986 en dat daarover ook nooit inkomstenbelasting is geheven. Gesteld noch gebleken is dat een deel van de vordering in de aangifte IB/PVV 1985 is verantwoord.

4.7 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een bron van inkomen dan wel, voor zover al sprake is geweest van inkomen uit een bron, dat niet aannemelijk is dat dat inkomen reeds eerder in de heffing van inkomstenbelasting betrokken is geweest. Hierdoor kan het verlies op de vordering op [A] niet leiden tot aftrekbare kosten of anderszins fiscaal op het inkomen van eiser in mindering worden gebracht. Gelet hierop, behoeven de overige gronden van het beroep geen nadere bespreking. Het bewijsaanbod van eiser kan verder worden gepasseerd, omdat de rechtbank niet twijfelt aan de aannemelijkheid van de door eiser gepresenteerde feiten waarop het bewijsaanbod betrekking heeft.

4.8 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. M.J.A. Castelijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 22 november 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.