Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BT6812

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
AWB 11/1192
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wwb. Intrekking en terugvordering bijstand. Niet woonachtig in verweerders gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/1192

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 4 oktober 2011

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J. van Delft,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 maart 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft verweerder het recht op bijstand van eiser ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) over de periode van 26 november 2008 tot en met

28 februari 2010 ingetrokken en de ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van

€ 15.959,63 van eiser teruggevorderd. Voorts heeft verweerder de (ex)partner van eiser, mevrouw [(ex)partner] (hierna: [(ex)partner]), hoofdelijk aansprakelijk gesteld en voornoemd bedrag eveneens van haar teruggevorderd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar gegrond verklaard ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [(ex)partner]. Het besluit van

11 mei 2010 is voor het overige – onder aanvulling van de grondslag en de motivering – gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

12 september 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Delft voornoemd, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

R. Puijn, werkzaam als juridisch beleidsadviseur bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. Eiser is tot 8 februari 2007 gehuwd geweest met [(ex)partner]. Met ingang van 18 juni 1997 stonden beiden ingeschreven op het adres [adres I] te [gemeente]. Eiser heeft zich op

5 april 2001 van dit adres laten uitschrijven. Van 1 november 2008 tot 3 maart 2010 stond eiser ingeschreven op het adres [adres II] te [woonplaats]. Eiser ontving in de periode van 26 november 2008 tot en met 28 februari 2010 een bijstandsuitkering van verweerder naar de norm voor een alleenstaande.

In verband met ernstige vermoedens dat eiser niet zijn hoofdverblijf zou hebben op het adres [adres II] te [woonplaats] is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van eiser. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 7 mei 2010. Gelijktijdig werd door de gemeente [gemeente] een onderzoek gestart naar de woonsituatie van [(ex)partner]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 26 april 2010.

In het kader van bovenvermelde onderzoeken zijn onder meer dossieronderzoeken verricht, zijn eiser en [(ex)partner] gehoord, zijn er observaties verricht en zijn er buurtbewoners gehoord uit de omgeving van de adressen van eiser en [(ex)partner].

De rechtbank is van oordeel dat de voorhanden zijnde onderzoeksresultaten, in onderlinge samenhang beschouwd, voldoende grondslag bieden voor verweerders standpunt dat eiser in de periode van 26 november 2008 tot en met 28 februari 2010 niet woonachtig is geweest in de gemeente Wijchen.

Deze conclusie wordt – in ieder geval voor wat betreft de periode na november 2009 – ondersteund door de op 25 en 26 februari 2010 door [(ex)partner] afgelegde verklaringen, waaruit blijkt dat eiser ook na de scheiding regelmatig bij haar verblijft en sinds november 2009 dagelijks bij haar op de [adres I] komt.

Voorts hecht de rechtbank betekenis aan de getuigenverklaringen van de buurtbewoners van eiser. Zo hebben twee buurtbewoners van eiser aan de [straatnaam] te Wijchen verklaard dat eiser slechts sporadisch op dat adres aanwezig was. De rechtbank merkt daarbij op dat de verklaring van de buurtbewoner die de vissen van eiser heeft overgenomen haar niet tot een andere conclusie brengt, nu deze verklaring innerlijk tegenstrijdig is. Enerzijds verklaart deze buurtbewoner dat eiser op het adres aan de [straatnaam] woonde, maar anderzijds verklaart hij ook: “Ik heb de man het afgelopen jaar weinig gezien. Eigenlijk heb ik de man niet gezien”. Ook aan de verklaringen van de huisarts, de medewerker van Dichterbij en

Bureau Jeugdzorg kent de rechtbank niet de waarde toe die eiser daaraan toegekend wil zien, nu deze verklaringen zeer beknopt zijn.

Ondersteunend bewijs kan naar het oordeel van de rechtbank verder worden gevonden in de getuigenverklaringen van de (voormalige) buurtbewoners van [(ex)partner]. De getuigen

[getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] woonden in de gehele periode hier van belang aan de Papaverstraat. Met uitzondering van getuige [getuige 2], die niet met zekerheid kan stellen dat eiser op het adres woonachtig is, hebben de buurtbewoners in min of meer gelijkluidende bewoordingen verklaard dat aan de [adres I] te [gemeente] een gezin bestaande uit een man, een vrouw en twee (pleeg)kinderen woonachtig is. De betreffende buurtbewoners hebben eiser van een foto herkend als de man van het gezin.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ondersteunend bewijs ook worden gevonden in de diverse waarnemingen die zijn verricht. Zo is bij waarnemingen op wisselende dagen en tijdstippen gedurende de periode van 13 mei 2009 tot en met 27 mei 2009 de auto van eiser dagelijks waargenomen in de nabijheid van de woning van [(ex)partner] en is gezien dat eiser vanaf de woning van [(ex)partner] naar zijn werkadres vertrok en in de avond naar de woning terugkeerde. Bij stelselmatige observaties van de woning van [(ex)partner] in de periode van

5 juni 2009 tot en met 3 juli 2009 is voorts waargenomen dat eiser gedurende de periode van 5 juni tot 29 juni 2009 in de ochtend vanaf het adres van [(ex)partner] naar zijn werk is vertrokken en vanaf zijn werkadres direct naar de woning terug is gekeerd en met een eigen sleutel de voordeur heeft geopend en binnen is gegaan. Tenslotte is bij enkele waarnemingen in de periode van 8 februari 2010 tot 24 februari 2010 de auto van eiser slechts één keer niet in de directe omgeving van de woning van [(ex)partner] gezien.

Nu verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser in de periode van 26 november 2008 tot 28 februari 2010 niet in gemeente Wijchen woonachtig was, had eiser in de betreffende periode geen recht op bijstand. Door geen mededeling te doen van zijn hoofdverblijf in de betreffende periode buiten de gemeente Wijchen, is eiser tekortgeschoten in zijn wettelijke verplichting tot het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb bevoegd was het recht op bijstand van eiser over deze periode in te trekken en de ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van € 15.959,63 op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb van eiser terug te vorderen. De rechtbank merkt daarbij op dat de stelling van eiser dat de bijstand die hij vanaf 6 april 2006 ontving niet kan worden teruggevorderd, omdat deze dient te gelden als loon voor zijn werkzaamheden in het kader van het project “Wijchen Schoon”, niet kan slagen. Uit de dossierstukken blijkt dat eiser een werkstage als voorziening gericht op arbeidsinschakeling is toegekend en dat daarbij uitdrukkelijk is vermeld dat de werkzaamheden met behoud van bijstand worden verricht. Voor zover eiser van mening is dat de werkstage niet aan de daarvoor geldende wettelijke bepalingen voldoet, had hij bezwaar kunnen maken tegen de beschikking waarbij de voorziening is toegekend.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. E. Horsthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Kjellevold - Hoegee, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 4 oktober 2011