Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BT7662

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
771303 VV Expl. 8059/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een werknemer heeft vakantieverlof en aansluitend onbetaald verlof gevraagd voor een periode van een half jaar. De werkgever heeft dit verzoek afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat het belang van de werkgever tot afwijzing van de verlofaanvraag in dit geval zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van de werknemer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0840
JIN 2011/799
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Wageningen

zaakgegevens 771303 \ VV EXPL 11-8059 \ SB \ 482 \ vg

uitspraak van

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. M. van Hunnik

toevoegingsnummer [nummer]

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon Permar ws

gevestigd te Ede

gedaagde partij

gemachtigde mr. H.C.W. Geffroy

Partijen worden hierna [eisende partij] en Permar genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 september 2011 met producties;

- akte wijziging eis aan de zijde van [eisende partij];

- akte houdende producties aan de zijde van Permar d.d. 20 september 2011;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 22 september 2011 mede inhoudende de pleitnotitie van de gemachtigde van Permar.

2. De feiten

2.1. [eisende partij] is op 1 november 1982 in dienst getreden bij Permar als productiemedewerker. [eisende partij] werkt 36 uur per week op basis van een bruto inkomen van € 1.713,00 per maand exclusief vakantietoeslag. De CAO Sociale Werkvoorziening is van toepassing op de arbeidsovereenkomst.

2.2. Permar is een sociale werkplaats.

2.3. In 2008-2009 is [eisende partij] van de vestiging in Ede naar de vestiging in Barneveld overgeplaatst.

2.4. De ouders van [eisende partij] verblijven halfjaarlijks in het buitenland. Sinds 2005 hebben de ouders van [eisende partij] een landgoed in Zuid-Afrika. In de jaren voor 2005 verbleven haar ouders (vanaf ongeveer 2001) halfjaarlijks in Nieuw-Zeeland.

2.5. [eisende partij] lijdt aan obesitas. Zonder (ouderlijk) toezicht vervalt [eisende partij] in een overmatig eetpatroon, dat bekend staat als Binge Eating Disorder (BED).

2.6. In 2010 heeft [eisende partij] gevraagd om haar voor een periode van zes maanden onbetaald verlof te verlenen om met haar ouders mee te kunnen gaan naar Zuid-Afrika. In een aantal eerdere jaren heeft ze haar ouders kunnen vergezellen in overleg met Permar.

2.7. Bij brief van 23 september 2010 heeft de heer [X], algemeen directeur van Permar, aan [eisende partij], onder andere, medegedeeld:

‘In week 37 heeft uw vader gesproken met de coördinator Personeel en Organisatie, de heer [Y]. Het gesprek ging over uw verzoek om onbetaald verlof van 24 oktober 2010 tot 22 april 2011.

Van uw vader heeft de heer [Y] begrepen dat u de afgelopen jaren met uw vader mee op vakantie bent gegaan gedurende +/- 6 maanden. Voor dit jaar is het verlof u niet toegekend. Zo als toegezegd aan uw vader heeft de heer [Y] navraag gedaan betreffende de redenen van het niet toekennen van het verlof.

Wij keuren dit lange verlof niet goed, omdat wij een verplichting hebben als het gaat om uw ontwikkeling. Jaarlijks een periode van +/- 6 maanden niet aanwezig zijn op het werk belemmert ons om u verder te ontwikkelen. Vandaar dat het besluit is genomen om de verlofaanvraag af te wijzen.’

2.8. De huisarts, [Z] heeft de heer [X] inlichtingen verschaft en, onder andere, geschreven:

‘Het verzoek van [voornaam] [eisende partij] voor onbetaald verlof in de periode van 24 oktober tot 22 april 2011 om met haar ouders mee te gaan naar Zuid-Afrika heeft u afgewezen.

Zowel ik als haar ouders maken zich erg veel zorgen om haar gezondheid en dan met name haar overgewicht.

Zij kan alleen in Barneveld achterblijvend, slecht voor zichzelf zorgen. Zij gaat dan meer en vooral ongezonder eten. (veel snoepen) met alle gevolgen van dien voor haar gewicht en de risico’s voor haar gezondheid. Zij heeft toezicht en leiding nodig. Haar ouders geven haar dat.’

2.9. Bij brief van 25 oktober 2010 heeft (de personeelsadviseur van) Permar aan [eisende partij], onder meer, geschreven:

‘Op maandag 25 oktober 2010 bent u niet op het werk verschenen. Wij hebben geen verlof verleend, dus we vragen ons af waar u bent.’

