Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU4916

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
05/508305-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens een aanmerkelijke verkeersfout in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander is gedood.

De rechtbank Arnhem heeft vandaag een 23-jarige man, conform de eis van de officier van justitie, veroordeeld terzake artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, tot een werkstraf voor de duur van 120 uren en een rijontzegging voor de duur van 15 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk en met aftrek van de duur dat het rijbewijs reeds ingehouden is geweest. De man reed op 3 juli 2009 met zijn auto op de provinciale weg N233 te Kesteren en is toen om onverklaarbare redenen met zijn auto in het geheel op de verkeerde weghelft gekomen. Hij is daardoor met zijn auto op twee tegemoetkomende auto's gebotst. Eén inzittende van één van de tegemoetkomende auto's is daarbij om het leven gekomen en een ander is na het ongeval vanwege een post traumatische stress stoornis arbeidsongeschikt geraakt. De rechtbank oordeelde dat sprake is van aanmerkelijke schuld bij verdachte. Bij de strafmaat heeft de rechter zwaar laten meewegen dat de afdoening van de zaak lang op zich heeft laten wachten, dat het rijbewijs van verdachte 6 maanden ingehouden is geweest en dat hij dit rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/508305-09

Datum zitting : 4 november 2011

Datum uitspraak : 18 november 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te '[geboorteplaats]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsvrouw : mr. I. Klein, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 juli 2009, te Kesteren, gemeente Neder-Betuwe,, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, voorzien van het kenteken [nummer]) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Provinciale weg N233, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

- terwijl voornoemde weg, in de rijrichting van verdachte, een (flauwe) bocht naar rechts maakte en/of

- terwijl de rijbaan van voornoemde weg, door middel van dubbele doorgetrokken witte strepen werd verdeeld in twee rijstroken, inhoudende een verbod om als bestuurder die streep/strepen naar links te overschrijden en/of zich links van die streep/strepen te bevinden, in elk geval inhoudende een verbod om zich als bestuurder te bevinden op het gedeelte van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en/of

- terwijl het (uit)zicht door de voorruit en/of de zijruit(en) van het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig en/of het (uit)zicht ter plaatse op generlei wijze werd beperkt,

bij het naderen van een in de rijrichting van verdachte, in die weg gelegen (flauwe) bocht naar rechts, niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg heeft gelet en/of is blijven letten en/of

(daarbij) het door hem bestuurde motorrijtuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en/of onder controle heeft gehouden en/of

(vervolgens) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, aangezien hij, verdachte, in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, als bestuurder een (dubbele) doorgetrokken streep (tussen de rijstroken op de rijbaan van die N233), met (tenminste) twee wielen van het door hem bestuurde motorrijtuig naar links heeft overschreden en/of zich links van die streep heeft bevonden en/of

(vervolgens) in strijd met artikel 3, eerste lid van voornoemd Reglement niet heeft voldaan aan de verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden en/of

(waarbij) hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig (vervolgens) in het geheel, althans grotendeels terecht is gekomen op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer en/of

(waarna) hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig, (vervolgens) in botsing en/of aanrijding is gekomen meteen over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdende, toen dicht genaderd zijnde motorrijtuig (bedrijfsauto, Volkswagen Caddy, voorzien van het kenteken [nummer]) en/of

(waarna) hij, verdachte over de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en/of

(waarna) hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig, (vervolgens) in botsing en/of aanrijding is gekomen met een over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdende, toen dicht genaderd zijnde motorrijtuig (personenauto, Renault Clio, voorzien van het kenteken [nummer])),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (R.J. [slachtoffer]) werd gedood;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 03 juli 2009, te Kesteren, gemeente Neder-Betuwe,, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, voorzien van het kenteken [nummer]) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Provinciale weg N233,

- terwijl voornoemde weg, in de rijrichting van verdachte, een (flauwe) bocht naar rechts maakte en/of

- terwijl de rijbaan van voornoemde weg, door middel van dubbele doorgetrokken witte strepen werd verdeeld in twee rijstroken inhoudende een verbod om als bestuurder die streep/strepen naar links te overschrijden en/of zich links van die streep/strepen te bevinden, in elk geval inhoudende een verbod om zich als bestuurder te bevinden op het gedeelte van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en/of

- terwijl het (uit)zicht door de voorruit en/of de zijruit(en) van het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig en/of het (uit)zicht ter plaatse op generlei wijze werd beperkt,

bij het naderen van een in de rijrichting van verdachte, in die weg gelegen (flauwe) bocht naar rechts, niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg heeft gelet en/of is blijven letten en/of

(daarbij) het door hem bestuurde motorrijtuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en/of onder controle heeft gehouden en/of

(vervolgens) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, aangezien hij, verdachte, in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, als bestuurder een (dubbele) doorgetrokken streep (tussen de rijstroken op de rijbaan van die N233) met (tenminste) twee wielen van het door hem bestuurde motorrijtuig naar links heeft overschreden en/of zich links van die streep heeft bevonden en/of

(vervolgens) in strijd met artikel 3, eerste lid van voornoemd Reglement niet heeft voldaan aan de verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden en/of

