Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BT8896

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
758680 - CV EXPL 11-5640
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdsom vóór dagvaarding voldaan. Op grond van art. 6:95 jo. 96 lid 2 onder c BW komt als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking ‘redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte’, behoudens voor zover krachtens art. 241 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Toewijzing buitengerechtelijke kosten. Compensatie proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 758680 \ CV EXPL 11-5640 \ BE\471\sjm

uitspraak van 17 oktober 2011

vonnis

in de zaak van

de maatschap [eisende partij]

gevestigd te [vestigingsplaats]

eisende partij

gemachtigde G.J. Hommersom

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 mei 2011 met een productie

- de akte houdende vermindering van eis

- de conclusie van antwoord met een productie

- de conclusie van repliek met producties

- de conclusie van dupliek met een productie.

2. De feiten

2.1. [eisende partij] heeft kort na 24 februari 2011 in opdracht en voor rekening van [gedaagde partij] tandtechnische werkzaamheden verricht aan haar gebitsprothese. In verband met deze werkzaamheden heeft [eisende partij] [gedaagde partij] een factuur van 3 maart 2011 toegezonden ten bedrage van € 147,29 met een betalingstermijn van vier weken. Op 5 april 2011 en 19 april 2011 heeft [eisende partij] een herinnering voor deze factuur aan [gedaagde partij] verzonden. Op 19 april 2011 is [gedaagde partij] in de praktijk van [eisende partij] verschenen met de mededeling dat de klachten niet waren verholpen en dat zij niet tot betaling van de factuur zou overgaan. [eisende partij] heeft aangeboden naar de prothese te zullen kijken, maar [eisende partij] heeft aangegeven hiervan af te zien in verband met de oplopende kosten. Op 3 mei 2011 heeft [eisende partij] een derde en laatste herinnering aan [gedaagde partij] verzonden. [eisende partij] heeft de vordering daarna ter incasso aan de gemachtigde uit handen gegeven. De gemachtigde heeft [gedaagde partij] op 17 mei 2011 gesommeerd om tot betaling over te gaan.

2.2. Op 19 mei 2011 heeft [eisende partij] een bedrag van € 147,27 van [gedaagde partij] ontvangen.

3. De vordering en het verweer

3.1. [eisende partij] vordert de veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling aan haar van een bedrag van € 44,15 (€ 0,02 hoofdsom, € 44,03 buitengerechtelijke kosten en € 0,10 wettelijke rente tot en met 20 juni 2011), te vermeerderen met de wettelijke rente na 20 juni 2011 en de proceskosten.

3.2. [eisende partij] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Eerst na daartoe herhaaldelijk te zijn aangemaand heeft [gedaagde partij] op 19 mei 2011 een bedrag van € 147,27 voldaan op de aan haar toegezonden factuur van 3 maart 2011. Nu [gedaagde partij] heeft nagelaten de hoofdsom volledig te voldoen en [eisende partij] haar vordering uit handen heeft gegeven alvorens [gedaagde partij] tot betaling is overgegaan, maakt [eisende partij] naast de gevorderde rente ook aanspraak op de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. [eisende partij] is niet btw-plichtig. Daarom is [gedaagde partij] ook de btw over de buitengerechtelijke kosten verschuldigd.

3.3. [gedaagde partij] voert als verweer aan dat [eisende partij], naar de kantonrechter begrijpt, nodeloos tot dagvaarding is overgegaan. Aanvankelijk hadden partijen een discussie over de vraag in hoeverre het gerechtvaardigd was dat [eisende partij] voor haar werkzaamheden bij [gedaagde partij] kosten in rekening gebracht had, omdat het ging om herstelwerkzaamheden in verband met een slecht passende gebitsprothese. Uiteindelijk heeft [gedaagde partij] zich neergelegd bij het standpunt van [eisende partij] en is [gedaagde partij] op 19 mei 2011 overgegaan tot betaling van het aan haar in rekening gebrachte bedrag. Volgens [gedaagde partij] is het daarom onredelijk dat [eisende partij] op 27 mei 2011 tot dagvaarding is overgegaan. Bovendien betwist [gedaagde partij] dat zij aanmaningen van [eisende partij] heeft ontvangen.

4. De beoordeling

4.1. Uiteindelijk heeft [gedaagde partij] zich neergelegd bij het standpunt van [eisende partij] en is zij zonder protest overgegaan tot betaling van een bedrag van € 147,27 op de factuur van 3 maart 2011. Daarom houdt de kantonrechter het ervoor dat deze factuur terecht aan [gedaagde partij] is verzonden. Nu [gedaagde partij] op de factuur van 3 maart 2011 een bedrag van € 0,02 onbetaald heeft gelaten, zal dit bedrag worden toegewezen.

