Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BT7265

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
192465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BP0984. Eiseres mag akte nemen over btw-tarief op meerwerkfactuur, om te voorkomen dat op feitelijk onjuiste gronden eindvonnis wordt gewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 192465 / HA ZA 09-2042

Vonnis van 5 oktober 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALTENA YACHTING B.V.,

gevestigd te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem,

tegen

1. [ged.1conv./eis.1reconv.],

wonende te [woon-/vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[ged.2conv./eis.2reconv.],

gevestigd te [woon-/vestigingsplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.F.M. van Vlijmen te Arnhem.

Partijen zullen hierna Altena en [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 december 2010

- het akteverzoek van Altena van 9 februari 2011

- de akte uitlating van [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] van 9 februari 2011

- de akte houdende uitlating producties tevens houdende bewijsaanbod van Altena van 6 april 2011

- de antwoordakte van [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] van 6 april 2011

- de akte tot het in geding brengen van stukken van [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] van 20 april 2011

- de antwoordakte tevens houdende bewijsaanbod van Altena van 1 juni 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. De rechtbank heeft in het vonnis van 22 december 2010 partijen in de gelegenheid gesteld een aantal standpunten nader toe te lichten. Daarop zal de rechtbank hierna ingaan, waarbij de desbetreffende onderwerpen en overwegingen uit het tussenvonnis als tussenkopjes worden vermeld. Buiten de hier bedoelde onderdelen van het debat heeft de rechtbank reeds bindende eindbeslissingen genomen – bijvoorbeeld ten aanzien van [ged.2conv./eis.2reconv.]s wanprestatie in het vonnis van 22 december 2010 onder 4.2-4.5 – en is haar niet gebleken van voldoende klemmende redenen om hierop terug te komen. Het debat is dus ingeperkt tot het navolgende.

Schade wegens het kort geding (4.21)

2.2. De rechtbank blijft bij haar standpunt dat vergoeding van de proceskosten en buitengerechtelijke kosten die betrekking hebben op een kort geding slechts in dat kort geding gevorderd kan worden. Indien Altena thans beoogt te stellen dat zij aanspraak maakt op een deel van de vergoeding daarvan krachtens een overeenkomst tussen partijen, heeft zij haar vordering onvoldoende onderbouwd. Zo stelt zij niet dat [ged.1conv./eis.1reconv.] en/of [ged.2conv./eis.2reconv.] terzake in gebreke is gesteld.

Schadeloosstelling [betrokkene1] (4.11)

2.3. Altena stelt dat zij tegemoetgekomen is aan [betrokkene1]s wens om te komen tot een schadevergoeding van ruim € 50.000,00 omdat het door hem eind juli 2009 in gebruik genomen schip nadat het naar IJmuiden gevaren en naar de HISWA gebracht was, in de stroom gebeurtenissen is geraakt die in het vonnis van 22 december 2010 onder 2.4-2.6 is beschreven. Altena zou de meerwerkfactuur ad € 21.373,00 hebben gecrediteerd en [betrokkene1] bovendien wegens te late levering € 30.500,00 hebben betaald, het laatste overigens nadat zij tot betaling van dit bedrag veroordeeld was door de voorzieningenrechter te Breda.

2.4. [ged.2conv./eis.2reconv.] stelt dat de creditnota voor € 21.373,00 van 8 oktober 2009 (vonnis van 22 december 2010 onder 4.8) een nota inclusief btw betrof. De rechtbank merkt op dat in deze creditfactuur staat dat voor btw het 0%-tarief geldt.

2.5. [betrokkene1] noemt echter in zijn naderhand verzonden e-mailbericht van 21 oktober 2009 (door Altena overgelegd bij akte van 9 februari 2011) een te crediteren meerwerknota van “€ 17.373,= (€ 21.373,= - € 4.000,=)”. Dit laat de mogelijkheid open dat de vermelding van het 0%-tarief op de factuur betekent dat berekende btw nog van het factuurbedrag afgetrokken diende te worden. Zo heeft [betrokkene1] de transactie kennelijk begrepen. De rechtbank zal Altena in de gelegenheid stellen dit toe te lichten omdat vasthouden aan wat zij op 22 december 2010 op dit onderdeel heeft beslist, zou kunnen betekenen dat zij een eindvonnis op onjuiste feitelijke gronden gaat wijzen.

