Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BT7190

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
120423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BG7071, BK3252 en BQ0871. Ongevalsschade. De rechtbank oordeelt over diverse schadeposten en benoemt een rekenkundige tot deskundige om de schade wegens het verlies van arbeidsvermogen vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 120423 / HA ZA 04-2168

Vonnis van 21 september 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem,

tegen

de naamloze vennootschap

INTERPOLIS SCHADEVERZEKERING N.V.,

voorheen

STERPOLIS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Interpolis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 maart 2011

- de akte van [eiser]

- de antwoordakte van Interpolis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Partijen hebben zich ingevolge de instructie in het vorige vonnis (nader) uitgelaten over de diverse schadeposten. De rechtbank oordeelt als volgt.

A. Arbeidsvermogensschade (verlies verdienvermogen inclusief pensioenschade, verlies zelfwerkzaamheid en belastingschade)

C. Surplus boven functiegroep 5

ad verlies verdienvermogen en pensioenschade:

2.2. De tot deskundige benoemde arbeidsdeskundige [deskundige1] komt in haar rapport van 14 juni 2010, kort samengevat, tot de volgende conclusies. [eiser] zou, het ongeval weggedacht, een carrièreverloop hebben gehad waarbij hij qua niveau niet boven de door hem behaalde functiegroep 5 binnen het GAK/UWV zou zijn uitgekomen. Hij zou hebben gewerkt tot de datum dat hij vervroegd had kunnen uittreden (bij 62 jaar en 8 maanden), daargelaten de huidige ontwikkelingen in het overheidsbeleid - die nog niet tot wetsaanpassingen hebben geleid - om de pensioenleeftijd te verhogen tot 66 of 67 jaar. Voorts concludeert [deskundige1] dat er in de huidige situatie geen passende arbeid voor [eiser] is aan te geven.

2.3. Interpolis heeft geen aanmerkingen op het rapport van [deskundige1]. [eiser] kan zich niet vinden in de conclusie van [deskundige1] dat hij zonder ongeval niet zou zijn doorgegroeid naar een niveau boven functiegroep 5. Hij heeft bewezen over een enorme wilskracht te beschikken, maar wordt nu afgerekend op zijn feitelijke prestaties in het verleden die in negatieve zin worden beïnvloed door het ongeval. Zonder ongeval zou hij veel meer hebben kunnen laten zien wat hij waard was. Er dient dan ook een zekere vergoeding toegekend te worden in verband met het missen van een redelijke kans op het maken van promotie.

2.4. Dit betoog van [eiser] wordt niet gevolgd. [deskundige1] heeft na een grondig onderzoek gemotiveerd uiteengezet (pg. 18 en 19 deskundigenbericht) dat het bereiken van functiegroep 6, het ongeval weggedacht, weinig waarschijnlijk is. Zij onderkent dat [eiser] een enorme inzet en doorzettingsvermogen heeft getoond waardoor hij na het ongeval toch het arbi-niveau 4 heeft gehaald, maar zij overweegt vervolgens dat het niveau dat iemand kan bereiken daarnaast wordt bepaald door intellectuele capaciteiten. Verder heeft zij erop gewezen dat op één collega na, geen van zijn collega’s met een vergelijkbare vooropleiding zijn gepromoveerd naar een functie met functiegroep 6. De collega bij wie dat wel het geval is, had een hogere vooropleiding. De voormalige leidinggevenden van [eiser] hebben voorts stellig aangegeven dat [eiser] aan het plafond van zijn intellectuele capaciteiten zat en niet verder zou zijn doorgegroeid naar functiegroep 6. Aan deze onderbouwing van het deskundigenbericht, in het bijzonder de rol van de intellectuele mogelijkheden bij het doorgroeien, doet het (nadere) betoog van [eiser] niet af. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij. Het deskundigenbericht zal op dit punt worden overgenomen zodat bij de begroting van het verlies van verdienvermogen ervan zal worden uitgegaan dat [eiser], zonder ongeval, tot zijn pensionering een inkomen gebaseerd op functiegroep 5 binnen het GAK/UWV zou hebben genoten. Dat brengt mee dat schadepost C (surplus verlies verdienvermogen boven functiegroep 5) zal worden afgewezen.

2.5. [eiser] kan zich, tegen de achtergrond van onder meer het huidige kabinetsbeleid, niet vinden in de opvatting van [deskundige1] dat hij vervroegd met pensioen zou zijn gegaan.

Interpolis meent dat op dit moment onvoldoende concrete aanknopingspunten bestaan om af te wijken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Daarbij gaat het om afwikkeling van toekomstige schade die bij voorbaat wordt begroot op basis van zowel goede als kwade kansen en dat er daarom van moet worden uitgegaan dat de pensioenleeftijd van 65 jaar de meest waarschijnlijke is.

2.6. De rechtbank acht het in het licht van de stand van het huidige maatschappelijke en politieke debat over de houdbaarheid van de leeftijd van 65 jaar als pensioengerechtigde leeftijd, anders dan Interpolis, niet erg waarschijnlijk dat [eiser] - het ongeval weggedacht - op zijn 65e met pensioen zou hebben gekund. Het ligt meer in de rede uit te gaan van een pensioenleeftijd van 67 jaar. Hieraan doet niet af dat de wetgeving nog niet is gewijzigd. Gezien de resterende looptijd van deze schadepost is geenszins ondenkbaar dat die wetswijziging er zal komen en dat die ook voor de hypothetische pensioenleeftijd van [eiser] gevolgen zal hebben. In zoverre volgt de rechtbank dus ook het rapport van [deskundige1] niet. De kans dat de regeling op grond waarvan [eiser] vervroegd met pensioen zou hebben gekund nog bestaat tegen de tijd dat hij daarop aanspraak zou hebben kunnen maken, acht de rechtbank klein.

2.7. De deskundige wordt wel gevolgd in haar - door Interpolis ook niet ter discussie gestelde - opvatting dat [eiser] geen daadwerkelijk aanwendbare restcapaciteit tot het verrichten van loonvormende arbeid heeft.

2.8. [eiser] heeft de arbeidsvermogensschade laten berekenen door Bureau Pals, uitgaande van functiegroep 5 als maximumniveau, 67 jaar als pensioenleeftijd en het volledig ontbreken van resterende arbeidscapaciteit. Daarbij is voorts uitgegaan van een rekenrente van 3%. Hij heeft echter ook berekeningen laten maken op grond van een rekenrente van 0% over de eerste vijf jaar en vervolgens 2%. De thans gevorderde schade is op die laatste berekening gebaseerd. Volgens [eiser] moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de rekenrente 3% bedraagt. [eiser] wijst op de financiële markt waarin het al jaren niet meer reëel is uit te gaan van een rendement van 6%. Volgens hem gaan er stemmen op het fictieve rendement van 4% dat geldt als uitgangspunt voor de vermogensrendementsheffing aanzienlijk te verlagen. Interpolis verzet zich tegen hantering van een andere rekenrente dan 3% onder verwijzing naar rechtspraak, de rente die momenteel op depositorekeningen kan worden behaald (4,5%) en de looptijd van de toekomstige schade.

