Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BU3542

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
220213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorschot op verzekeringspenningen. Brandschade aan huis. Verzekeraar weigert uitkering omdat verzekerde wordt verdacht van negatieve betrokkenheid bij de Brand. Artikel 7:952 BW.

Nu RVS ter bevrijding van haar betalingsverplichting uit de verzekeringsovereenkomsten stelt dat de brand en de daaruit voorkomende schade zijn veroorzaakt door opzet van verzekerrde (negatieve betrokkenheid van een van de verzekerden bij de brand), dient RVS om aan verzekerdel schade-uitkering te kunnen weigeren in een bodemprocedure op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv het bewijs te leveren van haar stelling en dus van de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van opzettelijke brandstichting door Van de verzekerde. Ook uit artikel 7:952 BW volgt dat het in beginsel aan de verzekeraar is om te bewijzen dat de schade door opzet of roekeloosheid van de verzekerde is ontstaan. De bewijslast rust dus op de verzekeraar.

Dit betekent dat het risico dat onbewezen en dus onopgelost blijft wie de brand heeft gesticht voor risico van de verzekeraar komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 220213 / KG ZA 11-459

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. B.R. van Buul te Cuijk,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. van der Kolk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van RVS.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).

2.2. De woning betreft een twee-onder-een-kapwoning. De woning ernaast aan de [adres] wordt bewoond door de familie [naam buren].

2.3. [eiser] heeft met RVS een aantal verzekeringen afgesloten onder het RVS Paraplupakket met polisnummer [nummer]. Het betreft onder andere een woonhuis- en inboedelverzekering.

2.4. Daarnaast heeft [eiser] bij RVS een motorrijwielverzekering met polisnummer [nummer] en een autoverzekering met polisnummer [nummer] lopen.

2.5. In de ochtend van 1 oktober 2010 heeft er brand gewoed in de woning van [eiser]. De woning werd ten tijde van de brand bewoond door [eiser] en zijn toenmalige partner, mevrouw [naam partner].

2.6. [eiser] heeft de door de brand veroorzaakte schade aan de woning (opstal) en aan de inboedel ter vergoeding aangemeld bij RVS.

2.7. RVS heeft door onderzoeksbureau CED Forensic B.V. (hierna: CED) onderzoek laten doen naar de oorzaak en toedracht van de brand. CED heeft haar bevindingen gerapporteerd in de rapporten van 26 oktober 2010 en 22 november 2010. CED resumeert en concludeert in die rapporten als volgt:

Resumé:

• In de woning werd ingebroken en in de keuken werd brand gesticht. Althans er is braakschade aan de achterdeur van de woning aangetroffen;

• Er werd brand gesticht bij het keukenblok. Resten van terpentine werden ter plaatste aangetroffen;

• Het doel van de dader was brandstichting; er zijn geen goederen uit de woning weggenomen;

• Met de aangetroffen braakschade is het niet mogelijk om de achterdeur te openen. De braakschade is geënsceneerd;

• Een motief voor uw verzekerde zou kunnen zijn dat verzekerde in grote onmin leeft met de buren en de woning wil verlaten;

• Verzekerde [eiser] heeft een alibi: hij was op bezoek bij zijn moeder in [plaats] en zijn moeder heeft dit bevestigd;

• Verzekerde [naam partner] heeft een alibi. Zij heeft echter als laatste de woning verlaten. Tevens stemmen de door haar genoemde tijden van het gebruik van het pasje niet overeen met de door haar afgelegde verklaring;

• De tijden van het pasje gebruikt door mevrouw [naam partner] op het moment van het ontstaan van de brand, corresponderen niet met de door haar afgelegde verklaring.

(…) De brand is gesticht door een sleutelhouder. Naar onze mening heeft uw verzekerde [eiser] een verkeerde voorstelling van zaken gegeven en is hij en/of [naam partner] negatief bij deze brand betrokken.

2.8. Naar aanleiding van de bevindingen van CED heeft RVS bij brief van 7 december 2010 de schadeclaim van [eiser] afgewezen op basis van vermeende negatieve betrokkenheid van [eiser] en/of [naam partner] bij het ontstaan van de brand en op basis van vermeende verzekeringsfraude bij of na verwezenlijking van het risico.

