Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU4789

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/2811
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Periodieke gift (artikel 6.38 Wet IB 2001). Achteraf opgestelde notariele akte is niet voldoende voor kwalificatie als periodieke gift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/20 met annotatie van vanArnhem
FutD 2011-2845
V-N Vandaag 2011/2839
RN 2012/14
V-N 2012/7.26.13

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 11/2811

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 17 november 2011

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Almere, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag (aanslagnummer [000].H86) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.139. Tevens is bij beschikking € 69 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juni 2011 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 19 juli 2011, ontvangen door de rechtbank op 20 juli 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011 te Arnhem.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

Eiser heeft op 19 maart 2009 aangifte IB/PVV 2008 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.058. In deze aangifte heeft eiser een gift van € 5.640 aan de Protestantse kerk Nederland (PKN) aangemerkt als aftrekbare periodieke gift.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder, onder meer, deze periodieke gift niet geaccepteerd maar aangemerkt als overige gift. Als gevolg van de correcties is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 23.139.

Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat hij van mening is dat de gift aan PKN wel aangemerkt moet worden als periodieke gift. De overige correcties worden door eiser niet bestreden.

Verweerder heeft in bezwaar het belastbare inkomen uit werk en woning gehandhaafd op € 23.139.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. In beroep heeft eiser een notariële akte overgelegd opgemaakt door notaris mr. [B]. Deze akte dateert van 8 juli 2011. Blijkens deze akte heeft eiser in 2008 en 2009 € 5.640 geschonken aan PKN. In de jaren 2010 tot en met 2017 zal eiser jaarlijks € 5.820 aan PKN schenken.

3. Geschil

In geschil is of eiser zijn gift aan de PKN in aftrek kan brengen als periodieke gift.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de vraag of de gift van eiser terecht niet is aangemerkt als periodieke gift overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 6.32, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (wettekst 2008) (hierna: Wet IB 2001) is opgenomen dat aftrekbare giften zijn:

a. periodieke giften;

b. andere giften.

Vervolgens is in artikel 6.34 van de Wet IB 2001 opgenomen dat periodieke giften, giften zijn aan instellingen of verenigingen, in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden.

In artikel 6.38 van de Wet IB 2001 is hieraan toegevoegd dat periodieke giften in aanmerking worden genomen indien zij berusten op een bij notariële akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren.

In casu heeft eiser de notariële akte van schenking eerst hangende de beroepsfase laten opstellen. De rechtbank is van oordeel dat als gevolg hiervan niet voldaan is aan de voorwaarde uit artikel 6.38 van de Wet IB 2001. Als gevolg van het feit dat op het moment van het doen van de gift in 2008 er nog geen notariële akte was, is immers geen sprake van een gift die berust op een bij notariële akte van schenking aangegane verplichting. De stelling van eiser dat de notariële akte van schenking enkel noodzakelijk is uit efficiency overwegingen en derhalve ook achteraf kan worden opgesteld, kan door de rechtbank dan ook niet worden gevolgd. Het belang van de notariële akte van schenking is er in gelegen dat daarmee komt vast te staan dat een verplichting is aangegaan met betrekking tot de schenking. Deze verplichting ligt besloten in de notariële akte van schenking en zou zonder deze akte niet bestaan.

De duidelijke tekst van artikel 6.38 van de Wet IB 2001 staat derhalve de door eiser bepleite terugwerkende kracht van de notariële akte van 8 juli 2011 in de weg.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de gedane gift niet kan worden aangemerkt als een periodieke gift, doch als een gewone gift.

Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van mr.drs. J.A. Vriezen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 17 november 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.