Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU3543

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
217760
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 1022 lid 1 Rv dient de rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd te verklaren als één van de partijen zich voor alle weren zich op het bestaan van deze overeenkomst beroept. De vraag die derhalve voorligt is of partijen met elkaar een overeenkomst tot arbitrage hebben gesloten. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord, nu Arns Holding en IWP dat hebben betwist, of op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 217760 / HA ZA 11-1057

Vonnis in incident van 19 oktober 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARNS HOLDING B.V., h.o.d.n. IWP Uitzendorganisatie B.V. i.o.,

gevestigd te Driel, gemeente Overbetuwe,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IWP UITZENDORGANISATIE B.V.,

gevestigd te Driel, gemeente Overbetuwe,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. P.H.M. Essink te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WENCO BOUW B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R.J. Sark te Arnhem.

Partijen zullen hierna Arns Holding, IWP en Wenco Bouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid,

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in het incident

2.1. Op 21 mei 2010 is een schriftelijke overeenkomst van aanneming gesloten onder het contractnummer CN 2010005 (hierna: de overeenkomst). In de kop van de overeenkomst staat geschreven:

“A. Partijen

Ondergetekenden:

(1)

Naam: Wenco Bouw B.V.

(…)

Hierna te noemen de aannemer.

En

(2)

Naam: IWP Uitzendorganisatie B.V.

(…)

Hierna te noemen de onderaannemer.”

2.2. Pagina 3 van de overeenkomst bovenaan luidt als volgt:

“D. Toepasselijke voorwaarden

De voorwaarden waaronder de overeenkomst tussen de aannemer en diens opdrachtgever is aangegaan, maken deel uit van deze overeenkomst van onderaanneming voor zover van die voorwaarden niet is afgeweken in deze overeenkomst van onderaanneming of in de daarbij behorende voorwaarden van onderaanneming.

Voor zover de voorwaarden waaronder de overeenkomst tussen de aannemer en diens opdrachtgever is aangegaan zich niet verdragen met de aard van de rechtsverhouding tussen de aannemer en onderaannemer, blijven deze voorwaarden buiten toepassing.

Met inachtneming van het bovenstaande zijn op deze overeenkomst bijgaande Voorwaarden van Onderaanneming van toepassing.

(…)”

2.3. Op pagina 6 van de overeenkomst staat onderaan vermeld:

“Door ondertekening van deze overeenkomst verklaren partijen in het bezit te zijn van de op deze overeenkomst toepasselijke Voorwaarden van onderaanneming,

Arnhem, 21 mei 2010.

De aannemer De onderaannemer

(handtekening) (handtekening)

Namens Wenco Bouw B.V. Namens Arns Service Installatiebureau B.V.

I. Wenting W.J.Th. Arns”

2.4. In de Algemene Inkoop- en Onderaannemingsvoorwaarden (A.I.O.V.) Wenco Bouw B.V. (versie 1 – April 2010) is in artikel 19 bepaald:

“Artikel 19. Geschillen, toepasselijk recht en opschriften.

1. Alle geschillen die tussen partijen mochten rijzen, daaronder begrepen die welke slechts door een der partijen als zodanig worden beschouwd, in verband met of naar aanleiding van de Overeenkomst of van overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel mochten zijn en die niet in der minne kunnen worden opgelost, zullen met uitsluiting van de gewone rechter worden beslist door de Raad van Arbitrage voor de Bouw overeenkomstig de statuten van de Raad, zoals deze op de dag van de opdrachtverlening van Principaal aan Opdrachtgever luiden. In afwijking van het hiervoor gestelde is Opdrachtgever immer bevoegd een geschil te laten beslechten door de instantie als bepaald in de Hoofdaannemingsovereenkomst.

(…)”

2.5. Arns Holding en IWP vorderen in de hoofdzaak -kort samengevat- Wenco Bouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 225.359,24.

2.6. Wenco Bouw vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Daartoe verwijst Wenco Bouw naar het hiervoor weergegeven arbitragebeding in artikel 19 van haar algemene voorwaarden, welke voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst die zij heeft gesloten met Arns Holding en IWP.

2.7. Arns Holding en IWP voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

3.1. Op grond van artikel 1022 lid 1 Rv dient de rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd te verklaren als één van de partijen zich voor alle weren zich op het bestaan van deze overeenkomst beroept. De vraag die derhalve voorligt is of partijen met elkaar een overeenkomst tot arbitrage hebben gesloten. In dat kader hebben Arns Holding en IWP in hun incidentele conclusie betwist dat zij een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten met Wenco Bouw waarop algemene voorwaarden van toepassing zijn. Wel is sprake geweest van een mondelinge overeenkomst, maar op die overeenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard, laat staan dat tussen partijen arbitrage is overeengekomen, aldus -zakelijk weergegeven- Arns Holding en IWP.