2.10. [eisende partij] heeft aan Permar toestemming gevraagd voor het opnemen van vakantiedagen en aansluitend onbetaald verlof over de periode 24 oktober 2011 tot en met 20 april 2012.

2.11. Permar heeft de verlofaanvraag van [eisende partij] afgewezen.

2.12. Bij brief van 11 augustus 2011 heeft de heer [X] aan de gemachtigde van [eisende partij], onder meer, geschreven:

‘Onze raadsman heeft u bevestigd dat voor de toekomst dergelijk lange verlofaanvragen niet meer zullen worden gehonoreerd. In de voordien aan u verstuurde correspondentie is u ook medegedeeld wat daarvan de redenen zijn. Ter aanvulling daarop benadruk ik dat er voor sw-ers sprake is van een lange wachtlijst om bij Permar aan het werk te kunnen

worden gesteld. Indien uw cliënte telkens voor de duur van circa een half jaar onbetaald verlof op neemt, dan betekent dit, bij handhaving van het dienstverband, dat derden op de wachtlijst niet de arbeidsplaats van cliënte kunnen innemen. Met andere woorden, dit beperkt de doorstroming. Tevens willen wij een precedentwerking voorkomen.

Uw verzoek wordt daarom afgewezen.’

2.13. Bij brief van 16 augustus 2011 heeft de huisarts aan de gemachtigde van [eisende partij], onder meer, geschreven:

‘Al met al heeft zij dus leiding en structuur nodig. Het lijkt mij medisch onverantwoord om haar geen toestemming te geven periodiek met haar ouders in Zuid Afrika te verblijven.’

2.14. In artikel 44 van de CAO Sociale Werkvoorziening is vermeld:

‘De werkgever kan, indien daartoe naar zijn oordeel termen voor bestaan, aan een werknemer op diens verzoek, al dan niet met behoud van het gehele of gedeeltelijke loon en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 42, artikel 43 en artikel 47. Verloven van langer dan 1 jaar worden in elk geval zonder behoud van loon verleend, tenzij het verlof in het openbaar belang wordt verleend.’

3. De vordering en het verweer

3.1. [eisende partij] vordert in kort geding:

I. primair: Permar te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat [eisende partij] opgebouwde vakantiedagen met aansluitend onbetaald verlof opneemt om in de periode van 24 oktober 2011 tot en met 20 april 2012 in het buitenland te kunnen verblijven;

II. subsidiair: Permar te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan [eisende partij] schriftelijk toestemming te verlenen om opgebouwde vakantiedagen met aansluitend onbetaald verlof op te nemen om in de periode van 24 oktober 2011 tot en met 20 april 2012 in het buitenland te kunnen verblijven;

III. voor het geval Permar niet handelt conform de onder II. vermelde veroordeling, [eisende partij] voor dat geval te machtigen om het vonnis in de plaats te doen stellen van de wilsverklaring van Permar, alles op de voet van artikel 3:299 BW;

IV. Permar te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. [eisende partij] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Permar heeft ten onrechte en zonder goede reden het verzoek tot het opnemen van vakantiedagen met aansluitend onbetaald verlof afgewezen. [eisende partij] heeft om gezondsheidsredenen noodzaak tot het krijgen van (vakantie)verlof. Op grond van de CAO Sociale Werkvoorziening kan een werkgever in bijzondere situaties verlof verlenen. Permar heeft bovendien als bijzondere werkgever een verzwaarde zorgplicht op grond van het goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW. Van Permar mag dan ook meer worden verwacht dan van een standaard werkgever. [eisende partij] geeft aan dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, aangezien zij op korte termijn met haar ouders wil vertrekken.

3.3. Permar voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.2. In deze procedure moet worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten noch is er plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op stellingen die erkend of onweersproken zijn of die aannemelijk zijn geworden.

4.3. Permar heeft niet betwist dat [eisende partij] een eetprobleem heeft en dat zij, als gevolg daarvan, intensieve begeleiding nodig heeft. Partijen twisten echter over de vraag of Permar [eisende partij] in staat moet stellen om een half jaar verlof op te nemen, zodat zij bij haar ouders in Zuid-Afrika kan verblijven.

