Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU5180

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
211201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over nakoming van de vaststellingsovereenkomst die is gesloten in verband met de beëindiging van de samenwerking van partijen in een vof.

Beroep op dwaling faalt, evenals beroep op bedreiging en beroep op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.

Vordering tot nakoming toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 211201 / HA ZA 11-133

Vonnis van 9 november 2011

in de zaak van

[eiser ],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J. Oerlemans te Tilburg,

tegen

[gedaagden]

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. C.J. Diks te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] c.s. (en afzonderlijk [gedaagde in conventie] en [gedaagde in conventie] Holding) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 april 2011 waarin een comparitie is gelast

- het proces-verbaal van comparitie van 27 september 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] hebben begin 2008 de vennootschap onder firma [eiser in conventie] & [gedaagde in conventie] Makelaars (hierna: de vof) opgericht.

2.2. Op 15 september 2010 heeft [gedaagde in conventie] aangegeven de samenwerking te willen beëindigen.

2.3. Bij e-mailbericht van 20 oktober 2010 heeft [eiser in conventie] aan [gedaagde in conventie] geschreven:

‘(…)

Tevens verzoek ik je jouw negatief eigen vermogen voor 1 november aan te zuiveren, groot € 43.818,-, eerder kan van vertrek geen sprake zijn. Vanuit mijn kant zal ik uiteraard mijn deel van de schulden voldoen.

Mochten we volgende week niet tot een vergelijk komen dan stel ik voor de vof te liquideren.

(…)’

2.4. Per 1 november 2010 is [gedaagde in conventie] bij een ander kantoor gaan werken en heeft [eiser in conventie] de onderneming van de vof voortgezet.

2.5. Bij e-mail van 3 december 2010 heeft [eiser in conventie] op verzoek van [gedaagde in conventie] een overzicht van openstaande debiteuren, een saldilijst en grootboekmutaties 2009, afkomstig van de accountant van de vof, aan [gedaagde in conventie] doorgestuurd. Uit deze e-mail blijkt dat deze stukken reeds op 12 juli 2010 rechtstreeks door de accountant aan [gedaagde in conventie] waren verzonden.

2.6. Op 8 december 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden waarbij aanwezig waren: [eiser in conventie], [gedaagde in conventie], de accountant van de vof, [betrokkene] en de advocaat van [eiser in conventie]. [betrokkene] is financieel directeur bij een grote onderneming en zwager van [gedaagde in conventie]. Tijdens deze bespreking heeft [eiser in conventie] [gedaagde in conventie] geconfronteerd met onregelmatig handelen van de zijde van [gedaagde in conventie] erin bestaande dat hij zichzelf en zijn privé-vennootschappen, waaronder [gedaagde in conventie] Holding, heeft laten betalen voor opdrachten die aan de vof waren gegeven.

2.7. Ter beëindiging van de tussen partijen gerezen geschillen hebben [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] tijdens de bespreking een door de advocaat van [eiser in conventie] opgestelde vaststellingsovereenkomst ondertekend die, voor zover hier van belang, de navolgende bepalingen bevat:

VASTSTELLINGSOVEREENKOMST

(…)

In aanmerking nemende dat:

(...)

- Dat [gedaagde in conventie] in de vennootschap op 30 september 2010 een negatief eigen vermogen heeft van € 43.818,00.

- [gedaagde in conventie] gedurende de samenwerking opdrachten die aan de vennootschap zijn verstrekt, en binnen de vennootschap zijn uitgevoerd, gefactureerd heeft aan zijn privé-b.v.’s, zoals [gedaagde in conventie] Investment Strategies of [gedaagde in conventie] Holding en hiermee op onrechtmatige wijze gelden heeft onttrokken aan de vennootschap. Als bijlage 1 is een overzicht van de betreffende dossiers opgenomen. [gedaagde in conventie] heeft nadrukkelijk kennis genomen van deze lijst en erkent dat hij inkomsten uit deze dossiers heeft behaald binnen de b.v.’s voornoemd, welke eigenlijk de vennootschap toebehoren.

