Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU5151

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
195922
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling van een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 BW, die bestaat uit de door partijen gezamenlijk aangekochte woning. Voorts beantwoording van de vraag wie er bij de uit te spreken wijze van verdeling is overbedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 195922 / HA ZA 10-224

Vonnis van 2 november 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. F.A. Geevers te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.W. Boogaard te Leerdam.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 april 2010,

- het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2010,

- de akte wijziging eis van [eiser in conventie],

- de antwoordakte van [gedaagde in conventie],

- de tweede akte wijziging eis houdende vermeerdering eis van [eiser in conventie],

- de akte niet in staat van mr. Boogaard.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] zijn broers. Zij hebben gezamenlijk in oktober 2006 een woning gekocht, staande en gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A, nummer 493, groot 10 are en 65 centiare (hierna: de woning). In de koopovereenkomst en de akte van levering is bepaald dat [eiser in conventie] voor 40% gerechtigd is tot de eigendom van de woning en [gedaagde in conventie] voor 60%. [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] hebben de woning gekocht voor een bedrag van € 189.750,00.

2.2. De akte van levering dateert van 11 mei 2007.

2.3. BLG Hypotheekbank N.V. (hierna: BLG) heeft ten behoeve van de financiering van de woning een geldlening verstrekt van € 198.000,00. Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit deze geldleningsovereenkomst is ten behoeve van BLG door [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] gezamenlijk een recht van hypotheek op de woning gevestigd. De hypotheekakte dateert van 11 mei 2007.

2.4. [gedaagde in conventie] heeft de woning na de aankoop samen met de moeder van partijen bewoond.

2.5. [eiser in conventie] heeft bij [gedaagde in conventie] tevergeefs aangedrongen op verdeling van de gemeenschap, waarbij de woning aan [gedaagde in conventie] zou worden toegescheiden.

2.6. Bij brief van 10 juni 2011 heeft BLG wegens achterstand in de betaling van de (voorheen door [gedaagde in conventie] gedragen) hypotheeklasten de executoriale verkoop van de woning aangezegd.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser in conventie] heeft in zijn inleidende dagvaarding - kort samengevat - de verdeling van de gemeenschap inzake de woning gevorderd aldus dat de woning aan [gedaagde in conventie] zou worden toegedeeld onder uitkering door [gedaagde in conventie] van de helft van de waarde van de woning aan [eiser in conventie]. In zijn eerste akte wijziging eis heeft [eiser in conventie] deze vordering gewijzigd en gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. bepaalt dat het gemeenschappelijk goed van partijen, zijnde de woning aan de [adres] te [woonplaats], en de daarbij behorende hypothecaire schuld geheel aan [eiser in conventie] worden toegedeeld;

2. [gedaagde in conventie] veroordeelt tot medewerking aan de sub 1 gevorderde verdeling in dier voege dat hij daartoe op een door [eiser in conventie] te noemen tijdstip bij een door [eiser in conventie] aan te wijzen notaris verschijnt en al hetgeen doet wat nodig is om tot de vastgestelde verdeling c.q. overdracht van het registergoed te komen, bij gebreke waarvan de uitspraak van de rechter in de plaats treedt van een tot levering van het registergoed bestemde akte of een deel daarvan, e.e.a. op straffe van een dwangsom ter grootte van € 200,00 per dag voor iedere dag dat overdracht van de woning geblokkeerd wordt doordat betrokken derden (zoals de geldverstrekker of het Bureau Krediet Registratie) hun noodzakelijke medewerking aan overdracht onthouden,

3. bepaalt dat de notariële kosten van de overdracht door partijen bij helfte gedeeld zullen worden,

4. bepaalt dat [gedaagde in conventie] vanaf het moment van de verdeling als gevorderd sub 1 aan [eiser in conventie] verschuldigd is de somma van € 9.300,= , te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf de dag van de verdeling.

Bij zijn tweede akte wijziging (vermeerdering) van eis heeft [eiser in conventie] zijn vordering aangevuld met de vordering dat de rechtbank bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

5. [gedaagde in conventie] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser in conventie] te voldoen de somma van € 9.121,=, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 augustus 2011 tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2. [gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd tegen de bij dagvaarding ingestelde eis en de eis zoals die na de eerste eiswijziging is komen te luiden (onderdelen 1 tot en met 4).