2.9. Tevens heeft RVS daarbij de Paraplupakket verzekeringen met polisnummer [nummer] per 7 december 2010 beëindigd, de motorrijwielverzekering met polisnummer [nummer] per 1 juli 2011 opgezegd en de autoverzekering met polisnummer [nummer] per 1 januari 2012 opgezegd.

2.10. Daarnaast heeft RVS de gegevens van [eiser] opgenomen in het incidentenregister en daarvan het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte gebracht. Tevens heeft RVS de gegevens van [eiser] laten registreren bij Stichting CIS in Zeist.

2.11. Deze aan [eiser] en [naam partner] gerichte afwijzingsbrief van 7 december 2010 vermeldt onder meer:

De brand in uw woning is het gevolg van brandstichting. Door middel van onderzoek is aangetoond, dat sprake is van het opzettelijk achterlaten en/of bijbrengen van open vuur. De brandhaard bevond zich in de keuken, ter hoogte van de rechterzijde van het keukenblok. (…)

Na de brandmelding zijn politie en brandweer ter plaatse gekomen. Bij aankomst werd braakschade geconstateerd aan en bij de toegangsdeur, aan de achterzijde van de woning. (…)

Op basis van het op de schadelocatie verrichte onderzoek zijn de verschillende deskundigen het er over eens, dat de aangetroffen braaksporen aan de achterdeur en het kozijn niet tot het verbreken van de achterdeur kunnen hebben geleid. Dat betekent, dat de brand in uw woning niet is voorafgegaan door inbraak waarbij onbekende daders de woning wederrechtelijk zijn binnengedrongen. Hieruit volgt bovendien dat de braakschade moet zijn veroorzaakt terwijl de deur open heeft gestaan.

U hebt geheel onafhankelijk van elkaar een verklaring afgelegd over de sleutels van de woning en het sleutelbeheer. Op basis van deze verklaringen is de conclusie gerechtvaardigd, dat uitsluitend u beiden een sleutel van de woning in bezit en gebruik had. (…) Voorts werd verklaard, dat geen sleutels zijn verloren, geen sleutels werden uitgeleend en evenmin sleutels werden bijgemaakt.

Op grond van de hiervoor weergegeven onderzoeksresultaten is slechts een conclusie mogelijk: een als verzekerde, tevens sleutelhouder aan te merken persoon is negatief betrokken bij het ontstaan van de brand.

Wij bevestigen u, dat wij niet tot schadevergoeding zullen overgaan. Wij verlenen in dit geval primair geen dekking omdat ons een beroep toekomt op het bepaalde in artikel 7:952 van het Burgerlijk Wetboek: “De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt”.

In artikel 6.2 (pagina 9) voorwaarden woonhuisverzekering en artikel 7.2 (bladzijde 13) voorwaarden inboedelverzekering is eveneens vermeld, dat RVS geen schade vergoedt aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.

Op basis van de inhoud van de verschillende verklaringen, afgezet tegen de resultaten van het technische sporenonderzoek is voorts komen vast te staan, dat de door u beide afgelegde verklaringen onmogelijk als juist en volledig in overeenstemming met de waarheid kunnen worden aangemerkt.

In artikel 7 (pagina 9) voorwaarden woonhuisverzekering en artikel 8 (pagina 13) voorwaarden inboedelverzekering is onder meer bepaald, dat verzekerde zich in geval van een schademelding dient te onthouden van elke handeling die het belang van RVS ten aanzien van die gebeurtenis schaadt.

Ons komt in dit geval mede een beroep toe op artikel 9 (pagina 5) van de algemene polisvoorwaarden: “Alle vorderingen die een verzekeringnemer/verzekerde geldend wenst te maken vervallen zodra de verzekeringnemer/verzekerde enige krachtens deze overeenkomst op hem/haar rustende verplichting niet is nagekomen en daardoor een redelijk belang van RVS heeft geschaad.” En voorts “in geval van fraude bij of na verwezenlijking van het risico, behoudens voor zover de fraude het verval van recht op uitkering niet rechtvaardigt.” Dit laatste is hier beslist niet aan de orde.

Ook op grond van artikel 9 kan er geen aanspraak op schadevergoeding worden gemaakt.

Er is sprake van een ernstige vertrouwensbreuk. Reden voor ons om de schadeverzekeringen in overeenstemming met de toepasselijke polisvoorwaarden aan u op te zeggen.

