Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU5205

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
05/900917-10 en 05/700705-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld; overlijden slachtoffer. Een 89-jarige vrouw heeft bij een inbraak 2 vuistslagen in gezicht gekregen met hersenletsel als gevolg. Tijdens de daaropvolgende zes maanden durende coma zijn medische complicaties opgetreden, waaraan zij is overleden. Rechtbank acht causaal verband tussen de vuistslagen en het overlijden bewezen. Ook acht de rechtbank voorwaardelijk opzet aanwezig nu verdachte wist dat het om een oude vrouw ging, ouderen vaak brozer en fragieler zijn en verdachte daarmee de aanmerkelijke kans op het overlijden heeft aanvaard. Gevangenisstraf van 9 jaar opgelegd, afwijzing pleidooi tot toepassing van het minderjarigenstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2012, afl. 2, p. 94

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Promis II

Parketnummers : 05/900917-10 en 05/700705-11

Data zittingen : 15 januari 2011, 15 februari 2011, 12 april 2011, 10 mei 2011, 7 juni 2011, 16 augustus 2011 en 8 november 2011

Datum uitspraak : 22 november 2011

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen, Verlengde Ooyerhoekseweg 21

Zutphen.

raadsman : mr. A.H.T de Haas, advocaat te Nijkerk.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Ten aanzien van parketnummer 05/900917-10:

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegestane nadere omschrijving, tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de nacht van 18 september 2009 op 19 september 2009 in de

gemeente Duiven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk A.T.S.M. [slachtoffer1] van het leven heeft beroofd,

hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk die

[slachtoffer1] meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het

hoofd heeft geslagen/gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer1]

(op 1 maart 2010) is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd

en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een

diefstal uit de woning van die [slachtoffer1] (gelegen aan de [adres]),

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of een ander of anderen straffeloosheid te

verzekeren;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de nacht van 18 september 2009 op 19 september 2009, in de

gemeente Duiven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning

(gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een horloge (merk Citizen)

en/of een (trouw)ring, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan A.T.S.M. [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of

dat/die goed(eren)/geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak en/of verbreking (een ruit van de woning werd vernield),

en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk

te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, die

[slachtoffer1] meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het

hoofd heeft geslagen/gestompt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer1] (op 1

maart 2010) is overleden;

Ten aanzien van parketnummer 05/700705-11:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de nacht van 6 april 2009 op

7 april 2009 in de gemeente Westervoort tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft

weggenomen een flatscreen televisie (merk Panasonic, kleur zwart) en/of een

afstandbediening, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

G.A. [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich

(telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van inklimming; (zaak 2 dossier 05/900917-10, blz. 2120)

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 8 november 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.H.T de Haas, advocaat te Nijkerk.

Ter terechtzitting van 8 november 2011 zijn de zaken van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd J.M. [benadeelde partij].

De officier van justitie, mr. H.J. Timmer, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/900917-10 primair en het onder parketnummer 05/700705-11 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij J.M. [benadeelde partij] tot een bedrag van € 14.760,- wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3a. De beslis¬sing inzake het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/900917-10:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft in de nacht van 18 op 19 september 2009 de ruit van de schuifpui van de woning van het slachtoffer [slachtoffer1] (verder: [slachtoffer1]), gelegen aan de [adres] te Duiven vernield door deze in te slaan met een slot. Nadat verdachte eerst de benedenverdieping heeft doorzocht is hij naar de bovenverdieping gegaan. Daar lag het 89 jaar oude slachtoffer te slapen in haar bed. Toen hij naast het bed van het slachtoffer stond, deed het slachtoffer plotse-ling het licht aan. Verdachte heeft het slachtoffer direct twee vuistslagen in het gezicht gegeven. Het slachtoffer raakte daardoor gewond. Verdachte heeft vervolgens het horloge verwijderd van de pols van het slachtoffer en heeft de woning verlaten. Het slachtoffer [slachtoffer1] is diezelfde nacht in comatische toestand naar het ziekenhuis overgebracht, waar geconstateerd is dat zij diverse breuken in het aangezicht had, hersenbloedingen en vochtophoping onder de hersenvliezen. Op 1 maart 2010 is het slachtoffer overleden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Er is gelet op de rapporten van het NFI een direct causaal verband tussen de vuistslagen die verdachte het slachtoffer heeft gegeven en de uiteindelijke dood van het slachtoffer. Voorts is er sprake van voorwaardelijk opzet bij verdachte om het slachtoffer te doden. Immers, verdachte wist dat hij een oude vrouw sloeg, nu hij in de woning een scootmobiel en een traplift heeft gezien alvorens hij in de slaapkamer van het slachtoffer kwam. Door met deze kracht een oude vrouw in het gezicht te slaan, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij hierdoor zou overlijden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde. Er is geen direct causaal verband tussen de vuistslagen die verdachte heeft gegeven en het uiteindelijk overlijden. De deskundigenrapporten hebben op dit punt onvoldoende duidelijkheid gegeven en zijn op punten tegenstrijdig.

