Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU4013

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/1507
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is buitenlands belastingplichtige. Rechtbank Arnhem is van oordeel dat eiser in 2003 geen belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland heeft genoten als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet IB 2001. Ook wijst het Verdrag het heffingsrecht niet toe aan Nederland omdat geen sprake is van een duurzame inrichting in Nederland. De navorderingsaanslag IB/PVV en de boetebeschikking worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/439 met annotatie van Nieuweboer
FutD 2011-2765
V-N Vandaag 2011/2724
V-N 2012/11.10

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/1507

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 10 november 2011

inzake

[X], eiser,

gemachtigde: mr. [gemachtigde],

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland, Heerlen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H.37) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 1.090.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 40.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 115.000, alsmede bij beschikking een boete van € 554.841. Tevens is bij beschikking € 127.718 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder (toen nog de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Nijmegen) heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 maart 2010 het bezwaar van eiser gedeeltelijk toegewezen.

Eiser heeft daartegen bij brief van 22 april 2010, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft op 30 november 2010 een aanvulling op het verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2011 te Arnhem.

Eiser en zijn gemachtigde zijn daar, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde].

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan de rechtbank.

Deze zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak van [Y] (registratienummer: AWB 10/1509).

2. Feiten

Aan eiser is met dagtekening 16 maart 2005 ambtshalve een aanslag IB/PVV 2003 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.000. Hiertegen is geen bezwaar aangetekend.

Eiser is bij vonnis van het Landgericht Duisburg van 26 januari 2006 (hierna: het Duitse vonnis) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar wegens onwettige handel in verdovende middelen in niet-geringe hoeveelheden in bendevorm, in eendaadse samenloop met roof, wegens onwettige handel in verdovende middelen in niet-geringe hoeveelheden in bendevorm in 20 gevallen, en wegens onwettige handel in verdovende middelen in niet-geringe hoeveelheden in bendevorm in 5 gevallen. De broer van eiser, [Y], is bij vonnis van 19 januari 2006 voor dezelfde feiten eveneens veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de in het geding zijnde navorderingsaanslag opgelegd en daarbij onder meer het belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met € 1.000.000 aan resultaat uit overige werkzaamheden. Verweerder verwijst ter onderbouwing daarvan naar de volgende in het Duitse vonnis opgenomen en bewezen verklaarde feiten (in het Nederlands vertaald):

‘ (…)

16. (…)

Op een niet meer nader te bepalen tijdstip, ten laatste in januari 2003, namen de acht Marokkanen uit [Q] opnieuw via “[Y] & Co.” contact op met de beklaagde en diens broer. Tegelijkertijd nam een persoon genaamd “[B]” via [C] en [D] contact op met de beklaagde en diens broer. De beklaagde en diens broer kregen toen telkens de opdracht om hasjtransporten in een grootteorde van telkens 3,5 tot 4 ton hasj (…) van Marokko naar Nederland te organiseren. De beklaagde en diens broer aanvaardden deze opdrachten en in januari 2003 gaven zij [E] de opdracht om het transport uit te voeren. (…) Op het bedrijfsterrein van de firma “[F]” te [R] werden (…) de in opdracht van “[B]” getransporteerde 3,7 ton hasj, (…) gelost (…). De 3,7 ton hasj, die voor “[B]” was bestemd, werd aan hem overhandigd. (…)

Zijn deelname aan het drugstransport leverde de verdachte een opbrengst op van minstens 162.500 €, zijn broer ontving eveneens minstens 162.500 €. (…)

18. (…)

In de maand maart van het jaar 2003 spiegelden de beklaagde en diens broer de bende drughandelaren “[Y] en Co.” in strijd met de waarheid voor dat ze over de transportlogistieke middelen beschikten om verdovende middelen van Nederland naar Groot-Brittannië te smokkelen. “[Y] en Co.” vertrouwden de verklaringen van de beklaagde en diens broer en In de maand maart van het jaar 2003 overhandigden zij aan [Y] een levering van 100 kg marihuana (…) met de opdracht de drugs af te leveren in Groot-Brittannië. De beklaagde en diens broer hadden echter van bij het begin niet de bedoeling om deze transportopdracht uit te voeren. Zij hadden zich veeleer tot doel gesteld, zich de marihuana zelf toe te eigenen. Ter uitvoering van dit plan brachten de beklaagde en diens broer de verdovende middelen naar de ondertussen overleden [H], die zorgde voor de verkoop van de marihuana. Van de opbrengst uit de verkoop ten bedrage van in totaal 200.000 € ontving [H]

70.000 €, en de beklaagde en diens broer ontvingen elk 65.000 €. (…)

19. (…)

Begin mei 2003 kreeg [E] door bemiddeling van “[Y] & Co.” de opdracht om voor de opdrachtgevers “[H]” en “[I]” en een onbekende Zwitser voor een transportloon van 60.000 € minstens één ton hasj van Spanje naar Nederland te transporteren. [E] aanvaardde deze opdracht. Hij lichtte de beklaagde en diens broer over de opdracht in en vroeg hen om hem bij de uitvoering van deze opdracht eventueel hulp te bieden. (…)