2.6. De stelling van Altena dat zij wegens te late levering € 30.500,00 aan [betrokkene1] heeft betaald na een kort geding is naar het oordeel van de rechtbank onjuist voor zover zij daarmee impliceert dat de te late levering uitsluitend was te wijten aan [ged.2conv./eis.2reconv.]. Er had zich een eerder conflict voorgedaan.

2.7. Voor te late levering op 1 mei 2009 – maanden voordat het nu voorliggende conflict rees – bedong [betrokkene1] dat Altena het transport van het schip naar Monaco zou betalen. Blijkens een door Altena bij de akte van 9 februari 2011 overgelegde gespreksnotitie was daarmee € 8.000,00 gemoeid. Dat [betrokkene1] later de indruk heeft gewekt Altena niet aan deze overeenkomst te willen houden, maar dit, boos geworden door de gebeurtenissen rond de HISWA, toch deed, doet daaraan niet af tenzij Altena’s verplichting uit de overeenkomst tot vergoeding van het transport naar Monaco werkelijk was vervallen. Altena zal de gelegenheid krijgen deze situatie nader toe te lichten.

2.8. Uit dezelfde notitie blijkt dat het resterende bedrag was opgebouwd uit € 10.500,00 en € 12.500,00. Een toelichting hierop ontbreekt. Voor zover Altena zonder meer stelt dat overeengekomen was het bedrag van € 30.500,00 in termijnen te betalen, is deze stelling onbegrijpelijk omdat niet alleen de termijnbetaling, maar ook de opbouw van het bedrag relevant blijkt te zijn (zie 2.7). De rechtbank zal Altena in de gelegenheid stellen met inachtneming van het voorgaande uiteen te zetten hoe en wanneer de overeenkomst(en) met [betrokkene1] tot stand gekomen is/zijn die moesten leiden tot de vergoeding van de twee bedragen waaruit het bedrag van € 22.500,00 is opgebouwd.

Kosten van de laatste HISWA-dagen (4.19)

2.9. Altena heeft de situatie rond de kosten op 4 en 5 september toegelicht. Uit haar toelichting blijkt dat zij de volle huur van het hotelschip heeft moeten betalen aan de verhuurder [betrokkene2], maar wegens het eerder verlaten van de beurs voor € 500,00 gecrediteerd werd. Zij berekent de te vergoeden kosten op € 4.200,00 (factuur [betrokkene2]) plus € 495,00 (havengeld voor het van [betrokkene2] gehuurde schip).

2.10. De huur van het hotelschip, zo blijkt uit de stukken, was € 400,00 per dag, terwijl het schip voor acht dagen, eindigend op 5 september 2009, gehuurd was. Uit het vonnis van 22 december 2010 volgt dat de huur voor de laatste twee dagen voor vergoeding in aanmerking komt. Dat is € 800,00. Hierop is de van [betrokkene2] ontvangen korting van € 500,00, die immers ook ziet op de niet genoten huur, in mindering te brengen. De te vergoeden schade is dus € 300,00. Aanvaarkosten zouden toch gemaakt zijn en komen niet voor vergoeding in aanmerking, zo volgt uit het tussenvonnis.

2.11. Gelet op de omvang van dit te vergoeden bedrag zal de rechtbank de discussie over de vraag of de factuur voor de huur van het hotelschip inclusief btw, die verrekend kan worden door Altena, was, laten rusten.

2.12. Ten aanzien van het havengeld geeft Altena geen toelichting waaruit blijkt hoe het tarief is opgebouwd en welk deel mogelijk op de dagen na 3 september 2009 betrekking heeft. Zij legt slechts een factuur over waarop niet te zien is aan wie deze is gericht. Uit de rekening van [betrokkene2] lijkt te volgen dat Altena het havengeld betaald heeft. Gelet op het voorgaande is de rechtbank echter van oordeel dat Altena geen onderbouwing geeft die leidt tot de conclusie dat het havengeld aan haar vergoed moet worden. De vordering zal op dit onderdeel afgewezen worden.