(waarbij) hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig (vervolgens) in het geheel, althans grotendeels terecht is gekomen op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer en/of

(waarna) hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig, (vervolgens) in botsing en/of aanrijding is gekomen meteen over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdende, toen dicht genaderd zijnde motorrijtuig (bedrijfsauto, Volkswagen Caddy, voorzien van het kenteken [nummer]) en/of

(waarna) hij, verdachte over de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en/of

(waarna) hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig, (vervolgens) in botsing en/of aanrijding is gekomen met een over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdende, toen dicht genaderd zijnde motorrijtuig (personenauto, Renault Clio, voorzien van het kenteken [nummer])),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 4 november 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. I. Klein, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 juli 2009 reed verdachte met een bedrijfsauto (met kenteken [nummer]) in Kesteren, gemeente Neder-Betuwe, over de Provinciale weg N233. Laatstgenoemde weg is een voor het openbaar verkeer openstaande weg , die in de rijrichting van verdachte een flauwe bocht naar rechts maakt en waarvan de rijbanen van elkaar gescheiden zijn door middel van twee doorgetrokken witte strepen op de wegas . Het uitzicht van de voorruit en zijruiten van de door verdachte bestuurde auto werd niet belemmerd. Evenmin werd het uitzicht ter plaatse op enige andere wijze belemmerd.

Verdachte heeft bij het naderen van voornoemde bocht niet zoveel mogelijk rechts gehouden en is met zijn motorrijtuig in het geheel op de rijstrook terecht gekomen die bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer.

Vervolgens is verdachte met zijn auto op die rijstrook in botsing gekomen met een hem tegemoetkomende Volkswagen Caddy (met kenteken [nummer]). Daarna is verdachte blijven rijden over de rijstrook die bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer en is hij in botsing gekomen met de hem op die rijstrook tegemoetkomende Renault Clio (met kenteken [nummer]) , waardoor de bestuurder van die auto, R.J. [slachtoffer], werd gedood .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is, met dien verstande dat sprake is van aanmerkelijk onzorgvuldig verkeersgedrag aan de zijde van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

Naar de mening van de raadsvrouw van verdachte dient verdachte van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte kan zich niets van het ongeval herinneren en heeft geen verklaring voor het feit dat hij op de verkeerde weghelft is gekomen. De reden voor het uitwijken naar de verkeerde weghelft, blijft daarom onbekend maar op basis van de verklaring van verdachte kan hem niet meer verweten worden dan een enkele verkeersfout, te weten het naar links sturen waardoor over de doorgetrokken streep werd gereden. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring van aanmerkelijke schuld. Evenmin kan de schuld uit de ernst van de gevolgen worden afgeleid, aldus de raadsvrouw van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte van mening verschillen over de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeers-wet 1994. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval wel degelijk sprake is en overweegt daartoe als volgt.

Een enkele verkeersovertreding kan onder omstandigheden voldoende zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Er moet worden gekeken naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Uit de hiervoor genoemde (onweersproken) feiten blijkt dat verdachte bij het naderen van een flauwe bocht op de N233 niet rechts heeft gehouden en met zijn voertuig in het geheel op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat verdachte in onvoldoende mate op de weg voor hem heeft gelet en is blijven letten en de auto waarin hij reed niet voortdurend onder controle heeft gehad en gehouden. Verdachte is vervolgens met zijn auto op twee tegenliggers gebotst ten gevolge waarvan R.J. [slachtoffer] ter plaatse is overleden.

Door met zijn auto in het geheel op de verkeerde weghelft te komen, heeft verdachte een zeer ernstige verkeersovertreding begaan. Voldoende rechts houden op de weg is één van de meest basale verkeersregels. Op een weg, verdeeld in twee rijstroken waarvan één voor het tegemoetkomend verkeer, brengt overtreding van deze regel een groot risico op een aanrijding met een tegenligger met zich. Dit klemt temeer nu op de weg waar verdachte reed, een provinciale weg met een daar geldende maximumsnelheid van 80 km per uur , een (frontale) aanrijding fatale gevolgen kan hebben.

Dit verkeersgedrag van verdachte levert naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke verkeersfout op waardoor sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 03 juli 2009, te Kesteren, gemeente Neder-Betuwe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, voorzien van het kenteken [nummer]) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Provinciale weg N233, aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden,

- terwijl voornoemde weg, in de rijrichting van verdachte, een flauwe bocht naar rechts maakte en

- terwijl de rijbaan van voornoemde weg, door middel van dubbele doorgetrokken witte strepen werd verdeeld in twee rijstroken, inhoudende een verbod om als bestuurder die strepen naar links te overschrijden en zich links van die strepen te bevinden, in elk geval inhoudende een verbod om zich als bestuurder te bevinden op het gedeelte van de rijbaan dat is bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en