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde in conventie] heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank [eiser in conventie] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan [gedaagde in conventie] van:

- een bedrag van € 7.216,54 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 april 2010,

- een bedrag van € 17.667,00 te vermeerderen met 7,3% rente daarover vanaf 1 januari 2007, althans met de wettelijke rente daarover vanaf 14 april 2010.

3.5. [eiser in conventie] voert verweer.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Tussen partijen bestaat een gemeenschap, als bedoeld in artikel 3:166 BW. Deze gemeenschap bestaat uit de door partijen gezamenlijk aangekochte woning. Het aandeel in de gemeenschap van [eiser in conventie] bedraagt 40% en het aandeel van [gedaagde in conventie] bedraagt 60%. Op grond van de artt. 3:178 en 179 BW heeft [eiser in conventie] verdeling van de gemeenschap en de hypothecaire schuld - volgens hem de enige voor rekening van de gemeenschap komende schuld - gevorderd. [eiser in conventie] wenst de woning met de daaraan gekoppelde hypotheekschuld aan hem toegedeeld te krijgen onder de verplichting voor [gedaagde in conventie] aan hem ([eiser in conventie]) een uitkering te voldoen wegens overbedeling. [gedaagde in conventie] heeft tegen deze wijze van verdeling op zichzelf geen verweer gevoerd, althans niet is gebleken van bezwaren tegen toedeling van de woning en de hypotheekschuld aan [eiser in conventie], zodat deze wijze van verdeling zal worden gelast, onder de voorwaarde dat [eiser in conventie] de hypothecaire lening als eigen schuld op zich zal nemen en ervoor zal zorg dragen dat [gedaagde in conventie] door BLG zal worden ontslagen uit de aansprakelijkheid voor die lening. De medewerking/toestemming van BLG is daarvoor vereist (art. 3:177 BW en de artt. 3:179 lid 3 jo. 6:155 BW). De door [gedaagde in conventie] (kennelijk) gestelde voorwaarde voor toescheiding van de woning aan [eiser in conventie] - dat [gedaagde in conventie] de woning blijft bewonen en dat de na de toedeling de door [eiser in conventie] te betalen woonlasten worden verrekend met hetgeen [gedaagde in conventie] voor [eiser in conventie] heeft voorgeschoten - zal niet aan deze wijze van verdeling worden verbonden, reeds omdat [gedaagde in conventie], zoals [eiser in conventie] onweersproken heeft gesteld, de woning inmiddels heeft ontruimd en verlaten.

4.2. [eiser in conventie] heeft voorts de veroordeling van [gedaagde in conventie] tot medewerking aan de hierboven vastgestelde wijze van verdeling gevorderd (zie onder 2). [eiser in conventie] heeft tevens gevorderd bij gebreke van deze medewerking te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de tot levering van de woning bestemde akte of een deel daarvan, op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW. Ook deze vordering is toewijsbaar. De daarnaast door [eiser in conventie] gevorderde dwangsom is niet toewijsbaar, (reeds) omdat [gedaagde in conventie] de medewerking van de bank (en zijn moeder en zuster; zie hierna onder 4.8) en het Bureau Krediet Registratie niet in zijn macht heeft.

4.3. Het volgende geschilpunt tussen partijen betreft de vraag wie er bij de uit te spreken wijze van verdeling van de woning en de toedeling van de hypotheekschuld aan [eiser in conventie] is overbedeeld. In dat verband zijn de partijen verdeeld over de waarde van de woning, de omvang van de hypothecaire lening en de vraag of de door [gedaagde in conventie] gestelde leningen van de zus en de moeder van de partijen ook bij deze verdeling moeten worden betrokken.

4.4. [eiser in conventie] heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel de woning en de hypothecaire schuld in de verdeling moeten worden betrokken. De woning vertegenwoordigt volgens [eiser in conventie] een waarde van € 182.500,00 en de hypothecaire schuld bedraagt volgens [eiser in conventie] € 198.000,00. Per saldo bestaat er volgens [eiser in conventie] over het geheel genomen dus een negatieve waarde van € 15.500,00. [eiser in conventie] is gerechtigd tot 40% (€ 6.200,00) daarvan en [gedaagde in conventie] tot 60% (€ 9.300,00). Met de toedeling van de woning en de hypothecaire schuld aan [eiser in conventie], zal [gedaagde in conventie] wegens overbedeling aan [eiser in conventie] een bedrag van € 9.300,00 moeten betalen.