(…)

Hieruit volgt, dat met onmiddellijke ingang de Paraplupakket verzekering met polisnummer

[nummer] komt te vervallen waardoor de inboedel en het woonhuis niet meer bij ons zijn verzekerd (…)

Wij zullen de volgende risico’s in overeenstemming met de polis, indien de laatst verschenen premie is voldaan, nog gedekt houden tot:

- 1 juli 2011 (motorrijwielverzekering; polisnummer [nummer])

- 1 januari 2012 (personenautoverzekering; polisnummer [nummer])

(…)

Op grond van voormelde feiten hebben wij de gegevens van u beiden opgenomen in ons incidentenregister. (…)

Daarnaast hebben wij de personalia van u beide doorgegeven aan de Stichting CIS in Zeist. (…)

Tevens hebben wij het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte gebracht van de opname van uw gegevens in het Incidentenregister. (…)

2.12. [eiser] heeft onderzoeksbureau Custos Contra Forensics (hierna: Custos) ingeschakeld om de oorzaak en toedracht van de brand nader te laten onderzoeken.

Custos heeft haar bevindingen gerapporteerd in haar rapport van 14 maart 2011 (met aanvulling van 3 mei 2011). Custos resumeert en concludeert daarin als volgt:

Samenvatting

Op basis van de resultaten van het technisch onderzoek, tactisch onderzoek en de afgelegde verklaringen wordt gesteld dat;

• alleen aan de achterdeur waren beschadigingen aanwezig; andere gevelopeningen, waaronder het keukenraam waren tijdens de brand slotvast afgesloten

gezien de ouderdom van de achterdeur en het slotwerk, kan niet uitgesloten worden dat onbekende(n) gebruik hebben gemaakt van een valse sleutel.

(…)

• de beschadigingen aan de achterdeur niet werden veroorzaakt tijdens het op enigerlei wijze daadwerkelijk forceren van het slot en of de deur/deurpost

• de achterdeur niet was afgesloten of met een passende cilindersleutel werd ontsloten

• de sluitplaat en een bevestigingschroef daarvan werden uitgebroken terwijl de deur openstond

• niet uitgesloten kan worden, dat met recente methodes dergelijke cilindersloten middels een valse sleutel geopend kunnen worden.

• de oorzaak van de brand zeer waarschijnlijk brandstichting betreft met open vuur in folderpapier onder de gaskookplaat onder het aanrecht; dit op basis van uitsluiting van een technische oorzaak

(…)

• het een beperkte brand betrof, die zeer waarschijnlijk kort voor ontdekking werd gesticht

(…)

• voor ons niet vast staat dat terpentine in de brand was betrokken

• de pasregistratie van [naam bedrijf] vanwege een storing niet goed heeft gewerkt en deze los moet worden gezien van de verklaring van mevrouw [naam partner] en zij een sluitend alibi heeft.

• zodoende de heer [eiser] en mevrouw [naam partner] voor het tijdstip van het ontstaan van de brand een sluitend alibi hebben en niet ter plaatse kunnen zijn geweest.

• Door de brand zijn verzekeringnemers zowel financieel als emotioneel gedupeerd. Gezien het feit dat zaken met emotionele waarde (erfstukken) bij de brand verloren zijn gegaan.

2.13. In een e-mailbericht van 2 mei 2011 heeft CED een reactie gegeven op het rapport van Custos van 14 maart 2011.

2.14. Op 8 augustus 2011 heeft Custos een aanvullende rapportage opgesteld. Hierin is ingegaan op de mogelijkheid dat met de derde sleutel die aan de sleutelbos van de garage zat en die in de keuken aan een haakje hing, de buren op nummer 2, de familie [naam buren], (hierna: de buren) de woning van [eiser] zijn binnengekomen en brand hebben gesticht.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, RVS te veroordelen:

I. bij wijze van voorschot op de schade-uitkering tot betaling van een bedrag van

€ 50.000,00 aan [eiser], althans een in redelijke justitie te bepalen voorschot op de schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat RVS in verzuim is (7 december 2010) tot aan de dag der algehele voldoening;