Voorts bestond bij verdachte geen opzet om het slachtoffer te doden, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte had niet de wil haar te doden en hij had geen wetenschap omtrent de persoon -leeftijd of geslacht- van het slachtoffer. Evenmin was voor verdachte voorzienbaar dat het slachtoffer als gevolg van de vuistslagen, voor zover er al causaal verband zou bestaan, zou komen te overlijden.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Causaal verband

De vraag waar de rechtbank zich eerst voor gesteld ziet, is of er een direct causaal verband be-staat tussen de twee vuistslagen die verdachte aan [slachtoffer1] heeft gegeven en het uiteindelijke overlijden.

Verdachte heeft [slachtoffer1] de twee vuistslagen in haar gezicht gegeven terwijl zij in bed lag. Nadat de politie kort daarna ter plaatse kwam, is zij met verlaagd bewustzijn overgebracht naar het ziekenhuis. Daar zijn multipele botbreuken van het aangezicht aan de linkerzijde in de onder-kaak, het jukbeen, het zeefbeen en de oogkas geconstateerd, alsmede bloedingen onder hersenvliezen rond de hersenstam en op de membraan tussen grote en kleine hersenen en vochtophopingen onder de hersenvliezen.

Tot het moment van overplaatsing naar verpleeghuis Altenova is sprake geweest van verlaagd bewustzijn (coma). Ook in het verpleeghuis is [slachtoffer1] in coma gebleven. Vanaf januari 2010 zijn complicaties opgetreden in de vorm van luchtweginfecties, urineweginfecties, ontstoken slijmvliezen, dubbele longontsteking en darmobstructies. Tevens hadden zich in het lichaam, waarschijnlijk in de benen, bloedstolsels gevormd. Kort voor het overlijden zijn deze bloedstolsels versleept naar de longen, waardoor longembolie is ontstaan. Op 1 maart 2010 is [slachtoffer1] overleden.