4.5. [gedaagde in conventie] heeft zich (bij conclusie van antwoord, toen nog de toescheiding aan hem werd gevorderd) op het standpunt gesteld dat naast de woning en de hypothecaire schuld de eveneens op de woning betrekking hebbende schulden aan de zus (€ 13.391,34) en de moeder (€ 900,00) in de verdeling moeten worden meegenomen. De woning heeft volgens [gedaagde in conventie] een waarde van € 186.000,00 en de hypothecaire schuld bedraagt volgens hem € 189.750,00. Per saldo is er dan volgens [gedaagde in conventie] een negatieve waarde van de woning van € 18.041,34. Het aandeel van [eiser in conventie] daarin bedraagt € 7.216,54 en zijn eigen aandeel € 10.824,80. [gedaagde in conventie] heeft na de eerste eiswijziging van [eiser in conventie] volhard in deze berekening. Bij toedeling van de woning aan [eiser in conventie] zou [gedaagde in conventie] dan volgens zijn eigen berekening wegens overbedeling een bedrag van € 10.824,80 aan [eiser in conventie] verschuldigd zijn.

4.6. De rechtbank constateert dat de partijen slechts in geringe mate verdeeld zijn voor wat betreft de waarde van de woning. De kosten die gemoeid zijn met benoeming van een gerechtelijke deskundige ter voorlichting van de rechtbank over die waarde gaan naar verwachting het uiteindelijke financiële belang van elk der partijen ter verkrijging van hun gelijk op dit standpunt te boven. Er is een recente inschatting van de marktwaarde van de woning (tussen € 180.000,00 en € 185.000,00) gemaakt door de makelaar die heeft getracht de woning te verkopen, zo heeft [eiser in conventie] in zijn (eerste) akte wijziging van eis gesteld. [gedaagde in conventie] heeft deze inschatting niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van dit alles ziet de rechtbank aanleiding bij de hierna te maken berekenen uit te gaan van € 182.500,00 als marktwaarde van de woning.

4.7. De hypothecaire schuld bedraagt blijkens de hypotheekakte en de notarisafrekening € 198.000,00.

4.8. Voor wat betreft de schulden aan de moeder en de zus geldt het volgende. In art. 3:179 lid 1 BW is bepaald, voor zover hier van bepaling, dat ingeval verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, ieder der deelgenoten kan verlangen dat alle voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen. [gedaagde in conventie] heeft gesteld dat ten behoeve van de woning € 20.000,00 is geleend van de zus van partijen. Van dit bedrag is volgens hem een gedeelte aangewend ter (nadere) financiering van de aankoop van de woning en een gedeelte voor de installatie van een vaste trap naar de zolder en een nieuwe keuken in de woning. Daarnaast heeft [gedaagde in conventie] gesteld dat de moeder van partijen € 900,00 heeft geïnvesteerd in de woning ten behoeve van het aanbrengen van een dakkapel en een vergunning daarvoor. Ter comparitie heeft [gedaagde in conventie] gesteld dat hij € 7.000,00 op de schuld aan de zus van partijen heeft afgelost. [eiser in conventie] heeft al deze stellingen onvoldoende gemotiveerd betwist. Er zijn stukken in het geding gebracht ter staving van de stellingen van [gedaagde in conventie], zoals de notarisafrekening en de stand van de lening van de zus. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bij de verdeling ervan uitgaan dat sprake is van schulden aan de zus en de moeder van partijen die verband houden met investeringen in de (aankoop van de) woning en die bij de verdeling moeten worden betrokken. Naast de hypothecaire schuld van € 198.000,00 zullen derhalve ook het resterende deel van de schuld aan de zus van € 13.391,34 en de schuld aan de moeder van € 900,00 aan [eiser in conventie] worden toegedeeld.