Inmiddels hadden de beklaagde, diens broer, [C] en [H] afgesproken om de lading hasj te ontvreemden en deze zich – ten nadele van de opdrachtgevers – toe te eigenen. (…) Ter uitvoering van dit plan reed de beklaagde de door [J] bestuurde vrachtwagen tegemoet op diens vermoedelijke reisweg naar Nederland. (…) Nadat [J] de Frans-Luxemburgse grens had overgestoken, lichtte de beklaagde zijn broer in over de ophanden zijnde aankomst van [J] in Nederland. Daarop vatten de [Y], [C] en [H] op de Nederlandse autosnelweg A2 (…) post met een [K], die was uitgerust met blauw zwaailicht. [H] (…) gebood [J] met de woorden “Politie, u weet waarom” uit de vrachtwagen te stappen. [J] gehoorzaamde dit bevel. Nadat hij was uitgestapt, duwde de forsgebouwde [H] de veeleer tengere [J] – volgens een voorafgaande afspraak met de beklaagde, diens broer en [C] – met geweld tegen de grond (…). Ondertussen nam [C] de vrachtwagen over en hij reed weg. [H] en [Y], evenals de ondertussen eveneens op de plaats der feiten gearriveerde beklaagde, volgden de vrachtwagen. (…) Daarop nam [Y] het stuur over en hij reed met de vrachtwagen naar [S]/Nederland. [C] had daar een hal gehuurd, waar na aankomst van de vrachtwagen (…) de hasj door [Y], [C] en [H] werden gelost en werden overgeladen in een koffertrailer die toebehoorde aan [C] en [H]. (…)

De beklaagde en diens broer verkochten hun deel van de buitgemaakte hasj voor een totaalbedrag van minstens 400.000 € aan [H]. De beklaagde en diens broer verdeelden deze koopprijs evenredig onder elkaar. (…)

21. (…)

Ten laatste in mei 2003 kwamen de beklaagde en diens broer met [G], (…) [L] en (…) [M] overeen om hasjtransporten in een grootteorde van tonnen vanuit Marokko te verrichten. Daartoe zouden [N] en de speciaal voor dit doel aangeworven Nederlandse staatsburger [O] worden ingezet.

(…) Op 21.5.2003 reed [O] met de vrachtwagen van Marokko naar Spanje. Via (…) reed hij door naar Nederland. (…) De hasj werd gelost in een door [C] gebruikte hal te [S]. (…) Hiervan ontvingen de beklaagde en diens broer een aandeel ten bedrage van minstens 100.000 € per persoon.

(…)’

Verder is in de Nederlandse vertaling van het Duitse vonnis onder meer nog het volgende vermeld:

‘ (…)

20.

Ten laatste in de maand mei van het jaar 2003 verwierf [E] een koffertrailer waarmee hij, de beklaagde en diens broer hasjtransporten van Marokko naar Nederland wilden verrichten. In overleg met [E] bouwden de beklaagde en diens broer deze oplegger in een door hen gebruikte hal te [T] (…) om, (…)’

Over de persoonlijke omstandigheden van eiser is in het Duitse vonnis onder meer het volgende vermeld:

‘ (…)

De beklaagde is al meer dan tien jaar lang met een Duitse getrouwd. (…) Vanaf het jaar 2003 tot en met zijn aanhouding leefde de beklaagde met zijn familie in de omgeving van [U].

(…)’

Eiser en zijn broer [Y] zijn op 14 december 2004 aangehouden (zie pagina 134 van het Duitse vonnis).

3. Geschil

In geschil is:

a. of eiser in 2003 belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland heeft genoten als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onder c., van de Wet IB 2001 en, zo ja, of Nederland ook mag heffen;

b. de boetebeschikking.

Niet in geschil is dat het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen moeten worden verminderd tot nihil.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

De eerste vragen die moeten worden beantwoord zijn of eiser in Nederland werkzaamheden heeft verricht en of hij daaruit inkomsten heeft genoten. Deze vragen beantwoordt de rechtbank bevestigend. De onder 19. in het Duitse vonnis beschreven ripdeal vond plaats op de A2 in Nederland en eiser was daarbij persoonlijk betrokken. De andere in het Duitse vonnis beschreven en hiervoor onder 2. aangehaalde feiten vonden eveneens deels in Nederland plaats en eiser was hier ofwel persoonlijk ofwel als opdrachtgever bij betrokken. Ook volgt uit deze feiten dat eiser daaruit inkomsten heeft genoten. De stelling van eiser, dat het gaat om feiten die in Duitsland hebben plaatsgevonden en dat hij daaruit geen opbrengsten heeft genoten, is in strijd met hetgeen in het Duitse vonnis is vermeld. Een onderbouwing hiervoor heeft eiser ook niet gegeven. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat eiser belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland heeft genoten.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of Nederland heffingsbevoegd is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op toegang tot het belastingverdrag en dat, mocht eiser daarop wel recht hebben, hij voor zijn werkzaamheden in Nederland gebruik heeft gemaakt van een duurzame inrichting, zodat het heffingsrecht op basis van artikel 9 van het Verdrag Nederland-Duitsland van 16 juni 1959 (hierna: het Verdrag Nederland-Duitsland) aan Nederland wordt toegewezen. In dit verband acht de rechtbank het volgende van belang.

