Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BT8047

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
11/1825, 11/1827 en 11/1828
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan de nutsbedrijven een raamvergunning op basis van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 en de Waterwet, alsmede een raamontheffing ingevolge de Wegenverordening verleend.

De onderhavige raamvergunning en raamontheffing zijn niet gericht op rechtsgevolg. Geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb; verweerder heeft de bezwaren ten onrechte ontvankelijk geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 11/1825, 11/1827 en 11/1828

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 8 september 2011.

inzake

[Eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats],

tegen

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluiten van verweerder van 28 maart 2011.

2. Procesverloop

Bij brieven van 20, 21 en 22 december 2010 heeft verweerder aan [nutsbedrijf]rijven] een raamvergunning op basis van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 en een raamontheffing ingevolge de Wegenverordening verleend.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de daartegen gemaakte bezwaren kennelijk ongegrond verklaard en de raamvergunningen en raamontheffingen gehandhaafd.

Tegen deze besluiten heeft eiseres beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder de nummers 11/1825 ([nutsbedrijf]), 11/1827 ([nutsbedrijf]) en 11/1828 ([nutsbedrijf]).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 16 augustus 2011. Eiseres is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.T.G.M. van Dinther-Broeksteeg, werkzaam bij verweerders waterschap.

3. Overwegingen

3.1 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit – waartegen op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb een bezwaarschrift kan worden ingediend – verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3.2 [nutsbedrijven] hebben eind 2010 een aanvraag gedaan voor een raamvergunning dan wel raamontheffing.

In reactie daarop heeft verweerder aan elk van deze drie nutsbedrijven een raamvergunning op basis van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 en de Waterwet, alsmede een raamontheffing ingevolge de Wegenverordening verleend, geldig tot 1 januari 2012, voor het binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland leggen, hebben, vervangen en onderhouden van kabels en/of leidingen en bijbehorende ondergrondse werken (hierna gezamenlijk aan te duiden als: de raamvergunningen).

Aan de raamvergunningen zijn voorschriften verbonden.

Volgens verweerder leidt het verlenen van raamvergunningen er toe dat door zowel het waterschap als de aanvragers efficiënter gewerkt kan worden.

3.3 In de eerste plaats dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de raamvergunningen kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met name gaat het daarbij om de vraag of er sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling en in het bijzonder of de raamvergunningen zijn gericht op rechtsgevolg.

3.3.1 De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige raamvergunningen niet zijn gericht op rechtsgevolg en overweegt daartoe als volgt.

De aanvragen hebben geen betrekking op het verrichten van concrete werkzaamheden op nader aangeduide locaties. Concrete werkzaamheden en locaties worden in de raamvergunningen dan ook niet genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in de raamvergunningen slechts in algemene zin uitgelaten over de mogelijkheid om vergunning te verlenen en zijn terzake geen concrete besluiten, gericht op rechtsgevolg genomen. De raamvergunningen geven immers (nog) niet het recht om vergunningplichtige werkzaamheden daadwerkelijk uit te voeren.

In de bij de raamvergunningen behorende algemene voorschriften is onder 1.1 bepaald dat voordat concreet werkzaamheden kunnen worden verricht een melding dient plaats te vinden middels een daarvoor bestemd meldingsformulier en duidelijke situatietekening(en) die voorzien zijn van legenda, materiaalkeuze, en toe te passen bijbehorende (ondergrondse) voorzieningen. De werken mogen niet eerder worden uitgevoerd dan dat er een schriftelijke akkoordverklaring is verkregen van verweerder (1.2 van de algemene voorschriften). Bij deze akkoordverklaring kunnen de voorschriften van de raamvergunning worden ingetrokken, gewijzigd en/of worden aangevuld.

De rechtbank is van oordeel dat in deze systematiek de melding moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb en de schriftelijke akkoordverklaring als een besluit op aanvraag, waartegen bezwaar openstaat. Pas nadat de akkoordverklaring is gegeven hebben de aanvragers een vergunning voor het verrichten van concrete werkzaamheden verkregen.

Uit het algemene voorschrift 1.2 blijkt tevens dat de verlening van de raamvergunningen niet tot gevolg heeft dat de aan een vergunning/akkoordverklaring te verbinden voorschriften vaststaan. De bij de raamvergunningen horende voorschriften moeten veeleer worden aangemerkt als voorlopige voorschriften, die afhankelijk van verdere besluitvorming van toepassing verklaard kunnen worden.

3.4 Nu de raamvergunningen niet als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn aan te merken, moet worden vastgesteld dat verweerder de bezwaren van eiseres ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

De beroepen dienen gegrond te worden verklaard en de bestreden besluiten moeten worden vernietigd. De rechtbank ziet reden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de bezwaren van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

3.5 Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat indien de raamvergunningen wel als besluiten in de zin van de Awb zouden hebben te gelden, de verlening daarvan niet in overeenstemming met de Waterwet heeft plaatsgevonden. De systematiek van de Waterwet brengt met zich dat een watervergunning alleen verleend wordt voor specifieke werkzaamheden die vooraf zijn aangevraagd. De rechtbank wijst in dat verband op artikel 6.19 van de op de Waterwet gebaseerde Waterregeling, waarin is bepaald dat in de aanvraag voor een watervergunning wordt vermeld:

a. (…);

b. de geografische aanduiding van de locatie waar de handeling wordt verricht, met behulp van:

1°. een situatietekening,

2°. een kaart met een functionele schaal die is voorzien van een noordpijl en waarop de ligging van de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven,

3°. foto’s, of

4°. andere geschikte middelen;

c. een omschrijving van de aard, de omvang, de reden en het doel van de voorgenomen handeling;

d. een beschrijving van de aard en omvang van de gevolgen van de handeling, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag;

(…..)

Duidelijk is dat de aanvragen voor de raamvergunningen daar niet aan voldoen.

3.6 De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 26,94 aan reis- en verblijfkosten (retour Lexmond-Arnhem op basis van openbaar vervoer tweede klasse). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

3.7 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

verklaart de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden besluiten;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 26,94;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 456 (drie maal € 152) aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, en mr. W.R.H. Lutjes en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 8 september 2011.