4.9. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tegenover de waarde van de woning (€ 182.500,00) een daarmee verband houdende schuld van in totaal € 212.291,34 staat. De negatieve waarde van de woning en de daarmee verbonden schulden bedraagt € 29.791,34. Bij de te gelasten wijze van verdeling, waarbij als voorwaarde zal gelden dat [eiser in conventie] ook de schulden aan de moeder en de zus van partijen met hun toestemming (artt. 3:179 lid 3 jo. 6:155 BW) als eigen schulden overneemt, is sprake van overbedeling van [gedaagde in conventie] ter grootte van 60% van de negatieve waarde, derhalve € 17.874,80. Vanaf het moment van verdeling zal [gedaagde in conventie] dit bedrag aan [eiser in conventie] verschuldigd zijn, behoudens voor zover dit bedrag door verrekening teniet zal zijn gegaan (zie hierna, onder 4.13) .

4.10. [eiser in conventie] heeft onder 3 gevorderd dat de notariële kosten van de overdracht door de partijen bij helfte gedeeld zullen worden. [gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat het niet meer dan gebruikelijk is dat een koper (in casu [eiser in conventie]) de (notaris-) kosten die betrekking hebben op de levering van een woning voldoet. [gedaagde in conventie] ziet geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. De rechtbank oordeelt als volgt. De notariskosten die gepaard gaan bij de overdracht zullen bij helfte door partijen gedragen moeten worden, nu beide partijen gelet op hun gezamenlijke eigendom belang hebben bij de (verdeling en de) overdracht. Voor wat betreft de overdrachtsbelasting heeft te gelden dat die door [eiser in conventie], als kopende partij aan wie wordt overgedragen, zal moeten worden gedragen. Het onder 3 gevorderde ziet echter niet mede op de overdrachtsbelasting, maar slechts op de notariskosten en kan derhalve worden toegewezen.

4.11. [gedaagde in conventie] heeft geen verweer gevoerd tegen hetgeen [eiser in conventie] bij tweede akte wijziging eis heeft gevorderd onder punt 5. Deze vordering heeft betrekking op bedragen die [eiser in conventie] recentelijk heeft voldaan aan BLG (€ 6.500,00) en aan de SNS bank (€ 2.620,89). Naar [eiser in conventie] stelt, hebben deze betalingen, waarvan hij stukken heeft overgelegd, betrekking op schulden waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn, maar die in hun onderlinge verhouding door [gedaagde in conventie] moeten worden gedragen. [gedaagde in conventie] heeft het voorgaande niet betwist, zodat van de juistheid van de stellingen van [eiser in conventie] wordt uitgegaan. Het gevorderde bedrag van € 9.121,00 zal worden toegewezen, inclusief de per 3 augustus 2011 daarover gevorderde wettelijke rente.

4.12. Dan resteert in conventie het beroep op verrekening van [gedaagde in conventie]. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde in conventie] ten behoeve van [eiser in conventie] schulden heeft afgelost tot een bedrag groot € 17.667,00. Tussen partijen staat bovendien vast dat sprake is van een leningsovereenkomst en dat dus in beginsel op [eiser in conventie] een terugbetalingsverplichting rust. [eiser in conventie] heeft echter gesteld dat [gedaagde in conventie] ooit tegen hem gezegd heeft dat hij het geld niet terug hoefde. [eiser in conventie] heeft desgevraagd ter comparitie aangegeven dat hij niet kan aantonen dat [gedaagde in conventie] gezegd heeft dat hij het geld niet terug hoefde, dat hij zich niet meer herinnert wanneer [gedaagde in conventie] dat gezegd heeft, dat daar geen andere personen bij waren, dat hij dat niet helemaal zeker weet, maar dat hij geen namen kan noemen van personen die daarbij aanwezig waren. [gedaagde in conventie] heeft de stelling van [eiser in conventie] betwist.