2.9. De rechtbank volgt op dit punt de opvatting van Interpolis. Er is aanleiding ondanks het huidige economisch klimaat rekening te houden met de mogelijkheid dat ook gedurende de resterende looptijd van de schade sprake zal zijn van fluctuaties in te behalen rendement en inflatie. Daarom wordt op dit moment geen aanleiding gezien af te wijken van het hanteren van de tot op heden gebruikelijke (netto)rekenrente van 3%. De argumenten die [eiser] daartoe heeft aangevoerd, zijn onvoldoende onderbouwd.

ad verlies van zelfwerkzaamheid:

2.10. [deskundige1] heeft in haar rapport tot uitdrukking gebracht dat [eiser] volledig ongeschikt is om onderhoud en doe-het-zelfwerkzaamheden aan woning en tuin te verrichten. Ook de rechtbank zal daarvan uitgaan.

2.11. In zijn laatste akte heeft [eiser] zijn eis wederom gewijzigd. Hij stemt ermee in dat voor het verleden (tot en met 2011) de schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid zal worden begroot aan de hand van een fictief bedrag, aangezien hij in het verleden over een netwerk van familie, buren en vrienden beschikte die in staat en bereid waren deze werkzaamheden te verrichten. [eiser] neemt daarbij het volgens de Aanbeveling verlies zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad voor een eigen woning met tuin vanaf 1 januari 2010 geldende normbedrag van € 1.080,-- per jaar tot uitgangspunt en voor de periode daarvoor het tot die datum geldende bedrag van € 1.000,-- per jaar. Voor de toekomst is het netwerk van [eiser] om uiteenlopende redenen niet langer beschikbaar voor deze werkzaamheden en komt hij met het normbedrag van € 1.080,-- niet langer uit, aldus [eiser]. Uitgaande van 71 uren per jaar ([deskundige1] volgend, hoewel hij deze inschatting te laag vindt) tegen een gemiddeld voor professionele diensten verschuldigd uurtarief van € 45,-- komt de toekomstige jaarschade te berekenen vanaf 2012 uit op (afgerond) € 3.200,--, een volgens [eiser] fors gematigd bedrag in het licht van de overgelegde offertes. Hij benadrukt dat van hem niet kan worden verlangd van ‘zwarte dienstverleners’ gebruik te maken, terwijl de door Interpolis aangedragen dienstverlener ‘Mijn Gemak’ met een lager uurtarief (€ 15,--) voor hem als niet-Univéverzekerde niet in te schakelen valt. Als einde looptijd hanteert [eiser] primair de 75-jarige leeftijd, subsidiair de 70-jarige leeftijd met stapsgewijze afbouw naar de 75-jarige leeftijd en meer subsidiair de 70-jarige leeftijd zonder afbouw. Interpolis meent dat voor het verleden niet uitsluitend van het voorlaatste normbedrag volgens de richtlijn van de Letselschaderaad moet worden uitgegaan. Onder verwijzing naar met de toenmalige en huidige belangenbehartiger van [eiser] gevoerde correspondentie - waarin, onder meer, sprake is geweest van jaarbedragen van fl. 500,-- (tot en met 1994), fl. 750,-- (voor de periode erna) respectievelijk fl. 2.000,-- (medio 1998) - is het volgens Interpolis voor de periode van 1993 tot 2011 redelijk uit te gaan van een normbedrag van € 650,-- per jaar en voor de jaren daarna van € 1.080,-- per jaar, tot aan het bereiken van de 70-jarige leeftijd door [eiser], zonder afbouw.

2.12. Geconstateerd wordt dat beide partijen kunnen instemmen met begroting van de verschenen schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid tot en met 2011 op basis van een forfaitair bedrag. [eiser] wordt niet gevolgd in zijn opvatting dat het forfaitaire bedrag van € 1.000,-- per jaar dat volgens de Richtlijn verlies van zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad gold in de periode 15 september 2006 - 1 januari 2010 ook voor de periode vóór 15 september 2006 kan worden gehanteerd. Aan de rechtbank zijn geen normbedragen uit richtlijnen of aanbevelingen van vóór 15 september 2006 bekend. Daarom zal deels aansluiting worden gezocht bij de door de toenmalige belangenbehartiger van [eiser] genoemde bedragen, zoals die blijken uit onder meer de brief van bureau Kremer van 9 december 1994 (prod. 19 bij de laatste akte van [eiser]). Over de periode vanaf het ongeval tot en met 1994 wordt de schade vastgesteld op - afgerond - fl. 500,-- per jaar, dus in totaal € 907,56 (fl. 2.000,--). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat kort na het ongeval door Sterpolis in verband met het opknappen en schilderen van de juist door [eiser] aangekochte woning bedragen zijn betaald van € 2.722,68 (fl. 6.000,--) en € 1.684,17 (fl. 3.711,42). Deze bedragen maken deel uit van de hierna, onder B ‘Materiële schade vanaf het ongeval tot en met november 1994’ begrote schade. Voor de periode 1995 tot (afgerond) medio 2006 wordt - conform het voorstel van Interpolis - uitgegaan van een jaarschade van € 650,--. Vanaf medio 2006 tot en met 2009 wordt de jaarschade vastgesteld op € 1.000,-- en voor de jaren 2010 en 2011 op € 1.080,--. In totaal bedraagt deze door Interpolis te vergoeden schade tot en met 2011 dan € 14.042,56 (€ 907,56 + (11,5 x € 650,--) + (3,5 x € 1.000,--) + (2 x € 1.080,--)).

2.13. [eiser] heeft gemotiveerd en onderbouwd met bescheiden aangevoerd dat en waarom voor de toekomstige schade het forfaitaire bedrag ontoereikend is en dat hij vanaf dat moment - anders dan voorheen - aangewezen zal zijn op professionele dienstverleners met een gemiddeld uurtarief van € 45,--. Hierop stuit het algemene verweer van Interpolis dat de normbedragen van de richtlijnen voor de totale looptijd van de schade moeten gelden, af. Het in haar voorlaatste akte gevoerde verweer dat het gemiddelde uurtarief van € 45,-- niet voor alle door [deskundige1] geïnventariseerde werkzaamheden zal worden gehanteerd en een deel ervan tegen een tarief van € 15,-- kan worden verricht, is genoegzaam door [eiser] weerlegd. Voor de jaarschade vanaf 2012 tot aan het einde van de looptijd zal daarom als uitgangspunt gelden het bedrag van (71 x € 45,-- = afgerond) € 3.200,-- per jaar. Als einde van de looptijd geldt het bereiken van de 70-jarige leeftijd van [eiser], af te ronden op ultimo 2034, zonder afbouw. Aangenomen wordt dat [eiser] vanaf die leeftijd ook zonder ongeval niet meer in staat zou zijn geweest tot het verrichten van de hier bedoelde werkzaamheden. De eigen stellingen van [eiser] over de reden waarom hij op zijn vader niet langer een beroep kan doen - die is inmiddels 70 jaar oud - liggen aan dit uitgangspunt mede ten grondslag.

B. Materiële schade vanaf het ongeval tot november 1994

2.14. De partijen hebben zich na het laatste deskundigenbericht twee maal uitgelaten over deze schadepost, [eiser] uiteindelijk onder overlegging van delen van de correspondentie tussen zijn voormalige schaderegelaar en die van Interpolis. Beide partijen zijn, zo wordt uit hun laatste akten begrepen, bereid - mede op basis van die correspondentie - tot uitgangspunt te nemen dat over de genoemde periode de schade in elk geval gesteld mag worden op € 20.130,74 (fl. 44.362,32). De rechtbank zal de partijen hierin volgen.