- [gedaagde in conventie] enkele (onteigenings)dossiers en de daarbij behorende klanten, die de vennootschap toebehoren aan de vennootschap heeft onttrokken, dat wil zeggen dat hij deze ter afwikkling heeft meegenomen. [gedaagde in conventie] erkent hiervoor schadeplichtig te zijn.

- Partijen in geschil zijn geraakt over de wijze waarop de samenwerking beëindigd moet worden, met name over het eigen vermogen van [gedaagde in conventie] in de vennootschap, de wijze van factureren van [gedaagde in conventie] en het meenemen van klanten door [gedaagde in conventie].

- Partijen in een gesprek op 8 december 2010 (…) na hun standpunten uitvoerig tegenover elkaar te hebben toegelicht, in het licht van het bovenstaande, ter beëindiging van dit geschil c.q. geschillen, termen aanwezig hebben geacht om de zaak te beeindigen.

- [gedaagde in conventie] zich in het gesprek voornoemd financieel deskundig heeft laten bijstaan.

Komen als volgt overeen:

1. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde in conventie] een bedrag van € 100.000,-- aan [eiser in conventie] betaalt, zijnde het gedeelte van het eigen vermogen dat voor zijn rekening komt. Het restant is schadeloosstelling.

(…)

9. Partijen hebben beoogd de kwesties voormeld uitputtend te regelen. Dit betekent dat partijen elkaar, behoudens voor zover betreft de nakoming van de hiervoor in deze overeenkomst omschreven rechten en verplichtingen en eventueel nog niet bekende feiten, finale kwijting verlenen voor al hetgeen zij van elkander te vorderen mochten hebben.

(…)

2.8. Vervolgens heeft [gedaagde in conventie] zichzelf als vennoot van de vof laten uitschrijven bij de kamer van koophandel. Hij heeft niet aan zijn financiële verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst voldaan.

2.9. Tot zekerheid van de hiervoor bedoelde vordering van [eiser in conventie] heeft [eiser in conventie] op 20 december 2010 ten laste van [gedaagde in conventie] Holding conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ABN AMRO Bank N.V. Op 22 december 2010 heeft [eiser in conventie] ten laste van [gedaagde in conventie] conservatoir beslag doen leggen op de onroerende zaak van [gedaagde in conventie], en conservatoir derdenbeslag onder ABN AMRO Bank N.V. en Reaal N.V.

2.10. Bij brief van 23 december 2010 heeft de advocaat van [gedaagde in conventie] zich namens [gedaagde in conventie] beroepen op nietigheid van de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling en/of bedrog en/of bedreiging.

2.11. Begin 2011 heeft [eiser in conventie] een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank dat ertoe strekte conservatoir beslag op een vordering tot periodieke betaling van loon te mogen leggen. Bij beschikking van 2 mei 2011 (hierna: de beschikking) heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering op dat moment voldoende deugdelijk moest worden geacht om tot zekerheid daarvan loonbeslag te mogen leggen, aangezien het op dwaling en bedreiging gestoelde verweer daartegen niet voldoende kansrijk werd geacht. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

‘2.6. De vaststellingsovereenkomst is gericht op het beëindigen van geschillen over met name “het eigen vermogen van [gedaagde in conventie] in de vennootschap, de wijze van factureren van [gedaagde in conventie] en het meenemen van klanten door [gedaagde in conventie]”. Aannemelijk is dan dat, zoals [eiser in conventie] stelt, de precieze hoogte van het in dit verband door [gedaagde in conventie] verschuldigde bedrag ter discussie stond en dat met de vaststellingsovereenkomst aan deze onzekerheid een einde is gemaakt, ook voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. Een beroep op dwaling omtrent de omvang van het verschuldigde is in deze situatie in beginsel niet mogelijk (HR 15 november 1985, NJ 1986, 228). Gelet op het voorgaande ligt niet voor de hand dat, zoals [gedaagde in conventie] opwerpt, sprake is van een misvatting ten opzichte van hetgeen partijen als ‘zeker’ aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd. Het beroep van [gedaagde in conventie] op HR 29 september 1995, NJ 1998, 81 maakt het voorgaande niet anders. De wederpartij van de persoon die zich op dwaling beriep was in die zaak een bank op wie een bijzondere zorgplicht rust. Dat maakt de casus onvergelijkbaar.

