Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU3548

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
208814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident . Verdrag betreffende de werking van de EU. Hof van Justitie EU in de zaak Marinari/Lloyds Bank (Hof van Justitie EU, 19 september 1995, LJN: AD2390). Kalimijnenarrest van 30 november 1976 Hof van Justitie EU. Hoge Raad 7 december 2001, LJN: AD3965.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 208814 / HA ZA 10-2412

Vonnis in incident van 26 oktober 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TENNET TSO B.V.,

gevestigd te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SARANNE B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. J.K. de Pree te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM,

gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

T&D HOLDING,

gevestigd te 92300 Levallois-Perret Cedex, Frankrijk

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

COGELEX,

gevestigd te 92084 Paris-La Défense Cedex, Frankrijk

4. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM HOLDINGS,

gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk

5. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM SEXTANT 5,

gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk TenneT c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk Alstom c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord

- de pleitnota van TenneT c.s.

- de pleitnota van Alstom c.s.

- de aantekeningen van de griffier van het pleidooi, gehouden op 19 september 2011

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

1.3. In de hoofdzaak zijn, naast Alstom c.s., ook Areva T&D S.A.S. en Areva S.A. (hierna: ‘Areva c.s.’) gedagvaard. Areva c.s. hebben geen incidentele vordering ingesteld.

1.4. Voorts is Schneider Electric Services International Sàrl door Tennet in de hoofdzaak gedagvaard, maar deze procedure wordt doorgehaald.

2. De feiten in het incident

2.1. TenneT is beheerder van het landelijk hoogspanningset. Saranne is, onder meer, eigenaar van het landelijk hoogspanningsnet.

2.2. Op 28 mei 1993 is tussen de N.V. Samenwerkende elektriciteitsbedrijven (Sep) enerzijds en Cogelex Alsthom anderzijds een overeenkomst gesloten, op grond waarvan Cogelex Alsthom aan Sep apparatuur heeft geleverd voor een schakelstation van Sep (hierna: ‘de overeenkomst’). Het betrof zogeheten gasgeïsoleerd schakelmateriaal (GGS). Cogelex Alsthom is de rechtsvoorgangster van Cogelex GIE (gedaagde sub 3).

2.3. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. In een set algemene voorwaarden, die door TenneT c.s. in het geding is gebracht, is bepaald dat alle geschillen, voortvloeiende uit of verband houdende met de opdracht, aanhangig zullen worden gemaakt bij de rechtbank in Arnhem.

2.4. De overeenkomst is uitgevoerd.

2.5. In een beschikking van de Europese Commissie van 24 januari 2007 is aan Alstom en T&D Holding een boete opgelegd voor het overtreden van art. 81 van het EG Verdrag, dat mededingingsbeperkende afspraken verbiedt. In deze beschikking schrijft de Europese Commissie dat het kartel bestond van 15 april 1988 tot 11 mei 2004.

2.6. TenneT c.s. heeft bij brief van 24 juni 2010 gedaagden sub 1 tot en met 4 aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van de mededingingsbeperkende afspraken geleden schade en aanspraak gemaakt op schadevergoeding, door haar begroot op € 18.131.535,00.

2.7. Bij brief van 30 juli 2010 heeft Alstom c.s. aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3. De vordering in het incident

3.1. Alstom c.s. vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Daarnaast verzoekt zij tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het vonnis in incident en de zaak aan te houden in verband met het lopende hoger beroep tegen de beslissing van de Europese Commissie. Zij legt daaraan, kort gezegd, onder meer het volgende ten grondslag.

3.2. Ten aanzien van de vordering gegrond op de overeenkomst stelt Alstom het volgende. Aan het forumkeuzebeding, dat is opgenomen in de overgelegde algemene voorwaarden, kan TenneT c.s. geen rechten ontlenen omdat de overeenkomst is gesloten met Sep en niet met TenneT c.s. en de rechten en plichten uit die overeenkomst ook niet zijn overgedragen aan TenneT c.s. Verder stelt Alstom c.s. dat gedaagden 1, 2, 4 en 5 evenmin partij waren bij deze overeenkomst en een forumkeuze niet jegens deze gedaagden werkt, omdat ten aanzien van deze partijen geldt dat geen sprake was van wilsovereenstemming. Voorts is de forumkeuze ten aanzien van gedaagden 1, 2, 4 en 5 ook niet schriftelijk vastgelegd. Ten slotte betwist Alstom c.s. dat de set algemene voorwaarden die door TenneT c.s. is overgelegd de set is die bij de overeenkomst was gevoegd, nu dat nergens uit blijkt.