4.2. Vast staat dat [gedaagde partij] in gebreke is gebleven de factuur van 3 maart 2011 te voldoen, terwijl [gedaagde partij] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering tot betaling van de wettelijke rente. Daarom zal de vordering tot betaling van de wettelijke rente worden toegewezen.

4.3. Als verweer tegen de betaling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft [gedaagde partij] in haar conclusie van antwoord aangevoerd dat zij geen aanmaningsbrieven ontvangen. [eisende partij] heeft dit verweer bij conclusie van repliek gemotiveerd weersproken. Op deze weerlegging is [gedaagde partij] bij dupliek niet ingegaan. Daarom moet de kantonrechter het er voor houden dat de door (de gemachtigde van) [eisende partij] verzonden aanmaningsbrieven [gedaagde partij] hebben bereikt.

4.4. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten baseert [eisende partij] primair op haar algemene voorwaarden en subsidiair op het bepaalde in de artikelen 6:74 en 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

[eisende partij] heeft niet onderbouwd dat op de overeenkomst tot het verrichten van tandtechnische werkzaamheden algemene voorwaarden van toepassing zijn. Het gaat daarom om de vraag of de vordering toewijsbaar is op grond van art. 6:74 BW. Op grond van dit wetsartikel heeft [eisende partij] recht op vergoeding van vermogensschade wegens de te late betaling van de factuur door [gedaagde partij]. [eisende partij] stelt dat hij vermogenschade heeft geleden doordat hij de incasso van zijn vordering in handen heeft gesteld van zijn gemachtigde aan wie hij ter zaken van gemaakte en nog te maken kosten van incasso de som van € 44,03 (inclusief omzetbelasting) verschuldigd is geworden.

4.5. Op grond van art. 6:95 jo. 96 lid 2 onder c BW komt als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking ‘redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte’, behoudens voor zover krachtens art. 241 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. In verband met dit laatste voorbehoud geldt dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking komen indien zij dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden ter voorbereiding op de procedure. In een dergelijke situatie wordt de proceskostenveroordeling ex art. 237 Rv geacht betrekking te hebben op deze verrichtingen. In dit geval gaat het echter om een zogeheten geslaagde incasso in die zin dat na de aanmaningsbrief van gemachtigde (en voor het uitbrengen van de dagvaarding) tot betaling van de hoofdsom is overgegaan en er geen procedure is over de betaling van de hoofdsom. Dat nog een bedrag van € 0,12 betaald moet worden acht de kantonrechter – gelet op de hoogte ervan – niet relevant.

4.6. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende vast staat dat het uithanden geven van een vordering en het verzenden van een aanmaningsbrief door de gemachtigde kosten met zich mee brengt. De gevorderde kosten komen de kantonrechter redelijk voor. Deze vordering wordt daarom toegewezen.

4.7. Met betrekking tot de proceskosten geldt dat de dagvaarding achteraf gezien slechts betrekking had op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten omdat de gevorderde restant hoofdsom en wettelijke rente als miniem moeten worden aangemerkt. [eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] zich na het uitbrengen van de dagvaarding tegen die kosten is blijven verzetten, maar dat wordt in conclusie van dupliek gemotiveerd betwist en staat daarom niet vast. De kantonrechter leidt uit de conclusie van dupliek af dat [gedaagde partij] de beslissing over de buitengerechtelijke incassokosten aan de rechter heeft overgelaten nu de dagvaarding al was uitgebracht. De kantonrechter gaat ervan uit dat die (beperkte) kosten wel betaald waren indien daar na ontvangst van de hoofdsom om gevraagd was en de dagvaarding niet direct was uitgebracht. Van [eisende partij] mocht ook verwacht worden dat niet direct tot dagvaarding werd overgegaan. Dat hieraan waarschijnlijk ten grondslag ligt dat de gemachtigde er niet mee op de hoogte was dat [eisende partij] de hoofdsom had ontvangen komt in dit verband voor rekening en risico van [eisende partij]. Gelet op het voorgaande is een compensatie van de proceskosten op zijn plaats.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 44,15 (€ 0,02 hoofdsom en € 0,10 wettelijke rente tot en met 20 juni 2011), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 0,02 vanaf 21 juni 2011 tot aan de dag van de volledige betaling;

5.2. compenseert de proceskosten in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt;

5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2011.