2.7. [eiser in conventie] heeft erkend dat hij tijdens de onderhandelingen op 8 december 2010 heeft gezegd dat hij voornemens was aangifte tegen [gedaagde in conventie] te doen in het geval partijen niet tot een vergelijk zouden komen. [gedaagde in conventie] werpt op dat [eiser in conventie] hem met deze dreiging tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft bewogen en dat deze rechtshandeling daarom op de voet van artikel 3:44 lid 1 BW vernietigbaar is.

Hoewel het doen van aangifte op zichzelf niet onrechtmatig is, kan het bedreigen ermee we¬gens het beoogde doel dan wel wegens de wijze waarop of de omstandigheden waaronder het plaatsvindt, onrechtmatig zijn en bedreiging in de zin van artikel 3:44 lid 2 BW opleve¬ren (HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342). [gedaagde in conventie] heeft in deze procedure echter onvoldoende aanknopingspunten geboden om aannemelijk te achten dat zijn beroep op bedreiging op gaat. Het is in beginsel niet ongeoorloofd om na gebleken onregelmatigheden in de finan¬ciën van de vennootschap, aan te kondigen daarvan aangifte te doen, tenzij de schade door de onregelmatigheden op afdoen wijze wordt vergoed. In zoverre verschilt dit geval van de casus die leidde tot het arrest van de Hoge Raad uit 1999. Dat de rechtshandeling zonder de dreiging niet, dan wel niet met deze inhoud, zou zijn verricht, is verder niet uit de verf geko¬men. [gedaagde in conventie] heeft niet duidelijk gemaakt in hoeverre de vaststellingsovereenkomst nadelig voor hem is, terwijl [eiser in conventie] heeft gesteld dat het feitelijk verschuldigde bedrag hoger ligt dan de overeengekomen € 100.000,00. Bovendien is [gedaagde in conventie] niet direct met het voorstel van [eiser in conventie] akkoord gegaan. Hij heeft in de onderhandelingen het verschuldigde nog weten te verminderen met € 20.000,00.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde in conventie] opgeworpen dat hij de bedreiging met aan¬gifte met name vanwege mogelijke repercussies voor zijn huidige, tijdelijke arbeidsovereen¬komst als bedreigend heeft ervaren. Niet in de rede ligt echter dat zijn werkgever van deze aangifte op de hoogte zou raken. Het is daarom maar de vraag of de bedreiging hem in dit opzicht rechtens relevant kan hebben beïnvloed.’

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser in conventie] heeft ter comparitie verklaard dat in de dagvaarding abusievelijk is nagelaten in de subsidiaire eis ook [gedaagde in conventie] Holding als gedaagde op te nemen en heeft gevraagd het petitum in die zin te mogen wijzigen. [gedaagde in conventie] c.s. heeft zich hiertegen verzet met als reden dat deze wijziging van het petitum in feite een vermeerdering van eis betekent. De rechtbank stemt in met de door [eiser in conventie] gevraagde eiswijziging nu de goede procesorde zich hiertegen niet verzet. Uit de conclusie van antwoord onder randnummer 7 en 8 blijkt immers dat [gedaagde in conventie] c.s. reeds uit het lichaam van de dagvaarding had begrepen dat [eiser in conventie] subsidiair niet alleen van [gedaagde in conventie] maar ook van [gedaagde in conventie] Holding schadevergoeding vordert. [gedaagde in conventie] c.s. heeft daartegen in de conclusie van antwoord verweer gevoerd en heeft dat verweer ter comparitie nog kunnen aanvullen.