II. de beëindiging van de verzekeringen met polisnummers [nummer], [nummer] en [nummer] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht ongedaan te maken en deze verzekeringen per 7 december 2010 voort te zetten;

III. om uiterlijk vijf dagen na betekening van dit vonnis de interne registratie in het incidentenregister van RVS en de externe registratie bij de Stichting CIS te Zeist en bij het Verbond van Verzekeraars ongedaan te (laten) maken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00, althans een door de voorzieningen¬rechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat RVS niet aan het gevorderde voldoet;

IV. in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Hij stelt dat nu RVS niet heeft aangetoond dat hijzelf dan wel [naam partner] negatief betrokken is geweest bij het ontstaan van de brand in de woning, RVS de verzekeringsovereenkomsten moet nakomen door hem de schade aan zijn woning en inboedel ten gevolge van die brand te vergoeden. [eiser] stelt dat RVS door de weigering om die schade te vergoeden en door de beëindiging van de verzekeringsovereen¬kom¬sten toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van die verzekeringsovereenkomsten. Daarnaast stelt [eiser] dat RVS onrechtmatig heeft gehandeld door zijn gegevens op te nemen in het interne incidentenregister van RVS, waaronder ook begrepen het doorgeven van die registratie aan het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars en de door de opname van zijn gegevens in het externe verwijzingsregister van de Stichting CIS.

3.3. [eiser] stelt dat de woning sinds 1 oktober 2010 onbewoonbaar is vanwege de brandschade. Hij stelt een spoedeisend belang te hebben bij uitbetaling van een voorschot op de verzekeringspenningen teneinde zijn woning te herstellen, zodat hij de woning weer kan bewonen. Ook stelt hij een spoedeisend belang te hebben bij voortzetting van de door RVS opgezegde of beëindigde verzekeringen of om elders andere verzekeringen te kunnen afsluiten, nu hij de risico’s van schade aan zijn woning niet zelf kan dragen en hij geen motorrijtuigen kan verzekeren of andere verzekeringen kan afsluiten vanwege de CIS-melding en de registratie bij het Verbond van Verzekeraars.

3.4. RVS voert verweer. RVS is op basis van de onderzoeksrapporten van 26 oktober 2010 en 22 november 2010 van CED van mening dat er sprake is geweest van opzettelijke brandstichting door [eiser] en/of [naam partner], zodat op die grond RVS geen verzekeringspenningen hoeft uit te keren. Voorts stelt RVS dat gelet op de negatieve betrokkenheid van [eiser] en/of [naam partner] bij de oorzaak van de brand de verzekeringsovereenkomsten terecht zijn beëindigd en [eiser] op goede gronden in de interne en externe registratiesystemen is opgenomen.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang van [eiser] vloeit in voldoende mate voort uit zijn stellingen en standpunten. RVS heeft het spoedeisend belang van [eiser] bij de ingestelde vorderingen ter zitting ook uitdrukkelijk erkend.

4.2. De vordering onder I, waarin een voorschot op de schade-uitkering (de verzeke¬ring¬¬spenningen) wordt verzocht, strekt tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling (restitutierisico), welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Met inachtneming hiervan wordt als volgt overwogen.

4.3. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een voldoende aannemelijke (geld)vordering van [eiser] op RVS dient te worden beoordeeld of RVS verzekeringspenningen is verschuldigd aan [eiser] in verband met de brand die in de woning van [eiser] op 1 oktober 2010 heeft gewoed.

4.4. Het standpunt van RVS is dat zij niet gehouden is enige uitkering krachtens de verzekeringsovereenkomsten te doen omdat een verzekerde, [eiser] en/of [naam partner], in negatieve zin betrokken is geweest bij het ontstaan van de brand en er aldus sprake is van opzet in de zin van artikel 7:952 BW en de polisvoorwaarden (artikel 6.2 van de Voorwaar¬den Woonhuisverzekering en artikel 7.2 van de Voorwaarden Inboedelverzekering), waarin vermeld staat dat RVS geen schade vergoedt aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.