In het dossier bevinden zich ten aanzien van de vraag omtrent de causaliteit een viertal rapporten van het NFI, zijnde 2 rapporten van dr. A. Maes, en rapporten van dr. Botter en dr. Kubat. Ter terechtzitting van 8 november 2011 is desgevraagd door dr. Maes verklaard dat zij van het Openbaar Ministerie opdracht heeft gekregen de causaliteit tussen het geweld en het overlijden te onderzoeken. Dr. Maes heeft als patholoog en coördinerend obducent als eerste het stoffelijk overschot van [slachtoffer1] onderzocht op 3 maart 2010. Haar voorlopige bevindingen heeft zij neergelegd in het pathologisch rapport van 25 juni 2010. Dr. Maes heeft toen geconcludeerd dat de geconstateerde luchtweginfectie gezien wordt als een verwikkeling van coma, omdat er vermin-derde hoestreflexen zijn waardoor bacteriën niet meer langs natuurlijke weg het lichaam kunnen verlaten. De geconstateerde bloedstolsels in de longen zijn een gevolg van immobilisatie als gevolg van het coma. Het overlijden is het gevolg geweest van de dubbelzijdige longontsteking. Dr. Maes heeft te zitting van 8 november 2011 verklaard dat zij vervolgens het stoffelijk overschot in handen heeft gegeven van dr. Kubat, neuro-patholoog, om vanuit haar specifieke deskundigheid op neurologisch gebied de hersenen nader te onderzoeken op letsels en ziekelijke afwijkingen. Tevens heeft dr. Maes aan dr. Botter verzocht om het klinisch beeld, dat wil zeg-gen de periode vanaf de ziekenhuisopname op 19 september 2009 tot het overlijden op 1 maart 2010 in beeld te brengen, teneinde meer te kunnen zeggen over de causale keten. Dr. Botter heeft daartoe het medisch dossier van het Radboudziekenhuis en van het verpleeghuis bekeken, alsmede een cd-rom met radiologische onderzoeken. Op grond van zijn bevindingen concludeert hij in zijn rapport van 22 juni 2010 dat er een directe causale relatie bestaat tussen de geweldsinwerking (rb: de vuistslagen) en het uiteindelijke overlijden een half jaar later. Hij geeft ter onderbouwing een samenvatting van de medische dossiers, en hij heeft de radiologische onder-zoeken laten herbeoordelen door dr. H.M. de Bakker, radioloog in Gouda en dr. J.A. Castelijns, neuroradioloog te Amsterdam. Uit deze bevindingen is op te maken dat bij ziekenhuisopname op 19 september 2009 sprake was van uitgebreide traumatische afwijkingen met vele bloedin-gen, zowel binnen als buiten de schedel. Dit moet het gevolg zijn geweest van krachtige uitwendige inwerking van botsend mechanisch geweld tegen onder andere de linkerzijde van het hoofd. Op 21 september 2009 sprake was van een toename van vochtophoping en diverse kneuzingen en bloedingen in en bij de hersenen, passend bij diffuse hersencelschade. Op 16 oktober 2009 zijn de bloedingen in de hersenen verdwenen. Vanaf januari 2010 zijn complicaties in de gezondheidstoestand ontstaan, die het gevolg zijn van immobilisatie na ontstaan van coma, welk coma is ontstaan door het hersenletsel.

Dr. Kubat heeft haar bevindingen neergelegd in het rapport van 2 juni 2010. Zij concludeert na onderzoek van de hersenen dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor traumatische beschadigingen van de hersenen en dat er geen letsels zijn aangetroffen die een coma zouden kunnen verklaren. Op basis van de rapporten van Kubat en Botter heeft Maes uiteindelijk haar definitieve rapport opgemaakt waarin zij concludeert dat [slachtoffer1] is overleden als gevolg van verwikkelingen van diep coma.

De verdediging heeft aangevoerd dat de conclusie van dr. Kubat strijdig is met die van dr. Botter en daarmee te veel onduidelijkheid bestaat over de causaliteit. De rechtbank is echter van oordeel dat de beide deskundigen ter zitting helder en duidelijk hebben verklaard dat er geen sprake is van strijdigheid van hun bevindingen. Immers, dr. Kubat heeft haar oordeel slechts kunnen baseren op het onderzoek dat zij op de hersenen heeft verricht na 3 maart 2010. Dat er toen geen letsels meer te zien waren die een coma zouden kunnen verklaren, kan volgens Kubat verklaard worden door het feit dat verwondingen in de hersenen zich kunnen herstellen. Letsels die eerder mogelijk wel aanwezig waren, zouden inmiddels geheeld kunnen zijn. Dit is door dr. Botter ter zitting alsmede in zijn rapport bevestigd, nu hij heeft verklaard dat de bij opname geconstateerde hersenbloedingen op 16 oktober 2010 niet meer aanwezig waren. Bovendien heeft dr. Kubat ter zitting verklaard dat een coma ook kan ontstaan door een diffuse beschadiging van de hersenen, zonder dat er structurele schade zichtbaar is. Zo kunnen als gevolg van geweldsinwerking de zenuwcellen in de hersenen onderling contact verliezen, hetgeen niet altijd klinisch kan worden geconstateerd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er een direct causaal verband bestaat tussen de vuistslagen die verdachte aan [slachtoffer1] heeft toegebracht, de coma die vervolgens is ontstaan door het als gevolg van het geweld veroorzaakte hersenletsel en de complicaties als gevolg van de coma, die uiteindelijk tot de dood van [slachtoffer1] heeft geleid.