3.2. [eiser in conventie] vordert, na de genoemde wijziging van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

[gedaagde in conventie] te veroordelen tot betaling aan [eiser in conventie] van € 100.000,--, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding, de buitengerechtelijke incassokosten conform het liquidatietarief en de beslagkosten, althans veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [gedaagde in conventie] in de proceskosten;

subsidiair:

[gedaagde in conventie] alsook [gedaagde in conventie] Holding hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser in conventie] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding, de buitengerechtelijke kosten, de beslagkosten en de proceskosten.

3.3. [eiser in conventie] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat partijen op 8 december 2010 een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan waarvan [eiser in conventie] nakoming vordert. Aan de subsidiaire vordering legt hij voor wat betreft [gedaagde in conventie] toerekenbare tekortkoming ten grondslag en voor wat betreft [gedaagde in conventie] Holding onrechtmatige daad.

3.4. [gedaagde in conventie] c.s. voert verweer. Hij stelt zich kort samengevat op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst is vernietigd op grond van dwaling of bedreiging, althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde in conventie] gebonden zou zijn aan de vaststellingsovereenkomst. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagde in conventie] c.s. vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. te verklaren voor recht dat [eiser in conventie] onrechtmatig jegens eiseres in (re)conventie (rechtbank: [gedaagde in conventie] Holding) heeft gehandeld door op 20 december 2010 te harer laste conservatoir beslag te leggen onder de ABN AMRO Bank N.V., met veroordeling van [eiser in conventie] tot betaling van alle schade die eiseres in reconventie door dit onrechtmatig handelen heeft geleden, nader op te maken bij staat;

2. te verklaren voor recht dat vaststellingovereenkomst van 8 december 2010 tussen [gedaagde in conventie] en [eiser in conventie] is vernietigd op grond van dwaling althans bedreiging althans wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid;

3. te verklaren voor recht dat [gedaagde in conventie] door uittreding uit de VOF gerechtigd is geworden tot de helft van de waarde van de activia van de ontbonden VOF per 30 september 2010, te weten het moment van uittreding;

4. primair: een deskundige te benoemen tot vaststelling van de waarde van de VOF per 30 september 2010 en het aandeel van ieder der vennoten daarin,

subsidiair: [eiser in conventie] te veroordelen tot het verstrekken van afschriften over de periode vanaf 20 maart 2008 tot en met 30 september 2010, van de volledige inkoop- en verkoopadministratie, de jaarrekeningen over 2008 en 2009 alsook alle bankrekeningafschriften van de VOF;

5. in het geval het aandeel van [gedaagde in conventie] in de ontbonden vennootschap per saldo positief zou blijken te zijn uit het onderzoek van een onder 4. te benoemen deskundige, [eiser in conventie] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde in conventie] van het bedrag van dit aandeel;

6. [eiser in conventie] te veroordelen in de proceskosten van de procedure in reconventie.

3.6. [eiser in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De vordering tot nakoming is gebaseerd op een door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst. De vordering heeft dan ook een deugdelijke grondslag. Ten aanzien van het op dwaling gestoelde verweer van [gedaagde in conventie] geldt het volgende.

4.2. [gedaagde in conventie] heeft gesteld dat hij heeft gedwaald ten aanzien van het volgende, althans dat de vaststellingsovereenkomst op de volgende punten onjuist is:

- de vraag aan welke partij een vordering op hem toekwam (aan [eiser in conventie] of de vof);

- de hoogte van het eigen vermogen;

- de zaken waarmee rekening dient te worden gehouden bij ontbinding van een vof;

- een aantal op de lijst van onttrekkingen vermelde bedragen.