4.5. Nu RVS ter bevrijding van haar betalingsverplichting uit de verzekeringsovereen¬komsten stelt dat de brand en de daaruit voorkomende schade zijn veroorzaakt door opzet van [eiser] en/of [naam partner] (negatieve betrokkenheid van een van de verzekerden bij de brand), dient RVS om aan [eiser] schade-uitkering te kunnen weigeren in een bodemprocedure op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv het bewijs te leveren van haar stelling en dus van de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van opzettelijke brandstichting door [eiser] en/of [naam partner]. Ook uit artikel 7:952 BW volgt dat het in beginsel aan de verzekeraar is om te bewijzen dat de schade door opzet of roekeloosheid van de verzekerde is ontstaan. De bewijslast rust dus op de verzekeraar.

Dit betekent dat het risico dat onbewezen en dus onopgelost blijft wie de brand heeft gesticht voor risico van de verzekeraar komt (vgl. HR 12 januari 2001, NJ 2001, 419).

4.6. In dit kort geding dient beoordeeld te worden of op dit moment al zodanig duidelijk is dat er in een eventuele bodemprocedure door RVS dekking verleend moet worden en schadepenningen uitgekeerd moeten worden, dat reeds nu in kort geding een voorschot op die schadepenningen toewijsbaar is. Daartoe moet een inschatting worden gemaakt van de kans dat RVS in een bodemprocedure in het bewijs zal slagen van haar verweer dat een van de verzekerden negatief betrokken is geweest bij de brand. De vraag is dus thans of RVS met wat er nu aan bewijs ligt, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een bodem¬procedure in dat bewijs zal slagen. Met inachtneming hiervan wordt als volgt overwogen.

4.7. Zowel CED als Custos hebben onderzoek gedaan naar het ontstaan en de toedracht van de brand. Beide onderzoeksbureaus constateren dat de brand is ontstaan onder het keukenblok ter plaatse van het fornuis. Zowel CED als Custos concluderen dat er sprake is geweest van brandstichting. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Beide onderzoeks¬bureaus constateren dat er braakschade is aan de achterdeur. Evenals de politie stellen zowel CED als Custos vast dat de schade aan de achterdeur en de deurpost niet kan hebben geleid tot het openbreken van de achterdeur en dat de braakschade dus moet zijn ontstaan toen de achterdeur open stond. Partijen zijn het er over eens dat na het openen van de achterdeur gefingeerde braakschade is aangebracht. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat geen toegang tot de woning is verkregen door middel van braak, maar dat dat met behulp van een sleutel moet zijn geweest. Ook staat vast dat alleen [eiser] en [naam partner] de beschikking hadden over de sleutel van de woning. Niet is gesteld of gebleken dat ook anderen rechtmatig de beschikking hadden over een sleutel. Vast staat aldus dat er sprake was van opzettelijke brandstichting in de woning waarbij de toegang tot de woning niet door middel van braak is verkregen. Tussen partijen is verder niet in geschil dat [naam partner] de woning voor haar vertrek naar haar werk bij [naam bedrijf] had afgesloten en dat dus later toegang is verkregen met een sleutel. Partijen verschillen van mening over de identiteit van de brandstichter.

4.8. In navolging van CED concludeert RVS dat het een sleutelhouder en dus [eiser] of [naam partner] moet zijn geweest die de achterdeur heeft geopend en de brand heeft gesticht. [eiser] stelt daarentegen met verwijzing naar het rapport van Custos dat de brand niet is gesticht door [eiser] en/of [naam partner] en dat er geen aanwijzing is voor negatieve betrokkenheid van [eiser] en/of [naam partner] bij de brand. [eiser] stelt op basis van het Custos-rapport dat het ook mogelijk is dat het slot van de achterdeur is geopend met een loper of een andere nieuwe techniek, zodat het niet een sleutelhouder hoeft te zijn geweest die de achterdeur heeft geopend. Daarnaast stelt [eiser] dat het ook mogelijk is dat met de derde sleutel die aan de sleutelbos van de garage zat en die in de keuken aan een haakje hing de buren de woning zijn binnengetreden en vervolgens de brand hebben gesticht. Daartoe stelt hij dat hij die sleutelbos op 28 september 2010 tijdens een vechtpartij met de buren waarschijnlijk heeft verloren en zodoende de buren in het bezit daarvan zijn gekomen. [eiser] acht de buren in staat tot brandstichting omdat zij hem hadden gedreigd zijn woning in brand te steken, waarvan [eiser] ook aangifte bij de politie had gedaan. [eiser] stelt dat hij een moeizame relatie had met de buren en dat hij door hen meerdere keren is uitgescholden, bedreigd en mishandeld.