Dat dr. Kubat geen antwoord heeft gegeven over voornoemde causaliteit doet hieraan niet af, nu het onderzoek en de vraagstelling van dr. Kubat hierop niet was gericht, maar dat deze vraagstelling is voorgelegd aan dr. Botter, die hierop wel een antwoord heeft gegeven. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de deskundigen niet wisten wat de exacte aard van het geweld was, nu dit blijkens hun verklaring ter zitting niet relevant is voor de beantwoording van de onder-zoeksvragen. Het gevolg van het geweld, de fracturen in het gezicht en de bloedingen in de hersenen waren immers wel bekend.

Opzet

Het voorgaande leidt tot de vervolgvraag of verdachte de opzet had om [slachtoffer1] van het leven te beroven. De rechtbank is allereerst van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er sprake was van vol opzet bij verdachte, dat wil zeggen dat verdachte willens en wetens [slachtoffer1] van het leven heeft beroofd. De rechtbank acht echter wel bewezen dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij in een reflex heeft geslagen en daarbij niet wist dat het slachtoffer een oude vrouw was. Hij had naar zijn zeggen geen enkele wetenschap rond de persoon van het slachtoffer op het moment van slaan. Pas na het slaan zag hij dat het een oude vrouw betrof. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Ten eerste acht de rechtbank niet geloofwaardig dat verdachte, zodra [slachtoffer1] het licht aandeed in de slaapkamer, niet heeft gezien dat er een oude vrouw in bed lag. Verdachte heeft zelf verklaard dat het slachtoffer voor de helft onder de deken lag en dat hij vlak voordat hij sloeg, even oogcontact heeft gehad met het slachtoffer en toen een geschrokken uitdrukking in de ogen zag. Nu hij deze waarneming heeft gedaan in het volle licht van de plafondverlichting, kan het volgens de rechtbank niet anders, dan dat verdachte ook geconstateerd moet hebben dat er een oud persoon – het slachtoffer was 89 jaar oud - in bed lag. De rechtbank heeft hierbij bovendien in aanmerking genomen dat verdachte heeft verklaard dat hij, alvorens hij naar de bovenverdieping is gegaan, eerst op de benedenverdieping lampen heeft aangedaan en dat hij in de berging een ‘karretje voor oude mensen’ (rb: een scootmobiel) heeft gezien. Vervolgens is hij volgens zijn eigen zeggen naar boven gegaan en moest daarvoor op de trap langs het obstakel van de traplift, waar hij overheen heeft moeten klauteren. Ook uit deze omstandigheden heeft verdachte moeten afleiden dat in deze woning een ouder, althans hulpbehoevend persoon woonde. Dat ver-dachte zich dat niet heeft gerealiseerd, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met de wetenschap dat hij een oude vrouw sloeg, ook de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij haar daarmee dodelijk zou verwonden. Verdachte heeft verklaard dat hij krachtig heeft geslagen. Dit wordt bevestigd door de verwondingen die door het slaan zijn ontstaan, te weten 7 aangezichtsfracturen en hersenbloedingen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het slachtoffer op dat moment op bed lag, zodat het hoofd door de klappen tegen het matras is gedrukt en niet naar achter heeft kunnen buigen om de klappen op te vangen. Daardoor zijn de klappen des te harder aangekomen. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat oude mensen brozere botten en in het algemeen een fragieler gestel hebben dan jongere mensen. Harde klappen in het gezicht kunnen daarmee eerder tot zwaar (hersen)letsel leiden dan bij jongere mensen. Ook is algemeen bekend dat oudere mensen een lagere weerstand hebben en daarmee vatbaarder zijn voor het ontstaan van complicaties als ge-volg van ontstaan letsel, waaraan zij kunnen overlijden. Dit is ter zitting bevestigd door de deskundigen dr. Maes en dr. Kubat. Daarbij heeft dr. Botter ter zitting verklaard dat er ook gevallen bekend zijn van jongere mensen die als gevolg van complicaties ten gevolge van coma overlijden. De forensisch patholoog dr. Maes heeft ter zitting verklaard dat het in haar vak "nogal eens voorkomt" dat mensen overlijden als gevolg van vuistslagen in het gezicht

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer1], die toen 89 jaar oud was, door de krachtige vuistslagen van verdachte vol in het gezicht, dermate zwaar letsel zou oplopen dat zij zou komen te overlijden. Verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest en heeft, door te handelen zoals hij deed, die kans op de koop toe genomen, zodat bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer1]. Dat verdachte de kans op de dood heeft aanvaard blijkt temeer uit het feit dat verdachte [slachtoffer1] bloedend en rochelend heeft achtergelaten en op geen enkel moment hulp voor haar heeft gezocht.