Advertentie Motorboot (4.24)

2.13. Altena voert aan dat [ged.1conv./eis.1reconv.] in persoon aansprakelijk is voor de schade die zij stelt ten gevolge van deze advertentie te hebben geleden. De hiervoor aangevoerde gronden zijn een e-mailbericht dat [ged.1conv./eis.1reconv.] aan de redactie heeft gestuurd, en een brief van haar eigen advocaat. Verwijzing naar het standpunt van haar advocaat levert uiteraard geen extra grond voor Altena’s betoog op. Het e-mailbericht geeft aan dat [ged.1conv./eis.1reconv.] gecorrespondeerd heeft, maar niet wie opdracht tot de advertentie heeft gegeven. Het is uit de stukken duidelijk dat [ged.1conv./eis.1reconv.] voor diverse vennootschappen optrad en alleen al daarom is het mailtje van hem onvoldoende om tot persoonlijke aansprakelijkheid te concluderen. De vordering zal op dit onderdeel dan ook worden afgewezen.

Kosten ter voorkoming en vermindering van schade, € 6.309,24 (3.1)

2.14. In de toelichting die Altena thans op dit onderdeel van de vorderingen geeft, beschrijft zij buitengerechtelijke kosten. Bij dreiging van een procedure – van de eigen kant of van de wederpartij – is het beproeven van een schikking gebruikelijk. Slaagt men daarin niet en volgt een procedure, dan kunnen de kosten van deze poging eventueel voor vergoeding als buitengerechtelijke kosten in aanmerking komen. Komt men tot een schikking, dan moeten zij geacht worden in het uiteindelijke schikkingsbedrag verdisconteerd te zijn, tenzij anders is bedongen. Ware dit anders, dan zou iedere schikking tot een vordering tot vergoeding van gemaakte kosten kunnen leiden. Het hier bedoelde bedrag komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Kosten van bewaring naar evenredigheid (4.31)

2.15. Altena berekent op grond van de nota van Deurwaarderskantoor Van den Heuvel van 22 september 2009 de naar evenredigheid aan haar te vergoeden afsleepkosten op € 2.746,07. Tegen deze berekening is geen concreet verweer gevoerd, zodat de vordering op dit onderdeel zal worden toegewezen.

2.16. Voor stalling is volgens Altena € 2.276,02 verschuldigd op grond van een rekening van Houterman Autosleepdienst d.d. 27 oktober 2009. [ged.2conv./eis.2reconv.] heeft gesteld dat op grond van de hierna onder 2.19 te noemen vaststellingsovereenkomst slechts € 915,84 voor vergoeding in aanmerking komt. Daarop heeft Altena zich terzake gerefereerd. Vergoeding van deze nota zal dan ook voor laatstgenoemd bedrag worden toegewezen.

2.17. Altena zou ten onrechte een factuur van Houterman van 1 juni 2010 voor bewaring, die voor de helft door [ged.2conv./eis.2reconv.] betaald zou worden, in zijn geheel hebben voldaan. Zij vordert terzake € 681,16 terug. [ged.2conv./eis.2reconv.] voert hierop niets naders aan. De rechtbank zal de vordering op dit onderdeel toewijzen.

Schade aan de Masalino (4.22)

2.18. De rechtbank heeft geconstateerd dat [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] betwist hebben dat er schade aan het schip was en hebben gesteld dat Altena had toegezegd mogelijke schade voor haar rekening te nemen. [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] handhaven de betwisting van het bestaan van schade kennelijk niet.