3.3. Ten aanzien van de vordering die is gegrond op onrechtmatig handelen stelt Alstom c.s. zich op het standpunt dat art. 5 lid 3 van de Verordering betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) moet leiden tot onbevoegdheid van deze rechtbank. Het ‘handlungsort’ en het ‘erfolgsort’ zijn niet in Nederland gelegen, zodat de rechtbank in Arnhem niet bevoegd is. Het handlungsort is volgens Alstom c.s. het land van waaruit de onrechtmatige daad werd aangestuurd of gecoördineerd. Dat land was in dit geval niet Nederland, maar Frankrijk. Het erfolgsort kan volgens Alstom c.s. niet op zichzelf bepalend zijn voor de vraag welke rechtbank bevoegd is, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie EU in de zaak Marinari/Lloyds Bank (Hof van Justitie EU, 19 september 1995, LJN: AD2390).

3.4. Verder verzoekt Alstom c.s. aanhouding van de zaak, tot in hoger beroep onherroepelijk is beslist. Zij beroept zich daarbij op het Masterfoods arrest van het Hof van Justitie EU (14 december 2000, LJN: AD4228), waarin is overwogen dat de gemeenschapstrouw van lidstaten ertoe moet leiden dat de beslissing van een nationale rechter moet worden aangehouden indien deze afhangt van de geldigheid van een beschikking van de Europese Commissie en tegen die beslissing nog een procedure tot nietigverklaring loopt. Ten slotte verzoekt Alstom c.s. om tussentijds hoger beroep open te stellen van dit vonnis.

3.5. TenneT c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De Europese Commissie heeft vastgesteld dat Alstom en T&D Holding de mededingingsregels uit (thans) art. 101 van het Verdrag betreffende de werking van de EU hebben geschonden. Uit de door partijen ingenomen stellingen en de door hen overgelegde stukken blijkt dat de mededingingsbeperkende gedragingen in Nederland zijn uitgevoerd. Immers, de mededingingsbeperkende afspraken waren volgens de Europese Commissie van kracht ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in 1993. De overeenkomst, waarin de prijzen voor het GGS zijn overeengekomen, is in Nederland gesloten en de overeenkomst is daar ook uitgevoerd door de zaken te leveren. Daarmee is de Nederlandse rechtssfeer geraakt. Dit is relevant bij de verdere beoordeling.

4.2. In de dagvaarding en ook ter gelegenheid van het pleidooi is door TenneT c.s. gesteld dat de grondslag van de vorderingen bestaat uit de schending van het Europese mededingingsrecht en de daaruit voortvloeiende rechtsbescherming, die door de nationale rechter moet worden gewaarborgd. Door TenneT c.s. wordt in de dagvaarding een aantal grondslagen voor haar vordering genoemd, namelijk onrechtmatige daad, nietigheid van de overeenkomst, wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking. De primaire en meest voor de hand liggende grondslag is in dit geval onrechtmatige daad. Het handelen van Alstom c.s. in strijd met het Europese gemeenschapsrecht – als daarvan sprake is - kwalificeert immers als onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW. Of dat tevens een tekortkoming in de nakoming oplevert is een vraag die mogelijk in een later stadium dient te worden beoordeeld.

4.3. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of zij op grond van de grondslag onrechtmatige daad bevoegd is.

4.4. Voor de beantwoording van die vraag is art. 5 lid 3 EEX-Vo bepalend. Immers, Alstom c.s. is een partij die in Frankrijk is gevestigd, zodat naar Europees gemeenschapsrecht beoordeeld dient te worden of deze rechtbank rechtsmacht toekomt.

4.5. Art. 5 lid 3 EEX bepaalt dat de verweerder, die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in een andere verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen voor het gerecht van ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’. In het Kalimijnenarrest van 30 november 1976 heeft het Hof van Justitie EU beslist dat, ingeval de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan, niet samenvallen, de uitdrukking ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ aldus moet worden verstaan dat zowel de plaats waar de schade is ingetreden, als de plaats van de veroorzakende gebeurtenis is bedoeld. Daaruit volgt, zo heeft het Hof van Justitie voorts beslist, dat de verweerder ter keuze van de verzoeker kan worden opgeroepen voor de rechter hetzij van de plaats waar de schade is ingetreden, hetzij van de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt (zie o.m. AG Strikwerda bij Hoge Raad 7 december 2001, LJN: AD3965).