Voorwaardelijk verzoek verdediging

De verdediging heeft, indien de rechtbank tot bewijs van opzettelijk handelen zou komen, het voorwaardelijk verzoek gedaan om [getuige1] en [getuige2] met betrekking tot de aanwezigheid van voorwaardelijk opzet te horen omtrent de vraag of [getuige1] en [getuige2] vóór de nacht van 18 op 19 september 2009 van verdachte hadden vernomen dat in de woning aan de Parallelweg een oude vrouw woonde. De verdediging wil namelijk onderstrepen dat verdachte tevoren niet wist dat aldaar een oude vrouw woonachtig was. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek moet worden beoordeeld met toepassing van het noodzaakcriterium, nu de rechtbank dit verzoek bij de regiezitting van 10 mei 2011 reeds heeft afgewezen en het onderhavige verzoek derhalve als nieuw verzoek dient te worden beschouwd. De rechtbank is voorts van oordeel dat geen enkel in de strafzaak te onderzoeken vraag is gediend bij het horen van deze getuigen. Immers, niet de wetenschap van deze getuigen, maar de wetenschap van verdachte is voor de bewezenverklaring van de opzet van belang, en wel op het moment van slaan door verdachte. De vraag of verdachte, toen hij de woning van [slachtoffer1] binnendrong, al wist dat er een oude vrouw woonde, is niet van belang voor beoordeling van (voorwaardelijk) opzet nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte op basis van de gebeurtenissen na het binnendringen reeds voorwaardelijk opzet bewezen acht, De rechtbank wijst het verzoek derhalve af.

Voorwaardelijk verzoek verdediging

De verdediging heeft, als tot deze conclusie gekomen zou worden, het verzoek gedaan om een forensisch deskundige –de verdediging denkt aan bijvoorbeeld een statisticus- te benoemen die zich uitlaat in hoeverre in algemene zin de kans aanmerkelijk is te achten dat twee slagverwondingen in het gezicht van een liggend persoon kan leiden tot letsels met de dood dan wel coma als gevolg.

Nu ook dit verzoek ter zitting van 10 mei 2011 reeds is afgewezen, zal de rechtbank ook dit verzoek aan de hand van het noodzaakcriterium beoordelen.

Bij de beoordeling van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept dient gekeken te worden naar de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Wat in zijn algemeenheid zou gelden, voor zover daar al gegevens over beschikbaar zouden zijn, is derhalve niet relevant voor enig in de strafzaak te beantwoorden vraag. De recht-bank wijst het verzoek daarom af. Dit geldt evenzo ten aanzien van de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie, nu alle genoemde zaken andere feiten en omstandigheden betreffen, die- behoudens het slaan in het gelaat- geenszins vergelijkbaar zijn met onderhavige casus.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer1] van het leven heeft beroofd door haar twee vuistslagen in het gelaat te geven. Nu verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens het horloge van haar pols heeft verwijderd en de ring van haar vinger heeft gehaald, kan gevoeglijk tot het oordeel worden gekomen dat verdachte het geweld heeft toegepast met het oogmerk om door uitschakeling van het slachtoffer die diefstal makkelijker te maken en om ongestraft te blijven. Het primair ten laste gelegde is derhalve bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 05/700705-11

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

- het proces-verbaal van aangifte van G.A. [slachtoffer2], p. 2121;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 november 2011.