4.4. [eisende partij] stelt dat zij alleen hulp van haar ouders aanvaardt. Nu [eisende partij] in voorgaande jaren langdurig verlof heeft gekregen, wil zij dit nu weer. [eisende partij] stelt dat zij in 2008-2009 speciaal is overgeplaatst naar de vestiging in Barneveld, zodat Permar beter kon organiseren om haar halfjaarlijks naar Zuid-Afrika te laten gaan. [eisende partij] stelt dat zij daartoe een mondelinge toezegging van Permar heeft gehad. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] echter niet kunnen aangeven met wie en wanneer deze toezegging is gedaan. Permar heeft deze toezegging betwist.

4.5. Permar voert voorts aan dat [eisende partij] in het verleden verlof kon opnemen aangezien ze een groot aantal openstaande vakantiedagen had. Dat is thans niet meer het geval. Bovendien stelt Permar dat zij het voorgaande verlof (in de periode oktober 2010 - april 2011) niet heeft gehonoreerd en dat [eisende partij] desondanks is vertrokken. Permar stelt dat zij de (gemachtigde van) [eisende partij] reeds bij brief van 26 mei 2011 heeft geïnformeerd dat in het vervolg een nieuwe verlofaanvraag niet meer zou worden gehonoreerd.

4.6. De kantonrechter is, gezien het voorgaande, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het opnemen van verlof door [eisende partij] een structureel karakter heeft gekregen. Beoordeeld dient dan ook te worden of een verlof in dit geval dient te worden toegestaan.

4.7. Permar heeft bezwaren tegen het verlenen van een langdurig verlof. Permar heeft, onder meer, aangevoerd dat een SW-er bij Permar aan het werk kan nadat hij daartoe is geïndiceerd in het kader van de WSW. De SW-ers worden intensief begeleid door Permar. Een langdurige onderbreking van het arbeidsritme, zoals [eisende partij] verzoekt, heeft, volgens Permar, tot gevolg dat er opnieuw een intensieve begeleiding moet worden opgestart. Bovendien wordt [eisende partij] gedetacheerd. Indien [eisende partij] een half jaar verlof opneemt, ondervindt een inlener daardoor hinder. Voor Permar is dit onwenselijk. In plaats daarvan is een gestructureerd en continu begeleidingsproces nodig. Dit is niet danwel onvoldoende gemotiveerd betwist door [eisende partij].

4.8. Voorts voert Permar tevens aan dat er een wachtlijst is voor het verkrijgen van een arbeidsplaats. Deze wachtlijst zal, volgens Permar, als gevolg van bezuinigingsplannen alleen maar toenemen. Permar voert aan dat in geval van een lang verlof van [eisende partij], een arbeidsplaats gedurende zes maanden onbenut blijft. Bovendien wordt de doorstroming van de wachtlijst beperkt, terwijl de kosten van het openhouden van haar arbeidsplaats doorlopen. Dit is niet danwel onvoldoende gemotiveerd door [eisende partij] betwist.

4.9. De kantonrechter concludeert - voorshands oordelend - als volgt. De kantonrechter heeft begrip voor de situatie van [eisende partij]. Zij lijdt aan een ernstige ziekte en heeft voortdurend toezicht nodig. Echter, niet is gebleken dat gezocht is naar alternatieve mogelijkheden om [eisende partij] op te vangen tijdens de afwezigheid van haar ouders. Gedacht kan worden aan structurele, professionele hulp voor [eisende partij]. Die mogelijkheden zouden, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, eerst onderzocht moeten worden. Dit geldt temeer gelet op de situatie op een langere termijn. Hoewel de kantonrechter begrip kan opbrengen voor de ouders van [eisende partij], is hun keuze om halfjaarlijks in Zuid-Afrika te verblijven geen omstandigheid die Permar ertoe zou moeten dwingen haar organisatie aan te passen en de doorstroming mag beïnvloeden, gelet op de wachtlijst.

4.10. Niet is betwist dat [eisende partij] op haar werk intensief wordt begeleid. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [eisende partij], na een lange onderbreking van het werk, extra aandacht nodig heeft. Dit vergt grote inzet van Permar. Tevens is voldoende aannemelijk geworden dat Permar een wachtlijst heeft en dat het openhouden van een plek de druk op de wachtlijst vergroot, terwijl kosten worden gemaakt. De kantonrechter acht de redenen van Permar om een verlofaanvraag niet toe te staan - voorshands oordelend – dan ook voldoende zwaarwegend.

4.11. Op grond van het voorgaande wijst de kantonrechter de vordering van [eisende partij] af.

5. De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering van [eisende partij] af;

5.2. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Permar begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op