4.9. De hierboven onder 4.7 genoemde feiten en omstandigheden vormen bij elkaar genomen een aanwijzing voor de veronderstelling dat de brand opzettelijk moet zijn gesticht door [eiser] en/of [naam partner] als sleutelhouder, maar zekerheid over de identiteit van de brandstichter leveren ze niet op.

4.10. Daar staat tegenover dat blijkens de stukken zowel [eiser] als [naam partner] een alibi hadden. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat [eiser] de nacht voorafgaande aan de ochtend van de brand bij zijn moeder in [plaats] heeft doorgebracht. RVS stelt dat het alibi van [eiser] niet waterdicht is en dat het zeer goed mogelijk is dat [eiser] tussendoor naar de woning is gegaan om brand te stichten. In de onderzoeken van beide onderzoeksbureaus is echter geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de veronderstelling dat [eiser] daar ook tussen¬tijds is geweest. Niet blijkt bijvoorbeeld dat iemand hem in de buurt van de woning heeft gesignaleerd omstreeks het tijdstip van de brandstichting. Er zijn verder ook geen feiten of omstandigheden gesteld die het vermoeden van RVS, dat [eiser] vanuit de woning van zijn moeder even op en neer zou zijn geweest naar zijn eigen woning om de brand te stichten, rechtvaardigen. Ook het alibi van [naam partner] heeft RVS niet kunnen ontkrachten. Vast staat dat zij op de dag van de brand op haar werk is geweest bij [naam bedrijf]. Dat blijkt uit de pasregistratie van de werknemers bij [naam bedrijf] en uit verklaringen van collega’s van [naam partner]. Het zou kunnen zijn dat [naam partner] tussendoor weg is geweest bij [naam bedrijf] om brand in de woning te stichten, zoals RVS stelt. Echter, ook daarvoor zijn geen concrete aan¬knopingspunten in de stukken te vinden. Door RVS wordt bovendien erkend dat het pasregistratiesysteem bij [naam bedrijf] gebrekkig was, zodat daaruit geen onomstotelijk bewijs valt af te leiden. Ook bij het betwisten van het alibi van [naam partner] blijft RVS speculatief. De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat RVS onvoldoende onderbouwd aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] dan wel [naam partner] op het moment van de brand in de woning ter plaatse waren om de brand te stichten.

4.11. Daarnaast ontbreekt er ook een duidelijk motief voor [eiser] en [naam partner] om de woning in brand te steken. RVS merkt de slechte verhouding met de buren aan als motief voor de brandstichting. [eiser] heeft echter geen belang bij de brand en de schade-uitkering van RVS, omdat dit zijn probleem met de buren niet oplost. [eiser] is immers na de brand nog altijd eigenaar van de woning, die door de brand fors in waarde zal zijn gedaald en moeilijker te verkopen zal zijn, zodat hij daarmee nog niet van zijn buren af is. Dat na herstel van de brandschade na uitkering onder de verzekering de woning meer waard zal zijn dan voorheen is ook niet gesteld of gebleken. Kortom: er valt bij deze stand van zaken niet in te zien welk redelijk eigen belang van [eiser] of [naam partner] met de brandstichting is gediend.

4.12. Voorts is er onduidelijkheid over wat er met de sleutelbos van de garage die in de keuken aan een haakje hing is gebeurd. Over die sleutelbos heeft [eiser] verklaard, welke verklaring door Custos is opgetekend in het aanvullend rapport van 8 augustus 2011, dat hij die op 28 september 2010 tijdens een vechtpartij met de buren in een struik is kwijtgeraakt. [eiser] vermoedt dat de buren die sleutelbos hebben gevonden en daarmee de woning zijn binnengetreden op 1 oktober 2010 om vervolgens in de woning brand te stichten. [eiser] acht de buren daartoe in staat omdat zij hem al meerdere keren verbaal en fysiek hebben bedreigd en ook hebben gedreigd met het in brand steken van zijn woning. RVS vindt dit verhaal van [eiser] over de sleutelbos van de garage ongeloofwaardig omdat [eiser] daar heel laat mee is gekomen. RVS dan wel CED heeft daarnaar echter geen onderzoek gedaan. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de verklaring van [eiser] over die sleutelbos van de garage en zijn vermoeden dat de buren daarmee in de woning brand hebben gesticht juist kan blijken te zijn. Wat er precies met de sleutelbos van de garage is gebeurd kan in dit kort geding niet opgehelderd worden. Daarvoor is nader onderzoek nodig, waarvoor een kort geding zich niet leent.