2.15. Daarnaast wordt over de schadeposten waarover zij het oneens zijn als volgt beslist. Van deze door [eiser] in nr. 32 van zijn laatste akte opgesomde posten komen de volgende niet voor vergoeding in aanmerking: reparatie en beurt motormaaier (causaal verband met ongeval niet voldoende onderbouwd), vervoer per auto naar werk (onvoldoende onderbouwd in het licht van hetgeen separaat wordt gevorderd onder D.; zie hierna), de zelfwerkzaamheid op basis van fl. 500,-- per jaar (zal als onderdeel verlies arbeidsvermogen worden meegenomen; zie hiervoor onder 2.12.) en de eigen bijdrage voor het orthopedisch schoeisel (valt weg tegen de besparing van de kosten van normaal schoeisel). Van de overige schadeonderdelen staan naar het oordeel van de rechtbank, mede op grond van hetgeen hierna (onder 2.20.) wordt overwogen en beslist, de noodzaak tot het maken van die kosten en de causale relatie met het ongeval genoegzaam vast op grond van de stellingen van [eiser] en de overgelegde stukken. Het verweer hiertegen van Interpolis wordt als ontoereikend verworpen. Dit betekent dat wegens de schadepost onder B € 5.604,41 (fl. 12.350,50) bovenop het bedrag van € 20.130,74, dus in totaal € 25.735,15 voor vergoeding door Interpolis in aanmerking zou komen, ware het niet dat de ter zake van deze schadepost ingestelde vordering (zie het voorlaatste processtuk van [eiser]) slechts € 25.338,47 beloopt. Van laatstgenoemd bedrag moet daarom worden uitgegaan.

D. Extra reiskosten woon-/werkverkeer

2.16. Ter staving van deze schadepost heeft [eiser] het volgende aangevoerd. Hij ontving van zijn werkgever een forfaitaire reiskostenvergoeding van ongeveer fl. 150,-- per maand, ongeacht of hij kosten van vervoer maakte. Voor het ongeval reisde [eiser] met het openbaar vervoer - hetgeen hem ongeveer fl. 35,-- per maand kostte - of reed hij gratis mee met een collega. Als gevolg van het ongeval was hij aangewezen op eigen vervoer, omdat hij vanwege afwijkende werktijden niet meer met collega’s kon meerijden. Dit kostte hem fl. 22,-- per dag (57 kilometer x fl. 0,40) en na zijn verhuizing naar [woonplaats] in 1997 fl. 32,-- per dag (80 kilometer x fl. 0,40). Uitgaande van 46 werkweken per jaar, dus 230 werkbare dagen, is dat fl. 5.060,--/€ 2.296,13 ([plaats]) respectievelijk fl. 7.360,--/ € 3.339,82 ([plaats]) per jaar. Daarop dient de besparing in verband met het openbaar vervoer in mindering te worden gebracht (12 x fl. 35,-- = fl. 420,--), zodat de jaarschades fl. 4.640,--/€ 2.105,54 ([plaats]) en fl. 6.940,--/€ 3.149,23([plaats]) bedragen. Dit resulteert in een schadepost over de Eibergse periode (van 24 augustus 1992 tot 15 december 1997, afgerond 5 jaar en 4 maanden) van fl. 24.744,--/€ 11.228,34 en over de [plaats]se periode (van 15 december 1997 tot de volledige arbeidsongeschiktheid van [eiser] per 28 november 2001, dus afgerond 3 jaar en 11 maanden) van € 12.332,84. In totaal is dat € 23.561,18. Interpolis voert het verweer dat die post ook fiscale consequenties heeft in het kader van salariëring en reiskosten. Volgens haar valt niet in te zien dat het maken van reiskosten hier als schadepost kan worden beschouwd. Niet is gebleken dat [eiser] na het ongeval niet met een collega kon meerijden.

2.17. Het verweer van Interpolis gaat niet op. Onbestreden is dat [eiser] voor het ongeval niet met eigen vervoer naar zijn werk reisde. Daardoor maakte hij toen hooguit kosten voor openbaar vervoer. Niet bestreden is dat [eiser] na het ongeval afwijkende werktijden had, zodat de rechtbank er op grond daarvan vanuit gaat dat het niet (goed) mogelijk was om met collega’s mee te rijden. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] na het ongeval genoodzaakt was met eigen vervoer naar het werk te gaan, hetgeen hem meer kostte dan voorheen. Geconcludeerd wordt dat [eiser] als gevolg van het ongeval aldus extra kosten moest maken om naar zijn werk te reizen. Die extra kosten vormen schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Hieraan doet niet af dat de forfaitaire reiskostenvergoeding die [eiser] ontving, (mogelijk) fiscale consequenties kon hebben gehad. Van die fiscale consequenties is uit het dossier niet gebleken. De juistheid van de door [eiser] bij de berekening van deze schadepost gehanteerde variabelen heeft Interpolis niet bestreden, evenmin als de berekening zelf. Het gevorderde bedrag van € 23.561,18 behoort tot de door Interpolis te vergoeden schade.

E. Orthopedisch schoeisel

2.18. In zijn laatste akte heeft [eiser] zijn eis verminderd. De vordering die verband houdt met de kosten van orthopedisch schoeisel wordt niet meer gehandhaafd. Daarop hoeft derhalve niet meer te worden beslist. Over het voor de toekomst volgens [eiser] te maken voorbehoud ter zake van deze schadepost, waarover hij zich (ook) in dit verband heeft uitgelaten, zal hierna worden beslist (rov. 2.48.).

F. Sociale kilometers

2.19. [eiser] vordert vergoeding van de ‘sociale’ kilometers – in verband met bezoeken in de privé-sfeer – die hij voorheen met de fiets of het openbaar vervoer aflegde, maar sinds het ongeval met de auto moet afleggen. In het bijzonder heeft hij aangevoerd dat hij gewoon was per fiets zijn familie te [plaats] te bezoeken en dat hij aan die bezoeken in de periode na het ongeval meer behoefte had (twee à drie keer per week). Mede op basis van de afstand [plaats]-[plaats] v.v. (ca. 35 kilometer) heeft hij het aantal kilometers op jaarbasis geschat op 5.000. Tot en met het jaar 1994 maakt deze schadepost deel uit van de hiervoor, onder B. beoordeelde vordering. In zijn laatste akte heeft hij de looptijd van deze schadepost teruggebracht tot het moment waarop hij naar [plaats] is verhuisd en vordert hij € 1.000,-- per jaar over de periode 1995-1997, dus in totaal € 7.000,--. Interpolis handhaaft ook na deze eisvermindering haar verweer dat het sociale verkeer van [eiser] regiogebonden is en dat niet zonder meer valt in te zien dat hij in vergelijking met de situatie voor het ongeval meer kilometers zou rijden dan met ongeval.

2.20. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor, onder 2.15. impliciet is overwogen, acht de rechtbank het aannemelijk dat [eiser] door het ongeval, gezien de aard en ernst van het letsel, meer op vervoer per auto is aangewezen. Niet bestreden is dat hij een aantal keren per week zijn familie in Winterwijk bezocht en dat daarvoor sinds het ongeval per keer 35 kilometers met de auto moesten worden gereden zolang hij in [plaats] woonde. Voor de periode waarin hij in [plaats] woonde, komt het door hem genoemde aantal ‘sociale’ kilometers van 5.000 per jaar de rechtbank daarom niet onredelijk voor. Weliswaar is, omgerekend, de vergoeding per kilometer voor de periode 1995-1997 wellicht aan de hoge kant, maar daar staat tegenover dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] in de periode na zijn verhuizing eind 1997 tot op zekere hoogte ook nog ‘sociale kilometers’ per auto aflegde en zal afleggen waar hij die zonder ongeval te voet of per fiets zou hebben afgelegd en waarvoor geen vergoeding meer wordt gevorderd. Het gevorderde bedrag van € 3.000,-- behoort tot de door Interpolis te vergoeden schade.