3b. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/900917-10 primair en het onder parketnummer 05/700705-11 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/900917-10 primair:

hij in de nacht van 18 september 2009 op 19 september 2009 in de gemeente Duiven, opzettelijk A.T.S.M. [slachtoffer1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer1] meerdere malen, met kracht op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer1] (op 1 maart 2010) is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten een dief-stal uit de woning van die [slachtoffer1] (gelegen aan de [adres]),

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

Ten aanzien van parketnummer 05/700705-11:

hij in de nacht van 6 april 2009 op 7 april 2009 in de gemeente Westervoort met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een flatscreen televisie (merk Panasonic, kleur zwart) en een afstandbediening toebehorende aan G.A. [slachtoffer2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming; (zaak 2 dossier 05/900917-10, blz. 2120)

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/900917-10:

Doodslag, gevolgd door een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren

Ten aanzien van parketnummer 05/700705-11 primair:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitslui-ten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 19 oktober 2011;

• een voorlichtingsrapportage van Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering, gedateerd 13 oktober 2010, betreffende verdachte;

• een consultbrief van J.A.W.M. Weijzen, psychiater, gedateerd 26 oktober 2011;

• een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 21 januari 2011, be-treffende verdachte;

• een rapport van drs. H.E.W. Koornstra, psycholoog, gedateerd 14 januari 2011;

• een rapport van M.D. van Ekeren, psychiater, gedateerd 14 januari 2011;

• een multidisciplinair rapport van B.H. Boer, psycholoog, en van D. Daniëls, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, gedateerd 7 juli 2011.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Door de officier van justitie is voor de afdoening van de onder parketnummer 05/900917-10 primair en onder parketnummer 05/700705-11 tenlastegelegde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geëist.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van met name het geweldsmisdrijf en de gevolgen daarvan. De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat het een bewuste keuze is geweest van verdachte om niet mee te werken aan het onderzoek door het Pieter Baan Centrum. Aangezien de rechtbank door deze keuze van verdachte geen inzicht heeft gekregen in zijn psyche, heeft hij te gelden als volledig ontoerekeningsvatbaar. Voorts heeft de officier van justitie bij het bepalen van zijn eis geen rekening gehouden met de mate van (on)volwassenheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om met toepassing van artikel 77c Wetboek van Strafrecht (hier-na: Sr) het jeugdstrafrecht toe te passen gelet op de persoonlijkheid van verdachte als jong volwassene alsmede de onvoorziene omstandigheden waaronder het delict is begaan. De verdediging verzoekt primair - met toepassing van het jeugdstrafrecht - te volstaan met oplegging van een jeugddetentie, waarvan in ieder geval het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Subsidiair verzoekt de verdediging te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de in voor-arrest doorgebrachte tijd. Meer subsidiair verzoekt de verdediging bij de strafoplegging te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal twee jaren, zodat verdachte binnen afzienbare termijn zich kan voorbereiden op herintreding in de maatschappij.

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek ingediend - voor het geval het ontbreken van conclusies en adviezen op gedragskundig vlak ten nadele van verdachte wordt uitgelegd - alsnog de gelegenheid te bieden een hernieuwde klinische observatie te ondergaan in Forensisch Centrum Teylingereind met de opdracht in het onderzoek te kijken naar de mate van volwassenheid van verdachte ten tijde van het delict.

De verdediging heeft voorts voorwaardelijk verzocht - indien de rechtbank het onder parket-nummer 05/900917-10 primair niet bewezen verklaart - een aanvullend reclasseringsrapport te doen opmaken.