Voorts heeft hij gesteld dat [eiser in conventie] een onjuist en te negatief beeld heeft geschetst van de onttrekkingen en dat hij voorafgaand aan noch tijdens de bespreking inzage heeft gehad in de (volledige en eventueel gecorrigeerde) boekhouding van de vof.

4.3. Bij de onder 2.11 genoemde beschikking heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat het op dwaling gestoelde verweer tegen de vordering van [eiser in conventie] onvoldoende kansrijk moest worden geacht. De nadere opmerkingen en stellingen van [gedaagde in conventie] in deze procedure hebben geen verandering kunnen brengen in het (voorlopige) oordeel van de rechtbank zodat ook in deze procedure het op dwaling gestoelde verweer van [gedaagde in conventie] niet slaagt. De motivering die de rechtbank in haar beschikking onder r.o. 2.6 heeft gegeven heeft zijn gelding niet verloren en wordt ook in deze procedure ten grondslag gelegd aan het verwerpen van genoemd verweer. Aanvullend overweegt de rechtbank nog het volgende.

4.4. Zoals in de beschikking reeds is overwogen, geldt als uitgangspunt dat, gelet op het karakter van een vaststellingsovereenkomst, [gedaagde in conventie] zich in beginsel niet kan beroepen op dwaling. De kans dat partijen of één van hen achteraf inzien (inziet) dat de voorstelling van zaken onjuist is, hebben zij bij het aangaan van de overeenkomst nu eenmaal aanvaard en verdisconteerd. [gedaagde in conventie] stelt zich in deze procedure echter op het standpunt dat een beroep op dwaling in dit geval desalniettemin kan slagen aangezien een aantal essentiële mededelingen c.q. inlichtingen van [eiser in conventie] wezenlijk onjuist bleken te zijn en [gedaagde in conventie] door toedoen van [eiser in conventie] niet aan zijn onderzoeksplicht heeft kunnen voldoen. Hij beroept zich daarbij op het in de beschikking reeds genoemde arrest HR 29 september 1995, NJ 1998, 81. Hierover is reeds overwogen dat dit arrest onvergelijkbaar is met de onderhavige zaak aangezien de wederpartij van de persoon die zich op dwaling beriep in die zaak een bank was op wie een bijzondere zorgplicht rust. Hoewel in het algemeen bij onderhandelingen over de gevolgen van mogelijk door de ene partij gepleegde wanprestatie, deze partij haar wederpartij niet behoeft te informeren over de rechtspositie van die wederpartij jegens haar, geldt voor een bank dat zij zich dient te onthouden van het doen van onjuiste mededelingen. Deze uitzonderingspositie vloeit voort uit de bijzondere vertrouwensrelatie die een bank heeft met haar klanten en de omstandigheid dat een bank doorgaans over meer deskundigheid beschikt dan haar klanten.

4.5. In het onderhavige geval gaat het echter niet om een bank tegenover een klant maar betreft het twee makelaars die een samenwerkingsverband met elkaar hadden. Er bestond dan ook geen verplichting voor [eiser in conventie] om [gedaagde in conventie] te informeren over zaken die [gedaagde in conventie] zelf wist dan wel behoorde te weten. Zo bestond er geen verplichting aan de zijde van [eiser in conventie] om [gedaagde in conventie] te informeren omtrent alle zaken waarmee rekening dient te worden gehouden bij de ontbinding van een vof en omtrent de vraag aan wie [gedaagde in conventie] in feite moest betalen. Daar komt bij dat [gedaagde in conventie] niet althans onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [eiser in conventie] zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij per saldo nog een aanzienlijk bedrag van [gedaagde in conventie] te vorderen had. Zo heeft [gedaagde in conventie] betwist dat hij per 30 september 2010 een negatief eigen vermogen in de vof had van € 43.818,-- maar heeft hij nagelaten onderbouwd te stellen welk bedrag dan wel correct zou zijn.