G. Kosten bezoek artsen en ziekenhuizen

2.21. [eiser] vordert de gemaakte en in de toekomst – tot zijn 80e levensjaar – te maken kosten in verband met het bezoek van artsen en ziekenhuizen. Hiertegen heeft Interpolis het verweer gevoerd dat met de verrichte betalingen die schade, die zij overigens onvoldoende onderbouwd acht, zowel voor het verleden als voor de toekomst is vergoed.

2.22. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] in verband met behandelingen van (onder andere) pijnbestrijding vervoerskosten heeft gemaakt en zal maken. Met de bij dagvaarding overgelegde overzichten is deze schade voldoende onderbouwd. De vordering zal worden toegewezen zoals bij de voorlaatste akte gevorderd, met dien verstande dat inmiddels de kapitalisatiedatum 1 januari 2012 zal worden aangehouden bij een jaarschade van € 228,-- te berekenen tot het 80e levensjaar van [eiser], dus over de periode 2012 tot en met (afgerond) 2044 met een rekenrente van 3%. De voordien verschenen schade kan worden begroot op basis van de door [eiser] gestelde en door Interpolis niet (concreet) betwiste uitgangspunten. De verschenen schade in de periode van 1995 tot en met 2011 komt dan op in totaal € 3.010,50 (€ 1.481,-- + € 199,50 + (2 x € 209,-) + (4 x € 228,--)).

H. Eigen bijdrage zorgverzekering

2.23. [eiser] vordert de aan zijn zorgverzekering verschuldigde eigen bijdrage tot zijn 70e levensjaar alsmede de gemiste no-claim over de jaren 2006 en 2007. Voorts geeft [eiser] aan dat hij, in verband met de bezuiniging op de zorgverzekering verwacht dat de eigen bijdrage/het eigen risico zal worden verhoogd en in verband daarmee wenst hij de schade open te houden in die zin dat hij de meerkosten wil kunnen blijven vorderen. Dit laatste past volgens Interpolis niet bij een afwikkeling van alle schade ineens op basis van goede én kwade kansen, terwijl Interpolis voorts aanvoert dat niet (zonder meer) aannemelijk is dat [eiser] zonder ongeval nimmer kosten voor medische zorg zou hebben hoeven te maken tot aan zijn 70e.

2.24. In dit laatste verweer wordt Interpolis gevolgd. De rechtbank zal dan ook een beperking aanbrengen in de looptijd van deze vordering. Concrete aanknopingspunten ter bepaling van het moment waarop [eiser] geacht wordt ook zonder ongeval voor medische kosten in de vorm van een eigen bijdragen zou zijn komen te staan ontbreken. Schattenderwijs wordt het moment waarop deze hypothetische kwade kans zich zou realiseren gesteld op het bereiken van de 55-jarige leeftijd door [eiser]. Het voorgaande betekent dat tot de te vergoeden, in de periode 2006-2011 verschenen schade behoort een bedrag van in totaal € 1.147,-- (op basis van de in nr. 37 van het voorlaatste processtuk van [eiser], door Interpolis niet betwiste bedragen). De toekomstige schade moet worden berekend over de periode van 2012 tot en met (afgerond) 2019 met als peildatum 1 januari 2012 op basis van een jaarschade van € 167,-- en met een rekenrente van 3%. Over het voor de toekomst volgens [eiser] te maken voorbehoud ter zake van deze schadepost, zal hierna worden beslist (rov. 2.48.).

I. Kosten verhuizing [plaats]

2.25. In zijn laatste akte heeft [eiser] zijn vordering in verband met de verhuizing van [plaats] naar [plaats] verminderd naar € 1.800,--. [eiser] heeft aan dit bedrag ten grondslag gelegd de stelling dat zijn vader - in plaats van [eiser] zelf, die dit door het ongeval niet meer kon - de in- en uitpakwerkzaamheden die horen bij een verhuizing heeft verricht, evenals de werkzaamheden om het nieuwe huis bewoonbaar te maken en het oude schoon achter te laten. Daar was circa 120 uur mee gemoeid, hetgeen afgezet tegen een ‘zwart’ uurtarief van € 15,-- dat Interpolis in haar voorlaatste akte redelijk heeft genoemd neerkomt op € 1.800,--. Volgens Interpolis is deze schadepost ook nu onvoldoende onderbouwd. Zij wijst erop dat ook van de noodzaak van verhuizing naar [plaats] (door het ongeval) niet is gebleken. Het verdere verweer van Interpolis komt erop neer dat het hier hetzij schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid betreft hetzij werkzaamheden waarvoor het niet gebruikelijk is een professionele dienstverlener in te schakelen.

2.26. De rechtbank is met Interpolis van oordeel dat deze schadepost in wezen ziet op schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid. Deze schade vormt ook het onderwerp van een afzonderlijke vordering, waarop reeds is beslist (zie hiervoor, onder 2.12. en 2.13.). Het betreft hier echter buitennormale werkzaamheden, waarvoor het in de gegeven omstandigheden niet onredelijk is separaat vergoeding te vorderen, evenals ten aanzien van de eerste verhuizing van [eiser] (naar [plaats]) is geschied. Het gaat ook om werkzaamheden waarvoor men, als men ze zelf niet kan verrichten, professionele dienstverleners pleegt in te schakelen. In het midden kan blijven of het ongeval (mede) de reden is dat [eiser] is verhuisd. Voor zover Interpolis met het desbetreffende verweer tot algemeen uitgangspunt neemt dat een benadeelde zijn woonplaatskeuze moet laten bepalen door de financiële belangen van de aansprakelijke, wordt zij daarin niet gevolgd. In de keuze van zijn woonplaats is de benadeelde beginsel vrij, ook indien daardoor kosten ontstaan die voor rekening van de aansprakelijke komen. Het bedrag van € 1.800,-- aan verhuiskosten komt de rechtbank niet onredelijk voor en maakt deel uit van de door Interpolis te vergoeden schade.

J. Studiekosten

2.27. [eiser] heeft bij dagvaarding gesteld dat hij in 1995 de opleiding Assurantie B heeft gevolgd en dat hij, omdat hij vanwege het ongeval toen parttime werkte, slechts een deel van de studiekosten vergoed heeft gekregen. Een bedrag van € 274,58 heeft hij zelf moeten betalen. Zonder het ongeval had hij fulltime gewerkt en had hij ook dat bedrag vergoed gekregen. Tegenover deze onderbouwing volstaat het verweer van Interpolis dat de studiekosten ertoe hebben geleid dat hij functiegroep 5 voor de gemiste verdiencapaciteit kan hanteren en dat de studiekosten niet als ongevalsgevolg vallen aan te merken, niet. Ook het verweer dat tevergeefs gemaakte studiekosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, faalt, aangezien [eiser] door de ongevalsgevolgen er niet in is geslaagd deze opleiding met een diploma af te ronden. Ook het bedrag van € 274,58 behoort dus tot de door Interpolis te vergoeden schade.