Beoordeling van de standpunten en conclusie

Verdachte is ’s nachts de woning van een 89-jarige vrouw door het verbreken van de ruit van een schuifpui binnengegaan met de bedoeling daar in te breken. Toen hij beneden niets van zijn gading kon vinden, heeft verdachte zijn zoektocht voortgezet op de bovenverdieping. Dat daar het latere lachtoffer lag te slapen –hetgeen verdachte heeft gehoord – heeft verdachte er niet van weerhouden om in de slaapkamer van het slachtoffer onverstoorbaar door te gaan met zoeken, zelfs tot naast het bed van het slachtoffer. Toen het slachtoffer (al liggend in bed) wakker werd en de lamp aan deed, heeft verdachte haar vervolgens twee keer tegen haar hoofd geslagen. Door het door verdachte toegepaste geweld is het slachtoffer uiteindelijk overleden. Verdachte heeft het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten, met medeneming van haar ring en horloge, welke hij na het toegepaste geweld nog van haar arm en vinger heeft verwijderd. De rechtbank acht dit een zeer ernstig feit. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat dit feit is gepleegd in de nachtelijke uren en in de woning van het slachtoffer, een plek waar het slachtof-fer zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Bovendien ging het om een 89-jarige vrouw, die in haar bed lag te slapen, hetgeen haar tot een volkomen weerloos slachtoffer heeft gemaakt. Zij had geen schijn van kans zich te verweren. De rechtbank rekent het verdachte bovendien aan dat hij op geen enkele manier heeft getracht hulp te zoeken voor het slachtoffer, dat hij ernstig gewond heeft achtergelaten in de woning. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is onherstelbaar leed toegebracht. Feiten als de onderhavige brengen onrust teweeg in de maatschappij, veroorzaken een gevoel van onveiligheid en schokken daarnaast de rechtsorde in hevi-ge mate. Naast het hiervoor besproken feit heeft verdachte zich voorts schuldig gemaakt aan een woninginbraak.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een lange gevangenisstraf passend en geboden is. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank met het volgende rekening gehouden.

Als gevolg van de verdachtes weigering volledig mee te werken aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum door psychiater D. Daniëls en psycholoog B.H. Boer, kon niet worden vastge-steld of worden uitgesloten dat er sprake is van een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ont-wikkeling van de geestvermogens. Wel werden er kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis gezien; met name vielen een zekere onrijpheid en onvolwassenheid in zijn functioneren op. In hoeverre de narcistische en antisociale kenmerken passen bij adolescentieproblematiek of onderdeel uitmaken van een gebrekkige ontwikkeling kon niet worden vastgesteld.

De rechtbank neemt aan dat er bij verdachte sprake is van een zekere onrijpheid en onvolwas-senheid welke van invloed zijn geweest op de beslissingen die verdachte heeft genomen ten tijde van de gepleegde delicten. De rechtbank houdt daar bij het bepalen van de hoogte van de straf in het voordeel van verdachte rekening mee.

Ondanks deze onrijpheid en onvolwassenheid , zal de rechtbank evenwel niet het jeugdstrafrecht toepassen, nu de feiten – met name de gekwalificeerde doodslag- daarvoor te ernstig van aard zijn.

De straf van na te noemen duur, is lager dan door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank zoals gezegd - in tegenstelling tot de officier van justitie - bij de oplegging van de straf rekening houdt met de persoon van verdachte en zijn onrijpheid en onvolwassenheid.

Het herhaalde verzoek tot observatie in Teylingereind wordt wederom afgewezen. De rechtbank heeft de opname van verdachte in het Pieter Baan Centrum gelast, aanvankelijk met instemming van de verdediging. Nadien heeft de raadsman verzocht deze beslissing te wijzigen in plaatsing in Teylingereind, hetgeen de rechtbank reeds diverse malen heeft afgewezen. Immers, het Pieter Baan Centrum is zeer wel in staat te rapporteren over de persoon van verdachte en de vraag of er sprake is van een volgroeide persoonlijkheid en, zo nee, in hoeverre dat zou kunnen hebben doorgewerkt in de tenlastegelegde feiten. Dat verdachte van mening is veranderd en uiteindelijk, anders dan hij aanvankelijk toezegde, niet heeft meegewerkt aan een volwaardig onderzoek in het Pieter Baan Centrum, brengt niet een noodzaak mee tot het opnieuw schorsen van de behan-deling teneinde verdachte opnieuw te laten observeren voor een gedragskundige rapportage.