4.13. Dit alles in onderling verband en samenhang beschouwd is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat thans niet voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] of [naam partner] zelf de hand heeft gehad in de brandstichting. Niet is gesteld of gebleken dat RVS aanvullend bewijs in een eventuele bodemprocedure kan leveren waaruit wel afgeleid kan worden dat [eiser] of [naam partner] zelf de brand in de woning heeft aangestoken. RVS heeft daartoe ook geen concrete te bewijzen feiten of omstandigheden gesteld. Dit betekent naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat thans niet kan worden aangenomen dat het verweer van RVS ter bevrijding van haar betalingsverplich¬ting uit de verzekeringsovereen¬komsten in de bodem¬procedure zal slagen, zodat RVS gehouden is om de verzekeringsovereenkomsten na te komen.

4.14. Ook het beroep van RVS op artikel 9 van de Algemene Polisvoorwaarden in combinatie met artikel 7 van de Voorwaarden Woonhuisverzekering en artikel 8 van de Voorwaarden Inboedelverzekering, ter bevrijding van haar betalingsverplichting, faalt.

Op grond van deze artikelen vervalt de aanspraak van verzekerde indien deze verzekerde zich in geval van schademelding niet onthoudt van elke handeling die het belang van RVS ten aanzien van die gebeurtenis schaadt, en in geval van fraude bij of na verwezenlijking van het risico, behoudens voor zover de fraude het verval van recht op uitkering niet rechtvaardigt. Gelet op het hiervoor overwogene over de vermeende negatieve betrokkenheid van [eiser] en/of [naam partner] bij de brand, heeft RVS niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] of [naam partner] een dergelijke handeling heeft verricht of fraude heeft gepleegd en dat die fraude het weigeren van uitkering aan [eiser] rechtvaardigt. Dit betekent dat RVS ook op deze grond niet gerechtigd is verzekeringsdekking te weigeren.

4.15. Uit het voorgaande volgt dan ook dat thans voldoende aannemelijk is dat [eiser] aanspraak kan maken op verzekeringspenningen c.q. schade-uitkering van RVS ten gevolge van de brand in zijn woning en dat hij dientengevolge een (geld)vordering heeft op RVS.

4.16. Nu uitgegaan kan worden van een spoedeisend belang van [eiser], omdat dit door [eiser] uitdrukkelijk is erkend, dient vervolgens het gestelde restitutierisico aan de zijde van [eiser] beoordeeld te worden. RVS stelt dat er een groot restitutierisico is omdat de woning van [eiser] geen reëel verhaalsobject meer is, nu de woning is afgebrand en de woning bovendien geheel is verhypothekeerd. De voorzieningenrechter erkent dat er mogelijk enig restitutierisico bestaat. Echter, het gaat hier om een voorschot op een uitkering van verzekeringspenningen, waarvan hierboven is vastgesteld dat voldoende vaststaat dat [eiser] die verzekeringspenningen toekomen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het restitutierisico aanvaardbaar, zodat dit restitutierisico, bij afweging van de belangen van partijen niet aan toewijzing van een voorschot op de hiervoor onder 4.15 genoemde (geld)vordering in de weg staat.

4.17. Vervolgens dient de omvang van het toe te wijzen voorschot bepaald te worden. Vast staat dat de schade van [eiser] door de brand nog niet is begroot. De schade-expert van RVS heeft bij een voorlopige raming van de schade aan RVS geadviseerd om een bedrag van € 40.000,00 te reserveren voor de schade aan de opstal en een bedrag van

€ 20.000,00 voor de schade aan de inboedel, een en ander is afhankelijk van nader onderzoek. RVS stelt dat indien er al enig bedrag als voorschot voor toewijzing gereed ligt, dat in ieder geval niet meer dan € 20.000,00 behoort te zijn. Gelet op de voorlopige raming acht de voorzieningenrechter een bedrag van € 25.000,00 bij wijze van voorschot op de schade-uitkering redelijk, zodat dit bedrag zal worden toege¬wezen. Het risico dat daardoor te veel wordt betaald door RVS acht de voorzieningen¬rechter aanvaardbaar klein.