K. Bedbank

2.28. [eiser] heeft in juli 2005 een elektrische bedbank aangeschaft van € 2.940,--. De zorgverzekeraar heeft de aangevraagde vergoeding van deze kosten afgewezen. Uitgaande van een verbruiksperiode van 10 jaar, komt deze schadepost neer op viermaal de aanschafkosten, derhalve op € 11.760,--, aldus [eiser]. Interpolis meent dat [eiser] vóór deze aanschaf, zoals te doen gebruikelijk, met haar in overleg had behoren te treden. Zij stelt zich voorts op het standpunt dat er ook goedkopere bedden zijn en zij betwist de gestelde noodzaak van vervanging van de bedbank iedere tien jaar. Het stuk dat [eiser] daarover heeft overgelegd, ziet volgens haar op alleen het matras. Interpolis ziet voor alles geen indicatie voor de aanschaf van zo’n bed. Zij meent dat een normale, verstelbare leunstoel volstaat.

2.29. Op zichzelf is het niet onredelijk dat [eiser], gelet op de aard van zijn letsel dat meebrengt dat hij niet langdurig kan zitten en vele uren per dag liggend in de woonkamer doorbrengt, een daarvoor geschikte bedbank met kussens heeft aangeschaft en dat in de toekomst zal blijven doen. De bevindingen van de deskundige [deskundige1] onderschrijven dat. Interpolis heeft aangegeven dat er ook goedkopere bedden en matrassen zijn. Wat daarvan ook zij, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het voor [eiser]s situatie geschikte modellen en uitvoeringen betreft. In zoverre wordt het verweer van Interpolis verworpen. Dat de gehele bedbank - en niet alleen de matras - iedere tien jaar moet worden vervangen, heeft [eiser] in het licht van het verweer van Interpolis onvoldoende onderbouwd. Daarom zal bij de begroting van deze schadepost schattenderwijs worden uitgegaan van niet vier maar drie maal de kosten van aanschaf van een dergelijke bedbank ad € 2.940,-- in de (door Interpolis niet bestreden) periode van 40 jaren. Dit betekent dat [eiser] aan verschenen schade een bedrag van € 2.940,-- toekomt en dat de toekomstige schade moet worden gekapitaliseerd, op basis van de volgende uitgangspunten. [eiser] zal steeds na 13 1/3 jaar, dus in november 2018 en in maart 2031, opnieuw voor een uitgave van € 2.940,-- staan. De te hanteren rekenrente is 3% en de peildatum 1 januari 2012.

L. Aangepaste autostoel

2.30. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij een aangepaste autostoel nodig heeft. De kosten daarvan heeft hij aanvankelijk begroot op € 2.500,-- en, uitgaande van een levensduur van 7 jaar, deze totale schadepost op € 15.000,--. In zijn laatste akte handhaaft hij deze vordering. Ter staving van de vordering wijst [eiser] thans op bij Bever Autoaanpassingen te Hengelo ingewonnen informatie waaruit blijkt dat een aangepaste passagiersstoel (inclusief btw) € 7.140,-- kost. De levensduur van zo’n stoel, die in beginsel overplaatsbaar is, is ingeschat op 100.000 à 200.000 kilometer. In de binnenkort aan te schaffen nieuwe(re) gezinsauto wil hij zo’n stoel laten plaatsen. Verder beraadt [eiser] zich er nog over of hij zich door het CBR zal laten keuren op zijn huidige rijgeschiktheid. Hij wenst de mogelijkheid open te houden zijn eis te vermeerderen ingeval hij rijgeschikt wordt bevonden met de kosten van tevens een aangepaste bestuurdersstoel en bedragen van € 1.500,-- en € 2.500,-- à € 4.000,-- voor opklapbare pedalen respectievelijk aanpassing van de stuurkolom in verband met de zithouding, onder aftrek van eventuele vergoedingen door het UWV en/of de gemeente uit hoofde van de WMO.

2.31. Interpolis meent dat [eiser] de noodzaak van een aangepaste passagiersstoel niet heeft aangetoond, evenmin als de frequentie waarmee een dergelijke stoel zou moeten worden vervangen. In de omstandigheid dat [eiser] zich tot dusver zonder aangepaste autostoel heeft gered, ziet zij steun voor haar standpunt dat hiervoor geen indicatie bestaat. Bovenal meent Interpolis dat het aan [eiser] is tijdig uit te zoeken of de gemeente hem uit hoofde van de WMO (een tegemoetkoming in) deze kosten wil vergoeden.

2.32. Uit het rapport van [deskundige1] kan worden afgeleid dat [eiser] een aangepaste autostoel nodig heeft. Het feit dat hij - uit geldgebrek - nog geen aangepaste passagiersstoel heeft aangeschaft, maakt dit niet anders. Voor een dergelijke passagiersstoel geldt dat - zoals [eiser] ook als mogelijkheid heeft aangevoerd - indien en voor zover het UWV en/of de gemeente op grond van de WMO mee zullen betalen aan deze voorziening(en), Interpolis daarvoor niet hoeft te betalen. Interpolis heeft de bedragen die [eiser] in zijn laatste akte heeft genoemd niet betwist. Op grond van al het voorgaande behoort het gevorderde bedrag van € 15.000,-- die verband houdt met de kosten van de passagierstoel op de hierna te beschrijven wijze tot de te vergoeden schade. Wel zal [eiser] hiervoor bij het UWV en de gemeente een vergoeding moeten aanvragen. Eventueel toegekende vergoedingen komen in mindering op de door Interpolis te betalen schadevergoeding. De praktische afwikkeling hiervan zal aan de partijen worden overgelaten. Voor het overige ligt in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd - over de eventuele bestuurdersstoel - geen vordering besloten, zodat daarop niet wordt ingegaan. Op grond van al het voorgaande en hetgeen [eiser] bij dagvaarding over deze schadepost en de looptijd ervan heeft gesteld, zal deze schadepost als volgt aan [eiser] worden toegekend. Op grond van zijn stellingen is voldoende aannemelijk dat hij op korte termijn tot aanschaf van de eerste passagiersstoel zal (kunnen) overgaan. Daarom worden de kosten van de aanschaf van die eerste stoel, te stellen op (afgerond) € 7.500,--, geacht te zullen worden gemaakt op 1 januari 2012. Kapitalisatie van deze schade is gelet op de korte looptijd niet aan de orde. [eiser] zal daarna de stoel één maal kunnen vervangen. Dat moment wordt schattenderwijs gesteld op 1 januari 2030. De contante waarde van deze toekomstige schadepost, te berekenen naar de peildatum 1 januari 2012 en met een rekenrente van 3%, moet eveneens aan [eiser] worden vergoed.

M. Aanschaf sta-opstoel

2.33. In zijn laatste akte heeft [eiser] de vordering ingetrokken voor zover die te maken heeft met de kosten van aanschaf en onderhoud, ook voor de toekomst, van een sta-opstoel, aangezien zijn zorgverzekeraar de kosten voor een dergelijke stoel vergoedt. Hierop hoeft dus niet langer te worden beslist. Over het voor de toekomst volgens [eiser] te maken voorbehoud ter zake van deze schadepost, zal hierna worden beslist (rov. 2.48.).

N. Kosten expertise

2.34. [eiser] vordert de kosten van Actua Consult (Bureau Pals) in verband met gemaakte berekeningen van de schade. Het gaat daarbij om een totaalbedrag van € 10.459,08, waarvan een bedrag van € 3.649,97 ziet op de herberekeningen die [eiser] ten grondslag heeft gelegd aan de conclusie na het laatste deskundigenbericht. Interpolis meent dat het voorbarig is en was deze berekeningen te maken, gelet op de geschillen over de uitgangspunten voor die berekeningen, op grond waarvan deze vordering volgens haar moet worden afgewezen.