De rechtbank komt ook niet toe aan het voorwaardelijke verzoek voor een aanvullend reclasse-ringsrapport, nu de rechtbank het onder parketnummer 05/900917-10 primair tenlastegelegde feit wel bewezen verklaart. Dit houdt in dat gelet op de ernst van dat feit, geen ruimte bestaat voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, zodat het opmaken van een reclasseringsrapport geen toegevoegde waarde heeft. Begeleiding en steun, zoals door de verdediging is voorgesteld en waarvan de rechtbank de noodzaak ook onderkent, zal dienen plaats te vinden in de resocialisatiefase van de detentie.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 Sr zal de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering worden gebracht.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij J.M. [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 14.760,-.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig kan worden toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering tot een bedrag van € 10.355,01 kan worden toegewezen. Ten aanzien van een aantal posten (de posten “bezorgen kist” en “extra overbren-gen op de dag van de uitvaart” op de factuur van 27 maart 2010, de factuur d.d. 30 maart 2010 en de factuur van 9 april 2010 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorde-ring in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling daarvan leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Ten aanzien van de posten inzake horeca (aspecten) op de factuur van 27 maart 2010 en de factuur van 13 maart 2010 heeft de verdediging aangevoerd dat deze kosten hoogstens zijn te kwalificeren als bijkomende kosten die vallen buiten de werkingssfeer van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

De raadsman heeft voorts verzocht het toegewezen bedrag te matigen met het - naar verwachting - door het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan de nabestaanden toe te kennen bedrag, te weten: € 8.200,-.

De raadsman heeft verder verzocht het toe te kennen bedrag ex artikel 6:108, tweede lid, in sa-menhang met artikel 6:109, eerste lid, BW te matigen gelet op de schuldenproblematiek van verdachte.

Ten slotte heeft de raadsman verzocht om af te zien van oplegging van de schadevergoedings-maatregel, nu verdachte niet de draagkracht heeft om een aanzienlijke schadevergoeding te voldoen binnen twee jaren en drie maanden na de dag waarop deze uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op het bepaalde in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 6:108, tweede lid, BW komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade ten bedrage van € 14.760,- ter zake van begrafeniskosten, gedenksteen, dankbetuiging en koffietafel daadwerkelijk is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder parketnummer 05/900917-10 bewezenverklaarde. Ook is er, anders dan de verdediging betoogd heeft, geen sprake van dubbele facturering met betrekking tot onder meer de overbrenging van de kist. Op de betreffende facturen zijn data vermeld, waaruit op te maken valt dat het stoffelijk overschot tweemaal is overgebracht. Dit is een gevolg van het forensisch onderzoek dat op het lichaam is verricht. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Wettelijke rente is niet gevorderd.

Niet is gebleken dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven daadwerkelijk een bedrag aan de be-nadeelde partij heeft uitgekeerd. Op grond van artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven wordt door het Schadefonds Geweldsmisdrijven geen uitkering toegekend ter zake van schade die langs burgerrechtelijke weg is of kan worden verhaald of schade in welker vergoeding op andere wijze is of kan worden voorzien. Daar komt bij dat - voor zover het Schadefonds Geweldsmisdrijven wel reeds een bedrag zou hebben uitgekeerd - betaling van schadevergoeding door het Schadefonds Geweldsmisdrijven als voorlopige beschikbaarstelling van het be-drag beschouwd dient te worden, hetgeen niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering van de benadeelde partij of oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (zie HR 20 april 2004, NJ 2004/493, LJN AO3452). Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Op grond van het eerste lid van artikel 6:109 BW heeft de rechter de mogelijkheid om een wet-telijke verplichting tot schadevergoeding te matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden (waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht), tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

De schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr stelt enkel als voorwaarde dat sprake is van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Draagkracht speelt derhalve geen rol. Echter, het gebrek aan draagkracht kan onder omstandigheden in uitzonderlijke gevallen voor de rechter reden zijn af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele stelling dat de verdachte in de toekomst niet in staat zal zijn voldoende financiële draagkracht te bereiken, niet voldoende om af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman daartoe af.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 287, 288 en 311 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van parketnummer 05/900917-10:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij J.M. [benadeelde partij].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan J.M. [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], te betalen € 14.760,- (zegge veertienduizend zevenhonderdenzestig Euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 14.760,-, subsidiair 108 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer J.M. [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], te betalen € 14.760,- (zegge veertienduizend zevenhonderdenzestig Euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 108 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. M.M.L.A.T. Doll, als voorzitter, mr. F.J.H. Hovens, mr. A.J.H. Steenweg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier, en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van deze rechtbank op 22 november 2011.