4.6. De stelling dat [eiser in conventie] hem zou hebben belet zelf onderzoek te doen naar de financiële stand van zaken van de vof kan niet worden gevolgd. [gedaagde in conventie] stelt immers dat hij beschikte over de jaarstukken van 2008 en 2009 en dat hij en zijn zwager in het najaar van 2010 een groot deel van de fysieke boekhouding hebben ingezien. Vlak vóór de bespreking heeft [eiser in conventie] op verzoek van [gedaagde in conventie] nogmaals bepaalde stukken toegezonden. Voor zover [gedaagde in conventie] en/of zijn zwager toch nog aanvullende gegevens nodig hadden om tot een (globale) berekening van de verplichtingen over en weer te kunnen komen, had het voor de hand gelegen deze vóór de bespreking van 8 december 2010 op te vragen. Duidelijk was immers dat de financiële afwikkeling van de vof onderwerp van gesprek zou zijn en dat [eiser in conventie] zich bij e-mail van 20 oktober 2010 reeds op het standpunt had gesteld dat het negatief eigen vermogen van [gedaagde in conventie] € 43.818,- bedroeg. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde in conventie] aanvullende financiële informatie heeft gevraagd en dat dit geweigerd zou zijn. Voor zover [gedaagde in conventie] derhalve onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de boekhouding van de vof, kan dit niet aan [eiser in conventie] worden verweten.

4.7. [gedaagde in conventie] heeft voorts gesteld dat hij is uitgegaan van door [eiser in conventie] verstrekte onjuiste gegevens voor wat betreft de omvang van de onttrekkingen. [eiser in conventie] heeft dit gemotiveerd betwist. Partijen verschillen kennelijk van mening over de vraag of [gedaagde in conventie] vanaf de datum van oprichting van de vof alle werkzaamheden op naam van de vof diende te factureren dan wel of bepaalde zaken, waaronder reeds afgehandelde onteigeningszaken, waren uitgezonderd. Dit betekent echter niet dat [eiser in conventie] onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat [gedaagde in conventie] ten aanzien van de onttrekkingen heeft gedwaald. [gedaagde in conventie] heeft ter comparitie immers gesteld dat hij (bij het doornemen van de lijst van onttrekkingen) al direct zag dat allerlei zaken niet klopten maar dat hij desalniettemin heeft getekend omdat hij geen bedenktijd kreeg. Gelet op de duidelijke omschrijving van de onttrekkingen op die lijst en de aard van de bezwaren van [gedaagde in conventie] tegen de opgenomen onttrekkingen, mag ook worden aangenomen dat deze bezwaren niet eerst na nader onderzoek zijn gerezen maar al direct tijdens bespreking bestonden. Die bezwaren hebben er ook toe geleid dat sommige posten van de lijst met onttrekkingen zijn verwijderd en de te betalen vergoeding van € 120.000,- is teruggebracht naar € 100.000,-. Geconcludeerd dient dan ook te worden dat [eiser in conventie], uitgaande van zijn visie op de inbreng van zaken in de vof en op de wijze van factureren van [gedaagde in conventie], geen onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat [gedaagde in conventie] ook geen onjuiste voorstelling van zaken had ten aanzien van de omvang van de onttrekkingen.

4.8. De slotsom van het voorgaande is dat de rechtbank het beroep op dwaling van [gedaagde in conventie] verwerpt.

4.9. Aan het beroep op bedreiging heeft [gedaagde in conventie] ten grondslag gelegd dat hij tijdens de gehele bespreking de psychologische druk ondervond die een eventuele strafrechtelijke vervolging met zich meebrengt. Voorts heeft hij gesteld dat hij weliswaar vergezeld was door zijn zwager Van Aalst maar dat hij zich niet heeft kunnen bedienen van juridisch advies. Hoewel in dit geval sprake was van een rechtmatige dreiging, dient deze door het beoogde doel en door de omstandigheden waaronder die plaatsvond als onrechtmatig te worden aangemerkt. Het idee van [eiser in conventie] om [gedaagde in conventie] tijdens de bespreking te overrompelen met de beschuldigingen, [gedaagde in conventie] geen mogelijkheid te geven de beschuldigingen te controleren, hem onder druk te zetten en om hem uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst te laten ondertekenen waarvan hij de inhoud en de gevolgen op dat moment niet goed zou kunnen overzien, zijn omstandigheden die voor rekening van [eiser in conventie] komen.