2.35. Tot op zekere hoogte kan [eiser] worden gevolgd in zijn standpunt dat het in het kader van de onderhandelingen met de aansprakelijke niet onredelijk is op enig moment een actuariële schadeberekening te laten maken, ook indien partijen nog verdeeld zijn over een groot aantal uitgangspunten voor die berekening. Is zo’n eerste berekening eenmaal vervaardigd, dan kan de uitkomst daarvan voor het vervolg van de onderhandelingen als globale leidraad dienen. Het is echter niet noodzakelijk steeds als zich een wijziging voordoet in de aan die berekening ten grondslag liggende uitgangspunten genomen variabelen een (kostbare) herberekening te laten vervaardigen indien over die gewijzigde uitgangspunten tussen de partijen geen overeenstemming is bereikt. Dit geldt temeer indien inmiddels een procedure aanhangig is gemaakt waarin die uitgangspunten door de rechter bindend zullen worden vastgesteld en waarbij is aangekondigd dat een gerechtelijke deskundige zal worden benoemd om de schade te laten berekenen op basis daarvan. Op grond van het voorgaande komt het bedrag van alleen de eerste factuur van Actua Consult ad (omgerekend) € 2.161,82 voor vergoeding in aanmerking, als in redelijkheid gemaakte kosten ter vaststelling van de schade, zoals naar thans geldend recht is neergelegd in art. 6:96 lid 2 onder b BW en zoals volgens het hier toepasselijke (oude) recht gold op basis van jurisprudentie. Voor het overige zal deze vordering worden afgewezen.

O. Kosten (buiten)gerechtelijke rechtsbijstand (en voorschotten)

2.36. De uitlating van [eiser] over deze schadepost komt er, kort gezegd, op neer dat declaraties met een totaal beloop van € 18.482,89 bij hem in rekening zijn gebracht, dat gedaagde daarop € 9.010,48 wegens kosten rechtsbijstand heeft willen bevoorschotten en dat bij gebreke van verdere bevoorschotting op deze schadepost nog verdere verrekening met de voorschotten onder algemene titel heeft plaatsgevonden, waarna nu nog een bedrag van € 4.425,52 aan buitengerechtelijke kosten open staat. Dit is het bedrag dat wordt gevorderd. Daarnaast heeft [eiser] opgave gedaan van het bedrag aan voorschotten dat hij heeft ontvangen. Volgens Interpolis zijn ook werkzaamheden in rekening gebracht die verband houden met het redigeren van de dagvaarding en het voorbereiden van de procedure. Zij meent dat de redelijke buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand reeds zijn vergoed.

2.37. In het licht van hetgeen hiervoor, onder 2.35 is overwogen en beslist, zal in de facturen ter zake van buitengerechtelijke werkzaamheden van de advocaat van [eiser] zijn verdisconteerd de tijd die is gemoeid met het instrueren van Actua Consult/Bureau Pals. Voor zover die werkzaamheden zien op de herberekeningen na de eerste schadeberekening, behoren die kosten niet ten laste van Interpolis te komen. Voor het overige is de rechtbank niet concreet gebleken van in rekening gebrachte werkzaamheden waarvoor een proceskostenveroordeling een vergoeding inhoudt, hoewel een deel van de buitengerechtelijke werkzaamheden door het uitbrengen van de dagvaarding geacht moet worden van kleur te zijn verschoten. Rekening houdend met de complexiteit en bewerkelijkheid van de onderhavige zaak en hetgeen zojuist is overwogen, wordt het totale bedrag aan buitengerechtelijke kosten dat in redelijkheid voor rekening van Interpolis behoort te komen bepaald op € 16.000,--. Na aftrek van het bedrag aan voorschotten wegens buitengerechtelijke kosten dat tussen de partijen in confesso is - € 9.010,48 - resteert nog een schade van € 6.989,52 die behoort tot de door Interpolis te vergoeden schade. De verrekenexercitie die [eiser] in zijn laatste processtukken heeft genoemd, doet daaraan niet af. De verrekening - op eigen initiatief - met voorschotten onder algemene titel aan [eiser] moet bij de vaststelling van het totale bedrag aan [eiser] aan verstrekte voorschotten buiten beschouwing worden gelaten.

2.38. Over de hoogte van de in totaal betaalde voorschotten aan [eiser] zijn de partijen het nog steeds oneens. Op basis van de thans beschikbare gegevens kan de rechtbank daarover geen precieze vaststelling doen. Die is wel nodig, ten behoeve van de berekening door de te benoemen rekenkundige van de nog niet vergoede schade (zie hierna, rov. 2.53). Aan Interpolis wordt daarom verzocht - onder afschrift aan [eiser] - aan de te benoemen rekenkundige de nadere informatie hieromtrent te verschaffen die deze nodig zal achten, onderbouwd met stukken, bij gebreke waarvan de rechtbank op dit punt de conclusies zal trekken die haar geraden voorkomen.

P. Overige kosten/verschotten

2.39. In zijn laatste akte heeft [eiser] zijn vordering ad € 7.744,97 wegens verschotten nader toegelicht en met stukken onderbouwd. In dit bedrag zijn volgens zijn toelichting ten onrechte de volgende bedragen begrepen: € 4.535,-- aan griffierecht en € 130,75, € 30,10, € 14,04 respectievelijk € 9,83 wegens kantoorkosten over het advocatenhonorarium. Hij heeft zijn eis met deze bedragen verminderd. Interpolis blijft bij haar verweer dat deze kosten naar hun aard niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat zij tot de proceskosten behoren die tegen het liquidatietarief worden vergoed.

2.40. Naar het oordeel van de rechtbank ziet deze schadepost op de inmiddels in art. 6:96 lid 2 onder BW neergelegde regeling inzake kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Naar het op deze zaak toepasselijke oude geschreven en/of ongeschreven recht gold inhoudelijk een (nagenoeg) gelijkluidende regeling. In de vergoeding van dergelijke kosten voorziet de proceskostenveroordeling niet. De kosten zijn in redelijkheid gemaakt en redelijk van hoogte en komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. Het betreft - na de eisvermindering - een bedrag van € 2.700,75.

Q. Smartengeld

2.41. [eiser] vordert € 75.000,-- aan smartengeld. Hij onderbouwt deze vordering door te wijzen op het sterk invaliderende karakter van het letsel, de onophoudelijke, zeer hevige pijnklachten en de gevolgen daarvan voor zijn privéleven en zijn werkzame leven. Volgens Interpolis volstaat een vergoeding van € 15.000,--, gelet op de door de verzekeringsgeneeskundige Van Waart geobjectiveerde beperkingen.