3.2. De rechtbank stelt vast dat Arns Holding en IWP in hun dagvaarding expliciet hebben gesteld dat zij op 21 mei 2010 met Wenco Bouw een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten (welke overeenkomst zij ook als productie 1 in het geding hebben gebracht). Aanvankelijk was het de bedoeling dat Arns Service Installatie Bureau B.V. (hierna: Arns Service) als contractspartij van Wenco Bouw zou hebben te gelden, maar om partijen moverende redenen is op het laatste nippertje gekozen om als opdrachtnemer te laten fungeren de besloten vennootschap Arns Holding B.V. handelend onder de naam IWP Uitzendorganisatie B.V. i.o. dan wel IWP Uitzendorganisatie B.V. en wel die ondernemingen over vakkundig Pools personeel beschikte (citaat dagvaarding pagina 3 sub b). Enkel om die reden staat de naam van Arns Service nog onderaan de overeenkomst vermeld, ondanks dat in de kop wel IWP staat vermeld, aldus Arns Holding en IWP. De overeenkomst is vervolgens ondertekend door de heer [directeur], die zowel van Arns Holding als van Arns Service directeur was. Expliciet op grond van deze schriftelijke overeenkomst is vervolgens in de dagvaarding betaling gevorderd van een bedrag groot € 225.359,24.

3.3. Met deze in de dagvaarding weergegeven stellingen is geheel tegenstrijdig de nadien in de conclusie van antwoord in het incident ingenomen stellingname. De rechtbank stelt op basis van de in het geding gebrachte stukken vast dat op de eerste pagina van de ondertekende overeenkomst (met contractnummer CN 2010005) als contractspartij staat opgenomen IWP, dat op de niet ondertekende overeenkomst boven de contractspartij Arns Service Installatiebureau B.V. met de hand IWP staat bij geschreven, dat nadien op brief papier van IWP aan Wenco Bouw facturen zijn gestuurd onder vermelding van het contractnummer CN 2010005, dat IWP op diverse data over de uitvoering van de overeenkomst op haar briefpapier heeft gecorrespondeerd met Wenco Bouw en ten slotte dat Wenco Bouw op haar beurt vervolgens schriftelijke heeft gecorrespondeerd met IWP. Bij die stand van zaken stelt de rechtbank vast dat op 21 mei 2010 schriftelijk een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Arns Holding en/of IWP enerzijds en Wenco Bouw anderzijds. Dat strookt ook met de overige stellingen (en vorderingen) uit de dagvaarding. Aan de met deze conclusie strijdige stellingen in de conclusie van antwoord in het incident zal dan ook voorbij worden gegaan.

3.4. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord, nu Arns Holding en IWP dat hebben betwist, of op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn. Bij de beantwoording van die vraag, dienen de maatstaven te worden aangelegd die in het algemeen gelden bij de totstandkoming van overeenkomsten. De toepasselijkheid van algemene voorwaarden kan aldus worden aangenomen indien zij door Wenco Bouw is voorgesteld en door IWP is aanvaard, waaronder begrepen het geval dat IWP het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt met de toepasselijkheid in te stemmen. Hierbij is het niet noodzakelijk dat IWP de inhoud van de algemene voorwaarden kent (artikel 6:232 BW). Vast staat dat in de overeenkomst is verwezen naar de toepasselijkheid van algemene voorwaarden en dat de heer [directeur] met het ondertekenen van de overeenkomst heeft verklaard in het bezit te zijn van deze voorwaarden. Vast staat bovendien, nu Arns Holding en IWP dat niet hebben betwist, dat in de door Wenco Bouw gehanteerde algemene voorwaarden een arbitrageclausule is opgenomen. De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn die voorzien in arbitrage en dat de rechtbank dus onbevoegd is van het geschil kennis te nemen. Dat de algemene voorwaarden niet van een paraaf door Arns Holding en/of IWP zijn voorzien doet aan het voorgaande niet af. Dat Arns Holding en/of IWP geen bouwbedrijf zijn, dat geen sprake is van twee professionele gelijkwaardige bedrijven, dat Arns Holding en IWP geen weet hebben van bouwactiviteiten en dat conservatoir beslag is gelegd, is evenmin van belang bij de vraag naar de toepasselijkheid van algemene voorwaarden. Ten slotte is evenmin van belang dat de voorwaarden door Wenco Bouw (mogelijk) niet zijn overhandigd. Dat aspect komt aan de orde bij de vernietigingsgronden van artikel 6:233 en 234 BW, maar op die bepalingen is geen beroep gedaan.

3.5. Arns Holding en IWP zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld (1,0 punt × tarief € 452,00).

3.6. Arns Holding en IWP zullen eveneens in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu zij nodeloos kosten hebben veroorzaakt door die hoofdzaak bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van Wenco Bouw in de hoofdzaak worden begroot op € 3.537,00 aan griffierecht.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

4.1. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

4.2. veroordeelt Arns Holding en IWP in de kosten van het incident en de hoofdzaak, aan de zijde van Wenco Bouw tot op heden in totaal begroot op € 3.989,00,

4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2011.

Coll.: AB