4.13. Het bewijs van de stelling dat [gedaagde in conventie] heeft gezegd dat die het geld niet terughoefde rust op [eiser in conventie], aangezien hij zich op de rechtsgevolgen ervan beroept (art. 150 Rv). In zijn laatste akte heeft [eiser in conventie] alsnog bewijs aangeboden van zijn stelling, door het horen van hemzelf, zijn zus en zijn moeder als getuigen. Tegen de achtergrond van zijn verklaring ter comparitie roept dit bewijsaanbod vragen op. Het had op de weg van [eiser in conventie] gelegen nader toe te lichten wat deze getuigen zouden kunnen verklaren, mede in het licht van het bepaalde in art. 163 Rv. Bij gebreke daarvan geldt het bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd en wordt het gepasseerd. De stelling van [eiser in conventie] dat [gedaagde in conventie] het geld niet terughoefde, wordt verworpen. Enig ander verweer tegen de vordering van [gedaagde in conventie] is niet gevoerd, behalve dat op grond van de verklaringen van beide partijen ter comparitie kan worden vastgesteld dat € 100,00 is terugbetaald. [eiser in conventie] heeft geen bewijs aangeboden van zijn stelling dat nog twee maal € 100,00 door hem is terugbetaald, zodat aan die (door [gedaagde in conventie] betwiste) stelling voorbij wordt gegaan. Als vaststaand wordt aangenomen dat [gedaagde in conventie] van [eiser in conventie] een bedrag van (in hoofdsom) € 17.567,00 te vorderen heeft. Het beroep op verrekening met de overbedelingsvordering van [eiser in conventie] ad € 17.874,80 (zie onder 4.9) slaagt derhalve. Het bedrag dat [gedaagde in conventie] wegens overbedeling aan [eiser in conventie] moet betalen op het moment van de verdeling, komt daarmee op € 307,80.

4.14. Met het voorgaande is nog niet beslist op de vordering tot vergoeding van rente over het aan [eiser in conventie] geleende bedrag, waarop [gedaagde in conventie] eveneens aanspraak heeft gemaakt. Het betreft volgens [gedaagde in conventie] de rente van 7,2% per jaar die hijzelf moet betalen over de lening die hij is aangegaan om de schulden van [eiser in conventie] af te lossen. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde in conventie] en [eiser in conventie] zijn overeengekomen dat [eiser in conventie] die rente zou vergoeden. Een andere grondslag voor dit deel van de vordering is evenmin aangevoerd. Bij deze stand van zaken is er geen grond aan te nemen dat [eiser in conventie] gehouden is die rente aan [gedaagde in conventie] te vergoeden. In zoverre wordt het verrekeningsverweer afgewezen.

in reconventie

4.15. [gedaagde in conventie] heeft zijn vordering in reconventie ingesteld, onder de voorwaarde dat zijn beroep op verrekening niet zou slagen. Nu het beroep op verrekening in conventie voor zover mogelijk is gehonoreerd en in conventie is beslist dat [gedaagde in conventie] een bedrag wegens overbedeling aan [eiser in conventie] moet vergoeden, is de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld niet vervuld, zodat er in reconventie niets te beoordelen valt.

in conventie en in reconventie

4.16. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie, tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank,

in conventie

5.1. gelast de wijze van verdeling aldus dat het gemeenschappelijk goed van partijen, zijnde de woning aan de [adres] te [woonplaats], en de daarbij behorende hypothecaire schuld en de schulden aan de zus en aan de moeder van partijen, zoals genoemd in rov. 4.8 van dit vonnis, geheel aan [eiser in conventie] worden toegedeeld, onder de voorwaarde dat [eiser in conventie] deze schulden als eigen op zich zal nemen en ervoor zal zorg dragen dat [gedaagde in conventie] door de hypotheekhouder en door de zus en de moeder van partijen zal worden ontslagen uit de (al dan niet hoofdelijke) aansprakelijkheid voor die leningen,

5.2. veroordeelt [gedaagde in conventie] tot medewerking aan de in 5.1. vastgestelde verdeling in dier voege dat hij daartoe op een door [eiser in conventie] te noemen tijdstip bij een door [eiser in conventie] aan te wijzen notaris verschijnt en al hetgeen doet wat nodig is om tot de vastgestelde verdeling c.q. overdracht van het registergoed te komen, bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats treedt van de daartoe door [gedaagde in conventie] te verrichten rechtshandelingen,

5.3. bepaalt dat de met de overdracht van de woning gepaard gaande notariskosten bij helfte door partijen gedragen moeten worden,

5.4. bepaalt dat [gedaagde in conventie] vanaf het moment van de verdeling zoals bedoeld onder 5.1 wegens overbedeling aan [eiser in conventie] verschuldigd is de somma van € 307,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf de dag van de verdeling,

5.5. veroordeelt [gedaagde in conventie] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser in conventie] te voldoen de somma van € 9.121,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 augustus 2011 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.9. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op

2 november 2011.

Coll.: AB