Eiser heeft gesteld dat hij in het buitenland woont, maar heeft daarbij niet aangegeven welk buitenland dit is. In het Duitse vonnis is vermeld dat eiser vanaf 2003 tot zijn aanhouding op 14 december 2004 in Duitsland heeft gewoond. Ook verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in 2003 in Duitsland heeft gewoond. Gelet op de hiervoor aangehaalde gedingstukken zal de rechtbank er van uitgaan dat eiser het gehele jaar 2003 in Duitsland heeft gewoond.

Gelet hierop is het Verdrag Nederland-Duitsland (hierna: het Verdrag) van toepassing. De rechtbank volgt hierbij niet de stelling van verweerder dat het Verdrag uitsluitend van toepassing is als eiser daarop uitdrukkelijk een beroep doet. Op basis van artikel 8:68, tweede lid, van de Awb vult de rechtbank ambtshalve de rechtsgronden aan. Tot deze rechtsgronden behoort ook het Verdrag. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder het al dan niet van toepassing zijn van het Verdrag ook zelf in het geding heeft gebracht.

In artikel 3, eerste en tweede lid, van het Verdrag is bepaald:

1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst heeft een natuurlijk persoon een woonplaats in die Staat, waar hij een woning heeft onder omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij de woning zal blijven houden en gebruiken.

2. Indien een natuurlijk persoon in geen van de Staten een woning onder de in het eerste lid bedoelde omstandigheden heeft, maar in een van de Staten gewoonlijk verblijft, wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst het gewoonlijk verblijven als woonplaats beschouwd. Iemand verblijft gewoonlijk in een Staat, indien hij daar verblijft onder omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij in deze Staat niet slechts tijdelijk vertoeft.

Eiser woonde in 2003 in Duitsland. De voorwaarde dat eiser in Duitsland ook onderworpen moet zijn aan belastingheffing is in het Verdrag niet opgenomen. Gelet hierop is inwonerschap van Duitsland voor eiser voldoende om toegang te krijgen tot het Verdrag.

In artikel 9 van het Verdrag is, voor zover hier van belang, bepaald:

1. Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten uit zelfstandige arbeid verkrijgt, heeft de andere Staat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten, indien de arbeid in de andere Staat wordt of is uitgeoefend.

2. Uitoefening van zelfstandige arbeid in de andere Staat wordt slechts dan aanwezig geacht, indien de persoon die de zelfstandige arbeid uitoefent, voor zijn werkzaamheden gebruik maakt van een duurzame inrichting die aldaar geregeld tot zijn beschikking staat.

Wat onder zelfstandige arbeid moet worden verstaan, wordt in het Verdrag niet nader gedefinieerd. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Verdrag komt daaraan dan de betekenis toe die dat begrip heeft volgens de nationale wetgeving.

De inkomsten van eiser kwalificeren, zoals hiervoor reeds overwogen, als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Wat hieronder moet worden verstaan is gedefinieerd in artikel 3.90 van de Wet IB 2001. Dit is het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. Gelet op deze definitie kan hieronder ook zelfstandige arbeid vallen, zolang maar geen sprake is van belastbare winst of belastbaar loon. Nu de werkzaamheden van eiser zoals omschreven in het Duitse vonnis, naar het oordeel van de rechtbank zelfstandig van aard zijn, is op de inkomsten daaruit artikel 9 van het Verdrag van toepassing.

Het heffingsrecht is in artikel 9 van het Verdrag aan Nederland toegewezen indien eiser voor zijn werkzaamheden gebruik maakt van een duurzame inrichting die in Nederland geregeld tot zijn beschikking staat. Verweerder heeft gesteld dat hiervan sprake is en verwijst daarvoor naar het Duitse vonnis. Hierin is echter geen enkele aanwijzing te vinden voor de juistheid van deze stelling. In het Duitse vonnis is juist te lezen dat de verdovende middelen steeds naar een andere plaats in Nederland worden gebracht en dat het daarbij gaat om plaatsen die niet aan eiser en/of zijn broer maar aan anderen ter beschikking staan. Als er al sprake is van een duurzame inrichting dan bevindt deze zich in Duitsland, in [T] (zie het hiervoor aangehaalde Duitse vonnis onder 20.). Ook overigens is in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden dat eiser in 2003 over een duurzame inrichting in Nederland heeft beschikt. Gelet op het vorenoverwogene komt aan Nederland geen heffingsrecht toe.

Gelet hierop hoeven de overige in geding zijnde punten geen behandeling meer.

Nu de navorderingsaanslag op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient te worden vernietigd, dient tevens de beschikking heffingsrente te worden vernietigd. Ook de boetebeschikking moet worden vernietigd. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Hiervan zal de rechtbank de helft ofwel € 218,50 aan eiser toekennen en de andere helft aan de met de zaak van eiser samenhangende zaak van [Y]. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 218,50;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. E.C.G. Okhuizen en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 10 november 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.