- terwijl het (uit)zicht door de voorruit en de zijruiten van het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig en het (uit)zicht ter plaatse op generlei wijze werd beperkt,

bij het naderen van een in de rijrichting van verdachte, in die weg gelegen flauwe bocht naar rechts, niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg heeft gelet en is blijven letten en

daarbij het door hem bestuurde motorrijtuig niet (voortdurend) onder controle heeft gehad en onder controle heeft gehouden en

vervolgens geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, aangezien hij, verdachte, in strijd met artikel 76 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, als bestuurder een (dubbele) doorgetrokken streep (tussen de rijstroken op de rijbaan van die N233), met (tenminste) twee wielen van het door hem bestuurde motorrijtuig naar links heeft overschreden en zich links van die streep heeft bevonden en

(vervolgens) in strijd met artikel 3, eerste lid van voornoemd Reglement niet heeft voldaan aan de verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden en

waarbij hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig vervolgens in het geheel terecht is gekomen op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer en

waarna hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig, vervolgens in botsing is gekomen met een over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdende, toen dicht genaderd zijnde motorrijtuig (bedrijfsauto, Volkswagen Caddy, voorzien van het kenteken [nummer]) en

waarna hij, verdachte over de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is blijven rijden en

waarna hij, verdachte met het door hem bestuurde motorrijtuig, (vervolgens) in botsing is gekomen met een over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdende, toen dicht genaderd zijnde motorrijtuig (personenauto, Renault Clio, voorzien van het kenteken [nummer]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (R.J. [slachtoffer]) werd gedood.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 15 maanden, waarvan

9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de officier van justitie onder meer rekening gehouden met de ernst van de overtreding en de gevolgen daarvan, de gedateerdheid van de zaak, de algemene preventieve functie van strafoplegging, de justitiële documentatie betreffende verdachte en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het standpunt verdediging

Nu de raadsvrouw van verdachte een veroordeling op basis van het primair ten laste gelegde niet aan de orde acht, kan zij zich niet vinden in de strafeis van de officier van justitie. De raads-vrouw heeft verzocht verdachte een boete op te leggen met eventueel, als ‘stok achter de deur’, een voorwaardelijk deel. Voorts heeft zij betoogd dat verdachte zijn rijbewijs niet kan missen en ter onderbouwing van dit standpunt een brief van de werkgever van verdachte overgelegd.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; en

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte van 13 oktober 2011.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is op een provinciale weg met de door hem bestuurde auto in het geheel op de verkeerde weghelft terecht gekomen, waardoor hij tegen een tweetal tegenliggers is gebotst. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Temeer nu verdachte ten tijde van het ongeval een beginnend bestuurder was, waardoor van hem extra zorgvuldigheid mocht worden verwacht bij deelname aan het verkeer.

De bijrijder van de eerste auto die door verdachte werd geraakt, G.C. [naam], heeft ter zitting van 4 november 2011 blijk gegeven van de grote psychische gevolgen die het ongeval voor hem heeft. Door een post traumatische stress stoornis is hij niet langer in staat om te werken.

De inzittende van de tweede auto waartegen verdachte is gebotst, R.J. [slachtoffer], is tengevolge van de botsing overleden. De rechtbank realiseert zich dat dit tot onherstelbaar leed heeft geleid bij de nabestaanden van het slachtoffer. Tijdens de terechtzitting van 4 november 2011 is hiervan onder meer tijdens het voorlezen van de schriftelijke slachtofferverklaring gebleken. Verdachte heeft tijdens de terechtzitting zijn oprechte spijt betuigd en laten zien dat het ongeval hem in hoge mate heeft aangegrepen.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte onder meer rekening met het feit dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden meer dan twee jaar na het ongeval. Tijdens deze twee jaren hebben niet alleen de slachtoffers en de nabestaanden van R.J. [slachtoffer] moeten wachten op de uiteindelijke afdoening van de strafzaak maar heeft ook verdachte in onzekerheid geleefd. Dat het zo lang heeft moeten duren, is niet aan verdachte te wijten terwijl ook anderszins voor het tijdsverloop geen redelijke verklaring is. Het pleit bovendien in het voordeel van verdachte dat hij in die tijd niet meer met justitie in aanraking is geweest.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank, in afwijking van de geldende richtlijnen, niet overgaan tot het opleggen van een gevangenisstraf maar acht de rechtbank een werkstraf als door de officier van justitie is geëist passend.

Voorts volgt de rechtbank de officier van justitie ook in zijn eis voor wat betreft de ontzegging van de rijbevoegdheid. In het bijzonder overweegt de rechtbank dat gelet op de aard en ernst van het feit een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet aan de orde is. De rechtbank laat echter meewegen dat het rijbewijs van verdachte ten gevolge van het ongeval gedurende een half jaar ingehouden is geweest en dat het werk van verdachte vereist dat hij zijn rijbewijs heeft.

De rechtbank zal de straf opleggen zoals hieronder bij de beslissing is opgenomen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt dat de werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde daarnaast tot

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 15 (vijftien) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat van die rijontzegging 9 (negen) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. M.G.J. Post, als voorzitter,

mr. C. van Linschoten, rechter,

mr. L.M. Moerings, rechter,

in tegenwoordigheid van M.W.M. Heutinck, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 november 2011.