De voorzieningen¬rechter ziet geen aanleiding aan de toewijzing van dit voorschot de eis te verbinden van een door [eiser] aan RVS te verstrekken deugdelijke bankgarantie.

Het ligt gezien de uitkomst van dit kort geding voor de hand dat RVS op korte termijn tot nauwkeurige schadevaststelling zal overgaan.

4.18. De gevorderde rente vanaf 7 december 2010 kan worden toegewezen nu RVS daarop geen verweer heeft gevoerd.

4.19. Ten aanzien van de vordering onder II tot ongedaanmaking van de beëindiging van de verzekeringen van [eiser] bij RVS geldt het volgende. RVS heeft alle verzekerings¬polissen van [eiser] per 7 december 2010 geroyeerd dan wel opgezegd per 1 juli 2011 respectievelijk 1 januari 2012. Vast staat dat alle verzeke¬ringen van [eiser] bij

RVS zijn beëindigd, omdat [eiser] en/of [naam partner] wordt verdacht van negatieve betrokkenheid bij de brandstichting in de eigen woning en dus van verzekerings¬fraude. Hiervoor is reeds uitvoerig overwogen dat voorshands geoordeeld RVS onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] dan wel [naam partner] betrokken is geweest bij de brandstichting. Dit betekent dat hiermee de reden voor de beëindiging van de verzekeringen geen stand houdt. Gelet hierop dient de vordering van [eiser] tot ongedaan¬making

van de beëindiging van de verzekeringen onder het Paraplupakket met polisnummer

[nummer] te worden toegewezen. Dit geldt niet voor de andere verzekeringen - de motorrijwielverzekering met polisnummer [nummer] en de autoverzekering met polisnummer [nummer] - van [eiser]. Deze verzekeringen zijn door RVS opgezegd tegen de premievervaldatum. RVS stelt dat zij daartoe contractueel (volgens de polisvoor¬waarden) sowieso bevoegd was, dus los van de hierboven genoemde fraudeverdenking.

[eiser] heeft dit niet betwist, zodat hiervan in dit kort geding kan worden uitgegaan. Dit betekent dat RVS de beëindiging van die verzekeringen per premievervaldatum niet hoeft terug te draaien. Dit deel van de vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.

4.20. Wat betreft de vordering onder III tot opheffing van de interne en externe registraties van [eiser] wordt het volgende overwogen. Die registraties zijn bedoeld voor verzekerden die bewust over de schreef zijn gegaan ten opzichte van de verzekeraar. Het gaat bijvoorbeeld om verzekerden die verzekeringsfraude hebben gepleegd of hebben geprobeerd de verzekeraar op te lichten. Vast staat dat deze registraties ook het gevolg zijn van de weigering van RVS om schade uit te keren, omdat [eiser] wordt verdacht van negatieve betrokkenheid bij de brandstichting in zijn eigen woning en dus van verzekerings¬fraude. Gelet op het voorlopige oordeel hierboven dat [eiser] niet negatief betrokken is geweest bij de brand dienen zowel de interne registraties bij RVS als de externe registraties bij de Stichting CIS en bij het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars ongedaan te worden gemaakt. Deze veroordeling zal zoals gevorderd worden versterkt met een dwangsom, die zal worden gematigd en aan een maximum zal worden gebonden.

4.21. RVS zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,81

- griffierecht € 800,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.706,81

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt RVS om aan [eiser] bij wijze van voorschot op de schade-uitkering te betalen een bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 7 december 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt RVS de beëindiging van de verzekeringen onder het Paraplupakket

met polisnummer [nummer] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht ongedaan te maken en deze verzekeringen per 7 december 2010 voort te zetten,

5.3. veroordeelt RVS om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de interne registratie in het incidentenregister van RVS en de externe registraties bij de Stichting CIS te Zeist en bij het Verbond van Verzekeraars ongedaan te (laten) maken,

5.4. veroordeelt RVS om aan [eiser] een dwangsom te betalen van

€ 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.3 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.5. veroordeelt RVS in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.706,81,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 14 oktober 2011.