2.19. Zij stellen thans dat Altena [betrokkene3] aansprakelijk hield voor de schade aan de Masalino, maar omdat het te lang duurde aan alle partijen heeft toegezegd dat zij de schade zelf voor haar rekening zou nemen. Hiertoe verwijst [ged.2conv./eis.2reconv.] naar het kort geding tussen enerzijds Altena en anderzijds Searocco Yachts B.V., M. [ged.1conv./eis.1reconv.] Onroerend Goed Exploitatie Maarschappij BV, [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.], waarin de voorzieningenrechter bij deze rechtbank uitspraak heeft gedaan op 8 oktober 2009. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding is een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen tussen de partijen bij het kort geding en [betrokkene3], de beslaglegger. Deze overeenkomst luidt onder punt 3:

Altena en [betrokkene3] komen overeen dat Altena morgen de Masalino zal ophalen bij de bewaarder in Spaarndam. Altena zal de factuur van Emiel Verharen voor het wassen van de Masalino betalen. Altena zal eventuele andere kosten van het schoonmaken en van herstel van beschadigingen voor haar rekening nemen onder de ontbindende voorwaarde dat zij wordt aangesproken voor de kosten van de bewaarder.

2.20. Hieruit leidt [ged.2conv./eis.2reconv.] af dat Altena zich tegenover alle partijen bij die vaststellingsovereenkomst, waaronder [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.], heeft verbonden de kosten van het schoonmaken en van herstel van beschadigingen aan het schip voor haar rekening te nemen onder een niet vervulde ontbindende voorwaarde. De overeenkomst is op onderdeel 3 slechts gesloten tussen Altena en [betrokkene3], stelt Altena, zodat zij de op grond hiervan gemaakte kosten kan verhalen op [ged.2conv./eis.2reconv.]. Dat de hier bedoelde voorwaarde niet is vervuld, staat vast.

2.21. De rechtbank is van oordeel dat de bepaling onder 3 in deze overeenkomst evident een regeling tussen de beslaglegger [betrokkene3] en Altena betreft om urgente kwesties die tussen hen tot een conflict konden leiden, te beslechten. Van een conflict of een dreigend conflict tussen Altena aan de ene kant en [ged.1conv./eis.1reconv.] en/of [ged.2conv./eis.2reconv.] aan de andere kant over de hier bedoelde kosten blijkt noch uit het kort geding noch uit de vaststellingsovereenkomst zelf. Bovendien heeft Altena kennelijk aan haar verplichting uit deze overeenkomst voldaan en staat niets eraan in de weg om in een veranderde situatie nu vergoeding te vorderen van [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.], aan wie zij immers ter zake van deze vaststellingsovereenkomst geen finale kwijting heeft verleend.

2.22. [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] hebben geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan om te doen vaststellen dat partijen bij de vaststellingsovereenkomst anders hebben bedoeld en de rechtbank ziet geen aanleiding hiervan ambtshalve bewijs op te dragen. De rechtbank zal het bedrag aan schadevergoeding waarom het hier gaat, € 4.360,00, toewijzen.

Samenvattend in conventie

2.23. Voor toewijzing ligt ingevolge het vonnis van 22 december 2010 gereed de vordering tot vergoeding van de schade bestaande uit winstderving ten gevolge van de gebeurtenissen op de HISWA over september 2009 als op te maken bij staat (vonnis van 22 december 2010 onder 3.1 sub iv en 4.20. In dit vonnis is beslist dat de volgende bedragen voor toewijzing in aanmerking komen: € 300,00 (2.10), € 2.746,07 (2.15), € 915,84 (2.16), € 681,16 (2.17) en € 4.360,00 (2.22). Toelichting dient Altena nog te verschaffen op de onder 2.5, 2.7 en 2.8 bedoelde onderdelen. Voor het overige moeten haar vorderingen worden afgewezen.

in reconventie

2.24. In reconventie is reeds in het vonnis van 22 december 2010, onder 4.35, overwogen dat de vorderingen behoudens de daar bedoelde verklaring voor recht, moeten worden afgewezen. Ook nu zal de rechtbank iedere beslissing in reconventie aanhouden.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 oktober 2011 voor het nemen van een akte door Altena over hetgeen in conventie is vermeld onder 2.5, 2.7 en 2.8, waarna de wederpartij op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.