[eiser in conventie] heeft ten aanzien van de gestelde bedreiging aangevoerd dat het een gesprek was op gelijkwaardig niveau, dat [gedaagde in conventie] zelfs nog met succes heeft onderhandeld over de inhoud van de overeenkomst, dat [gedaagde in conventie] ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om met zijn zwager te overleggen, dat [gedaagde in conventie] niet heeft gevraagd om met een advocaat te mogen telefoneren en dat ook [gedaagde in conventie] en zijn zwager de zaak diezelfde avond nog wilden oplossen. Voor zover al sprake is geweest van enige bedreiging, dan was die niet zodanig dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed, aldus [eiser in conventie].

4.10. Ook ten aanzien van het op bedreiging gestoelde verweer wordt naar de motivering in de beschikking verwezen. De rechtbank neemt de overwegingen van r.o. 2.7 van de beschikking over. De door [gedaagde in conventie] ingenomen stellingen zijn in de beschikking reeds besproken en kunnen niet leiden tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op de voet van artikel 3:44 lid 1 BW.

4.11. Uiterst subsidiair heeft [gedaagde in conventie] nog aangevoerd dat in het licht van de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij gebonden zou zijn aan de vaststellingsovereenkomst. Hiermee heeft [gedaagde in conventie] kennelijk een beroep willen doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zoals geregeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Voorop wordt gesteld dat de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij de toepassing van dit artikel en een contractueel beding alleen terzijde kan worden geschoven indien het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om een partij aan dit beding te houden. Hoewel [gedaagde in conventie] heeft nagelaten toe te lichten welke omstandigheden nu precies maken dat aan genoemd (zwaar) criterium wordt voldaan, en in zoverre zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd, lijkt het erop dat [gedaagde in conventie] de gestelde dwaling, de psychische druk en de dreiging met aangifte ten grondslag legt aan zijn beroep op artikel 6:248 lid 2 BW. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat van dwaling en bedreiging geen sprake is geweest, kan het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW waaraan dezelfde stellingen ten grondslag zijn gelegd evenmin slagen. Daarnaast ligt toepassing van dit artikel in het onderhavige geval ook al niet in de rede gelet op de aard van de overeenkomst, de inhoud van de overeenkomst (met uitgebreide considerans) en de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen.

4.12. [gedaagde in conventie] heeft voorafgaand aan de comparitie nog verklaringen overgelegd van de huisarts en de psychiater van [gedaagde in conventie]. Hieruit kan worden afgeleid dat [gedaagde in conventie] omstreeks december 2010 last had van depressieve klachten en dat hij hiervoor vanaf 21 juni 2011 onder behandeling is geweest bij een psychiater. Op basis van de overgelegde medische verklaringen kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde in conventie] ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet in staat was om zijn wil te bepalen. Evenmin kan uit de verklaringen worden afgeleid dat, indien [gedaagde in conventie] hiertoe niet in staat was, dit voor [eiser in conventie] kenbaar moet zijn geweest. In verband hiermee, alsmede de omstandigheid dat [gedaagde in conventie] niet alleen was maar vergezeld was door zijn financieel onderlegde zwager, kunnen deze verklaringen niet afdoen aan het voorgaande oordeel van de rechtbank. Het beroep van [gedaagde in conventie] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt dan ook verworpen.