4.6. In dit geval is sprake van een situatie waarbij zowel het schadetoebrengende feit als de schade zich heeft voorgedaan in Nederland en wel in Arnhem. Immers, de overeenkomst waarin de – naar stellingen van TenneT c.s. te hoge – prijzen zijn overeengekomen is in Arnhem getekend. De schade waarvan TenneT c.s. vergoeding vordert heeft zich vervolgens eveneens in Arnhem voorgedaan, nu zowel Saranne als TenneT in Arnhem zijn gevestigd.

4.7. Dat het erfolgsort geen rechtsmacht kan scheppen, geldt slechts in het geval het schadetoebrengende feit en de schade zich op verschillende plaatsen voordoen, zoals in het Marinari-arrest van het Hof van Justitie EU het geval was. Daarvan is hier geen sprake. Het schadetoebrengende feit is volgens de stellingen van TenneT c.s. in dit geval het berekenen van te hoge prijzen aan (rechtsvoorgangsters van) TenneT en Saranne en niet (direct) de overtreding van de mededingingsbepalingen uit het EG Verdrag.

4.8. Hetgeen hiervoor is overwogen betreft in het bijzonder partij Cogelex, die de overeenkomst is aangegaan en heeft uitgevoerd. De vraag of juist is dat Cogelex hierbij onrechtmatig heeft gehandeld - Cogelex was immers geen geadresseerde van de beschikking - en de vraag of TenneT c.s. met betrekking tot de schadevergoeding in de rechten is getreden van Sep, kunnen in dit incident onbeantwoord blijven. Dit zal moeten worden onderzocht in de hoofdzaak. Volgens vaste jurisprudentie moeten de niet op een forumkeuze gebaseerde rechtsmacht en bevoegdheid van de rechter worden beoordeeld op basis van de stellingen in de dagvaarding en de hypothese dat die stellingen juist zijn, om het daarvoor beoogde rechtsgevolg te kunnen dragen. Dit betekent dat de exceptie van onbevoegdheid faalt ten aanzien van Cogelex en dat de rechtbank Arnhem bevoegd is om de tegen Cogelex ingestelde vorderingen te behandelen.

4.9. De vraag of de overige gedaagden hiervoor eveneens aansprakelijk kunnen worden gehouden moet worden beoordeeld op grond van het zelfde feitencomplex en dezelfde rechtsvraag. Om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen is het daarom aangewezen dat deze vraag door dezelfde rechter wordt beoordeeld, gelet op het bepaalde in art. 6 lid 1 EEX-Vo. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vorderingen jegens alle gedaagden in dezelfde procedure voor deze rechtbank dienen te worden beslecht.

4.10. Uit het voorgaande volgt de conclusie dat de rechtbank zich bevoegd acht van het geschil kennis te nemen en dat de incidentele vordering van Alstom c.s. zal worden afgewezen.

4.11. Ten aanzien van het verzoek om aanhouding overweegt de rechtbank dat daarvoor thans geen aanleiding bestaat, nu in hoger beroep door het Hof van Justitie EU nog niet is beslist. De verwachting is dat de procedure in hoger beroep bij het Hof van Justitie EU geruime tijd in beslag zal nemen. Op dit moment bestaat dan ook onvoldoende aanleiding de procedure aan te houden. Tegen de tijd dat dit geding in staat van wijzen komt, kan opnieuw worden bekeken of aanhouding noodzakelijk en wenselijk is.

4.12. Ten aanzien van het verzoek om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen dit vonnis geldt dat Europeesrechtelijke regels het openstellen van tussentijds hoger beroep niet verlangen. Nu de rechtbank rechtsmacht aanneemt, heeft art. 337 lid 2 Rv. in dit geding te gelden. De rechtbank ziet in het (ongemotiveerde) verzoek tussentijds hoger beroep in te stellen geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv.

4.13. De beslissing omtrent de proceskosten wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak wordt beslist.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 december 2011 voor conclusie van antwoord.

5.4. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom, mr. N.W. Huijgen en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.