2.42. Voor de bepaling van de hoogte van smartengeld zijn omstandigheden als de aard van de aansprakelijkheid, de aard en de ernst van het letsel, de (eventuele) ontwikkeling ervan, de mate waarin betrokkene wordt belemmerd een normaal leven te leiden en de mate waarin betrokkene daaronder lijdt (HR 18 maart 2005, RvdW 2005, 45, HR 20 september 2002, NJ 2004, 112). Vast is komen te staan dat het verkeersongeval bij [eiser], toen 24 jaar oud, heeft geleid tot letsel aan zijn rechter voet en ernstig letsel aan zijn linkervoet. Hij is daaraan geopereerd en heeft enige weken in het ziekenhuis gelegen. [eiser] heeft daarna langdurig moeten revalideren, in het kader waarvan nog twee operaties zijn gevolgd waarbij zijn linker enkelgewricht is vastgezet. [eiser] heeft ten gevolge daarvan niet alleen forse bewegingsbeperkingen opgelopen, maar tevens ernstige, al dan niet secundaire (zenuw-) pijnklachten ontwikkeld aan zijn rug, heup en lies. In verband daarmee heeft hij vele pijnbestrijdingsbehandelingen ondergaan en nog te ondergaan, die - voor zover al succesvol - de pijn niet blijvend (hebben) kunnen wegnemen of verminderen. Ondanks zijn grote inspanningen om aan het werk te blijven, is [eiser] uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt verklaard. Ook in en om het huis kan hij zelf geen klussen meer doen. Het is zonder meer aannemelijk dat dit alles leidt tot fors gederfde levensvreugde van [eiser], ook in gezinsverband en op overig sociaal vlak. Uitzicht op verbetering van zijn fysieke beperkingen en pijnklachten is er niet. Op grond van het voorgaande is het billijk, mede in aanmerking genomen dat deze schade is veroorzaakt door de schending van een veiligheidsnorm door de verzekerde van Interpolis en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld hebben toegekend, in dit geval een smartengeld van EUR 37.000,-- toe te kennen. Tot dit bedrag komt het gevorderde smartengeld voor vergoeding in aanmerking.

R. Rente

2.43. [eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente die volgens hem na de aanzegging bij brief van 8 september 1989 is verschuldigd over alle schade, ongeacht of die toen al was of kon worden begroot. Hij acht het onwerkbaar als ten aanzien van de periodiek verschijnende schade steeds na afloop van die periode zou (hebben) moeten worden aangemaand. Waar het om gaat is dat Interpolis door genoemde brief heeft begrepen dat aanspraak werd gemaakt op betaling van alle geleden en nog te lijden schade. Interpolis wijst daarentegen op jurisprudentie, waaruit volgt dat op de schadeafwikkeling naar aanleiding van schadeveroorzakende gebeurtenissen van vóór de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek op 1 januari 1992 het oude recht van toepassing is. Daarbij is niet van belang of de schade ná die datum pas is ontstaan, aldus Interpolis. Zij meent dat ingevolge het hier toepasselijke art. 1286 lid 3 oud BW per periode begrote schade steeds na het verschijnen ervan de wettelijke rente opnieuw had moeten worden aangezegd en dat de te kapitaliseren, toekomstige periodieke schade tegen de kapitalisatiedatum rentedragend wordt, door de aanmaning van 8 september 1989.

2.44. Uit art. 173 Overgangswet Nieuw BW volgt dat wanneer sprake is van een onrechtmatige daad waarvan de schadelijke gevolgen zich na 1 januari 1992 hebben voortgezet, het oude recht op deze later ingetreden schade(lijke gevolgen) van toepassing blijft. Dit geldt ook voor de daarover verschuldigde wettelijke rente (HR 10 juni 2011, NJ 2011, 271). De ratio van het vereiste van artikel 1286 lid 3 (oud) BW dat de wettelijke rente moet zijn aangezegd, is het op de hoogte brengen van de schuldenaar dat over de door hem verschuldigde bedragen ter zake van de geleden schade rente wordt berekend, teneinde te voorkomen dat hij door die rentevordering achteraf wordt verrast. Het antwoord op de vraag wanneer een vordering rentedragend wordt naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht, is in belangrijke mate afhankelijk van de wijze waarop de schade door de rechter wordt begroot, omdat de wijze van begroting bepaalt op welk tijdstip de desbetreffende schade geacht moet worden te zijn geleden. Indien de schade begroot is op een gekapitaliseerd bedrag ineens ter zake van toekomstige schade, moet deze schade geacht worden te zijn geleden op de bij deze kapitalisering tot uitgangspunt genomen peildatum. Ook indien de rechter de schade begroot met als peildatum een later moment dan de dag van het ongeval, wordt de vordering na haar opeisbaarheid rentedragend door de in artikel 1286 lid 3 (oud) BW bedoelde aanmaning, ongeacht of deze is uitgebracht voor de datum waartegen de rechter de schade kapitaliseert, of daarna. Indien de rechter de schade evenwel begroot op concrete bedragen die periodiek opeisbaar worden, zal telkens na het opeisbaar worden daarvan opnieuw moeten worden aangemaand. De rechter heeft bij het begroten van schade de vrijheid om de geleden en te lijden schade te kapitaliseren in een bedrag ineens naar een peildatum die geruime tijd voor zijn uitspraak ligt. Ook bij een dergelijke wijze van begroting blijft evenwel uitgangspunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade behoort te worden begroot (HR 11 juli 2003, NJ 2003, 603; HR 17 oktober 1997, NJ 1998, 508).

2.45. Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van Interpolis juist is. Art. 1286 lid 3 oud BW luidt: “De wettelijke interessen worden, behoudens bijzondere wettelijke voorschriften, berekend van de dag dat zij in rechte worden gevorderd, tenzij de schuldenaar na het opeisbaar worden van de vordering schriftelijk tot betaling is aangemaand met de mededeling dat de schuldeiser in geval van verdere vertraging aanspraak maakt op vergoeding van interessen. In het laatste geval worden de wettelijke interessen berekend van de dag waartegen de schuldenaar is aangemaand.”. Tussen de partijen is niet in geschil dat op 8 september 1989 een aanmaning ter zake van de wettelijke rente is gedaan die voldoet aan de daaraan door art. 1286 lid 3 oud BW gestelde eisen. De aanzegging is gedaan tegen 18 september 1989. Op zichzelf is ook juist dat Interpolis op grond van die brief erop bedacht moest zijn dat [eiser] vanaf die datum aanspraak wilde maken op rente. Gelet op het destijds geldende, wettelijke systeem is daarmee echter niet gegeven dat de wettelijke rente over alle door [eiser] geleden en te lijden schade vanaf die dag verschuldigd is geraakt. Niet alleen moet daarvoor de schadevordering ingevolge genoemde wetsbepaling opeisbaar zijn, ook moet na het opeisbaar worden van de vordering de rente zijn aangezegd (of een rechtsvordering zijn ingesteld). Met andere woorden: enkel de al opeisbare schade (dus de al geleden schade) wordt door een aanzegging rentedragend. Voor zover de vordering ziet op periodiek intredende schade die door de rechter wordt begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens, volgt uit de aangehaalde jurisprudentie dat de wettelijke rente over deze schade verschuldigd is vanaf de kapitalisatiedatum, aangezien deze schade geacht wordt op die peildatum te zijn geleden en derhalve vanaf dat moment geldt als opeisbaar.

2.46. In concreto betekent dit alles dat voor zover het gaat om vóór 1 januari 2012 reeds (al dan niet periodiek) verschenen, concreet te begroten schade, de wettelijke rente verschuldigd is over de vóór 18 september 1989 verschenen (opeisbare) schade. Dat betreft in elk geval het smartengeld, de schade aan auto en kleding en de voordien gemaakte kosten van ziekenhuisopname en -bezoek en dergelijke. Naar billijkheid worden deze twee laatstgenoemde schadeposten begroot op in totaal € 4.537,80 (uitgaande van prod. 10 bij de laatste akte van [eiser]). Over de nadien - in de periode tot aan de dag van dagvaarding (al dan niet periodiek) geleden schade die concreet begroot wordt, geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente 15 november 2004 (de dag van dagvaarding), bij gebreke van eerdere renteaanzeggingen ten aanzien van die schade. De na 15 november 2004 verschenen schade die concreet is begroot, wordt steeds vanaf het moment dat die schade is ontstaan rentedragend. De te kapitaliseren schade is rentedragend vanaf 1 januari 2012. Met inachtneming van het voorgaande zal de door Interpolis over de schade verschuldigde, (naar oud recht: enkelvoudige) wettelijke rente moeten worden berekend.