4.13. Het voorgaande brengt mee dat de verweren van [gedaagde in conventie] worden verworpen en de vordering van [eiser in conventie] om [gedaagde in conventie] te veroordelen tot betaling van € 100.000,- wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 13 januari 2011 is als niet bestreden eveneens toewijsbaar. Aangezien de primaire vordering wordt toegewezen, wordt niet toegekomen aan de subsidiaire vordering. Dit betekent dat uitsluitend jegens [gedaagde in conventie] een veroordeling volgt.

4.14. [eiser in conventie] heeft buitengerechtelijke kosten van € 1.200,-- gevorderd. [eiser in conventie] heeft wel gesteld maar niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten van een enkele aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten wordt derhalve afgewezen, evenals die tot vergoeding van de wettelijke rente daarover.

4.15. [eiser in conventie] vordert [gedaagde in conventie] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar voor zover het betreft beslagkosten die gemaakt zijn in verband met de ten laste van [gedaagde in conventie] gelegde beslagen. De beslagkosten worden begroot op € 1.272,54 voor verschotten (€ 1.047,54 aan kosten voor betekening en € 225,00 aan vast recht) en EUR 1.421,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 1.421,00), waarbij de hoogte van het gehanteerde liquidatietarief, evenals bij de proceskosten, is berekend op basis van het toegewezen bedrag.

4.16. [gedaagde in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser in conventie] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,81

- griffierecht 1.159,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.091,81

in reconventie

4.17. Nu in conventie is beslist dat de vordering van [eiser in conventie] jegens [gedaagde in conventie] Holding niet kan worden toegewezen, volgt daaruit dat het door [eiser in conventie] gelegde beslag onrechtmatig is. Op de beslaglegger rust immers een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor het beslag is gelegd geheel ongegrond is (HR 11 april 2003, NJ 2003, 440). De vordering te verklaren voor recht dat [eiser in conventie] onrechtmatig jegens [gedaagde in conventie] Holding heeft gehandeld door op 20 december 2010 te harer laste conservatoir beslag te leggen onder ABN AMRO Bank N.V. zal dan ook worden toegewezen. De vordering tot veroordeling van [eiser in conventie] tot betaling van de schade door dit onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat, zal eveneens worden toegewezen. Een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is reeds toewijsbaar indien de mogelijkheid van schade aannemelijk is (vgl. Hoge Raad 17 oktober 1998, NJ 1998, 241, 27 november 1998, NJ 1999, 695 en 30 juni 2006, RvdW 2006, 681). Nu in het onderhavige geval niet is gesteld of gebleken dat het beslag geen doel heeft getroffen en [eiser in conventie] ook anderszins geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd ten aanzien van deze vordering jegens [gedaagde in conventie] Holding, is voldoende aannemelijk dat [gedaagde in conventie] Holding enige schade heeft geleden als gevolg van het beslag op haar bankrekening.

4.18. De overige vorderingen van [gedaagde in conventie] c.s. in reconventie gaan ervan uit dat de vaststellingsovereenkomst is vernietigd op grond van dwaling althans bedreiging, dan wel dat nakoming van de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 6:248 lid 2 BW niet kan worden gevorderd. Nu in conventie is beslist dat deze veronderstelling onjuist is en de vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst wordt toegewezen, dienen de vorderingen onder 2 tot en met 5 van het petitum te worden afgewezen.

4.19. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan [eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 100.000,00 (éénhonderdduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 13 januari 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde in conventie] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.693,54,

5.3. veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie] tot op heden begroot op € 4.091,81,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6. verklaart voor recht dat [eiser in conventie] onrechtmatig jegens [gedaagde in conventie] Holding heeft gehandeld door op 20 december 2010 te harer laste conservatoir beslag te leggen onder ABN AMRO Bank N.V. en veroordeelt [eiser in conventie] tot betaling van alle schade die [gedaagde in conventie] Holding door dit onrechtmatig handelen heeft geleden, nader op te maken bij staat,

5.7. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.