S. Toekomstige schade/voorbehoud

2.47. [eiser] vordert een voorbehoud voor schade die kan ontstaan door een toekomstige wijziging in inkomens- en uitkeringsregelingen, zoals bijvoorbeeld de huidige WAO-regelgeving en de vergoedingen vanuit zijn zorgverzekering. Interpolis heeft hiertegen bezwaar en voert aan dat [eiser] zijn totale schade, ook voor de toekomst, heeft gevorderd, waarbij zowel goede als kwade kansen zijn verdisconteerd. Op grond daarvan gaat het niet aan een voorbehoud te maken ten aanzien van alleen kwade kansen, aldus Interpolis.

2.48. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding de gevorderde voorbehouden toe te wijzen. [eiser] heeft een vordering ingesteld ter zake van een bedrag ineens dat er mede toe strekt zijn toekomstige schade te vergoeden. Bij deze wijze van begroting van toekomstige schade wordt een inschatting gemaakte van zowel de goede als de kwade kansen. Zo is in dit geval bij de schade wegens het toekomstige verlies van verdienvermogen van [eiser] mede rekening gehouden met de goede kans dat [eiser] tot zijn 67e levensjaar fulltime en ononderbroken (op het niveau van zijn functie) bij het UWV zou hebben gewerkt, terwijl geenszins zeker is - zoals Interpolis heeft aangevoerd - dat zonder ongeval dit het carrièreverloop van [eiser] zo gunstig zou zijn geweest. Evenmin is de pensioenleeftijd van 67 jaar op zekerheid gebaseerd. Uit de stellingen van [eiser] kan niet worden opgemaakt dat er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat zijn WAO-uitkering voor de toekomst geheel of gedeeltelijk komt te vervallen. Hetzelfde geldt voor zijn aanspraken uit hoofde van de ziektekostenverzekering en eventuele andere regelingen. De gevorderde voorbehouden zullen worden afgewezen.

T. Fiscaal voorbehoud

2.49. Over het verstrekken van een belastinggarantie zijn partijen het eens. [eiser] heeft geen bezwaar geuit tegen de door Interpolis voorgestelde formulering van de te geven garantie: het model zoals opgenomen in het Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, hoofdstuk 735-13, versie april 2009 (prod. 2 bij conclusie van antwoord na deskundigenbericht van 2 februari 2011). Het fiscale voorbehoud zal dan ook conform dit model worden toegewezen.

benoeming rekenkundige

2.50. Beide partijen hebben een berekening overgelegd van de schade wegens het verlies van arbeidsvermogen (verlies verdienvermogen plus pensioenschade en verlies zelfwerkzaamheid). De uitkomst van deze beide berekeningen loopt sterk uiteen. De rechtbank zal daarom thans een rekenkundige als deskundige te benoemen om zich op grond van de nu vastgestelde uitgangspunten te laten voorlichten over de omvang van deze schade van [eiser]. Er is geen aanleiding, zoals [eiser] wenst, de partijen daarover eerst nog een uitlating te laten doen. Het - uitvoerige - partijdebat daarover is nu voltooid.

2.51. Deze deskundige zal daarbij tot uitgangspunt moeten nemen hetgeen in dit vonnis is overwogen en beslist in de rechtsoverwegingen 2.4, 2.6, 2.7, 2.9, 2.10, 2.12 en 2.13. Verder geldt als uitgangspunt:

- vanaf 1 oktober 2000 genoot [eiser] het in die functiegroep bij het maximale aantal functiejaren (12) behorende salaris conform de desbetreffende CAO;

- pensioenleeftijd zonder ongeval: 67 jaar;

- feitelijk inkomen (met ongeval): verdiensten bij GAK/UWV tot moment uitval en WAO-uitkering tot aan pensionering;

- kapitalisatiedatum 1 januari 2012;

- statistische sterftekanscorrectie;

- enkelvoudige wettelijke rente (geen rente op rente) met inachtneming van de beslissingen in rov. 2.46.

2.52. Ook de berekening van de verdere te kapitaliseren schade (zie rov. 2.22, 2.24, 2.29 en 2.32) zal aan de deskundige worden overgelaten, op basis van (voor zover toepasselijk) dezelfde als de hiervoor bedoelde uitgangspunten.

2.53. De rechtbank zal de deskundige ook vragen de totale schade van [eiser] te berekenen aan de hand van al hetgeen inmiddels is beslist, met zo nauwkeurig mogelijke berekening van de wettelijke rente over de schade met inachtneming van rov. 2.46. Tevens zal de deskundige worden gevraagd in zijn berekening van de totale schade zo nauwkeurig mogelijk te verwerken de door Interpolis betaalde voorschotten (zie ook rov. 2.37 en 2.38), rekening houdend met het bepaalde in artt. 6:43 en 44 BW. Naar het op deze zaak toepasselijke oude geschreven en/of ongeschreven recht gold inhoudelijk een (nagenoeg) gelijkluidende regeling.

2.54. Interpolis heeft geen bezwaar geuit tegen benoeming van een deskundige, verbonden aan het [bedrijf], zoals door [eiser] geopperd. De heer [deskundige2] van het [bedrijf] heeft zich desverzocht bereid en in staat verklaard in de onderhavige zaak een deskundigenbericht uit te brengen. Op basis van zijn opgave wordt het voorschot op het honorarium en de kosten van deze deskundige begroot op € 6.500,00 (inclusief 5% kantoorkosten en 19% btw). De betaling van dit voorschot zal op Interpolis komen te rusten.

2.55. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Wilt u met inachtneming van hetgeen hiervoor in rov. 2.4, 2.6, 2.7, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 en 2.51 is overwogen en beslist de totale arbeidsvermogensschade (verlies verdienvermogen plus pensioenschade en verlies zelfwerkzaamheid) van [eiser] berekenen?

2. Wilt u met inachtneming van hetgeen omtrent de overige deels te kapitaliseren schadeposten is overwogen en beslist (in rov. 2.22, 2.24, 2.29 en 2.32) de contante waarde van die toekomstige schade berekenen, op basis van (voor zover toepasselijk) dezelfde uitgangspunten als te hanteren bij de berekening van de arbeidsvermogensschade?

3. Wilt u, met gebruikmaking van de uitkomsten van uw berekeningen onder 1 en 2 en met inachtneming van hetgeen is beslist in rov. 2.53, de omvang van de totale nog niet door Interpolis vergoede schade berekenen en daartoe zonodig bij Interpolis nadere informatie opvragen over de bevoorschotting? Wilt u, indien u onvoldoende duidelijkheid verkrijgt over de bevoorschotting en/of indien de partijen daarover verdeeld blijven, in uw deskundigenbericht vermelden wat er onduidelijk is gebleven en/of waarover de partijen verdeeld zijn gebleven?

3.2. benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

de heer [gegevens deskundige]

3.3. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

3.4. bepaalt dat [eiser] binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank Sector civiel, roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

3.5. bepaalt dat Interpolis binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 6.500,-- ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

3.6. bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

3.7. bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

3.8. bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

3.9. bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter-commissaris mr. C.M.E. Lagarde,

3.10. bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.11. bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 30 november 2011, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

3.12. verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser] of voor bepaling datum vonnis,

3.13. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide, mr. C.M.E. Lagarde en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2011.

Coll.: CL