Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BT2634

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
193530
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BN 1746 en BQ 7084.

Rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om de waarde van de zaken zonder een taxateur afdoende te kunnen bepalen. Verklaring voor recht dat de SLOH is gehouden de zich nog in haar bezit zijnde zaken van SHK over te nemen tegen betaling van € 8.203,79.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 193530 / HA ZA 09-2222

Vonnis van 14 september 2011

in de zaak van

de stichting

STICHTING HEUMENSE KABELKRANT,

gevestigd te Malden, gemeente Heumen,

eiseres,

advocaat mr. A.G.W. Leysen te Nijmegen,

tegen

de stichting

STICHTING LOKALE OMROEP HEUMEN,

gevestigd te Malden, gemeente Heumen,

gedaagde,

advocaat mr. drs. L. aan den Toorn,

procesadvocaat mr. W.J.M. Gitmans, beiden te Nijmegen.

Partijen zullen hierna SHK en SLOH genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 mei 2011

- de akte na tussenvonnis van de zijde van de SHK

- de antwoordakte van de zijde van de SLOH.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank handhaaft hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 25 mei 2011. In dat vonnis is de SHK in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over hetgeen in dat vonnis is overwogen in rechtsoverweging 2.4. Daarin zijn twee nieuwe verweren weergegeven die de SLOH bij antwoordakte heeft gevoerd op basis van de jaarstukken van de SHK en van het verzekerde bedrag van de zaken in geschil.

2.2. Partijen debatteren in hun akte en antwoordakte na tussenvonnis over de vraag of bepaalde zaken door de SHK zijn aangeschaft. De rechtbank gaat aan dat debat voorbij. Nadat de SHK bij conclusie na tussenvonnis haar lijst met zaken voorzien van bonnen dan wel facturen en betaalbewijzen had gepresenteerd, heeft de SLOH immers bij antwoordakte van 30 maart 2011 onder 16 het standpunt ingenomen dat zij niet zozeer betwist dat de SHK de door haar opgevoerde zaken heeft aangeschaft, maar wel dat zij al deze zaken aan haar ter beschikking heeft gesteld. In het tussenvonnis van 25 mei 2011 is dat standpunt weergegeven (in rechtsoverweging 2.4). De SHK diende zich daarom in haar reactie op de twee nieuwe verweren te beperken tot hetgeen de partijen, gezien dit standpunt van de SLOH, thans nog verdeeld houdt, namelijk: welke zaken heeft de SHK aan de SLOH ter beschikking gesteld en wat is de actuele waarde in het economisch verkeer van die zaken.

2.3. De SLOH heeft de door de SHK geclaimde investeringen in de zaken ten behoeve van de SLOH vergeleken met de officiële jaarstukken van de SHK. Volgens de SLOH is het totaal van de bedragen die de SHK in de jaren 2001 tot en met 2005 volgens deze stukken heeft geïnvesteerd in goederen ten behoeve van de SLOH € 72.612,90, derhalve substantieel minder dan thans door de SHK wordt gevorderd, ook na aftrek van BTW. De SHK heeft daartegen ingebracht dat de vergelijking die de SLOH maakt met de in de jaarstukken opgevoerde investeringen in zoverre mank gaat, dat daar alleen bedragen zijn opgenomen die betrekking hadden op zaken waarop gedurende meerdere jaren zou worden afgeschreven en dat er in overleg met de toenmalige en huidige penningmeester van de SLOH voor is gekozen het merendeel van de aangekochte zaken in één jaar af te schrijven, zodat de met de aankoop daarvan gemoeide bedragen niet in de jaarstukken zijn terug te vinden (akte na tussenvonnis onder 4).

2.4. Hierover wordt als volgt overwogen. Als wordt aangenomen dat de SHK ten behoeve van de SLOH heeft geïnvesteerd in zaken die zij in één jaar heeft afgeschreven, volgt daaruit in beginsel niet dat deze zaken na een jaar geen waarde meer hebben. Dat neemt echter niet weg dat deze omstandigheid in het onderhavige geval, waarin het in hoofdzaak gaat om elektronische apparatuur die naar zijn aard snel veroudert, waarin kennelijk een keuze is gemaakt sommige zaken gedurende een langere periode af te schrijven en andere niet, en waarin inmiddels geruime tijd is verstreken sinds de aankoop van die apparatuur, een indicatie geeft dat de waarde van deze afgeschreven zaken na 1 januari 2010 (zie de overeenkomst van 30 april 2007 onder n) verwaarloosbaar moet worden geacht. Dit zal in het hierna te geven oordeel worden betrokken.

2.5. De SLOH heeft voorts, onder verwijzing naar een als productie in het geding gebrachte ‘Specificatie van verzekerde objecten t.n.v. St. Lokale Omroep Heumen te Malden e/o’ van 7 juni 2007, waarin als waarde van de ‘bedrijfsuitrusting/inventaris’ een bedrag is opgenomen van € 10.000,-, betoogd dat het ongeloofwaardig is dat deze zaken eigenlijk tien keer zo veel waard zouden zijn. De SHK heeft hiertegen ingebracht dat de SLOH eraan voorbij ziet dat niet alleen de zaken op de Veldsingel ook de zaken op de Ambachtsweg, alwaar zich de zendinstallatie bevond of nog bevindt, meegenomen moeten worden.

2.6. Hierover wordt als volgt overwogen. Het verzekerde bedrag van de inventarissen aan de Veldsingel en de Ambachtsweg samen bedraagt volgens de genoemde specificatie van 17 juni 2007 € 25.000,- (€ 10.000,- + € 15.000,-). Het is gesteld noch gebleken dat de zaken zijn onderverzekerd. Ook uit dit verzekerde bedrag kan de actuele verkoopwaarde van de inventarissen in het economisch verkeer na 1 januari 2010 niet zonder meer worden afgeleid, maar dat neemt niet weg dat ook deze waardering een indicatie daarvan geeft, namelijk dat deze niet hoger zal zijn dan het verzekerde bedrag en daarmee aanmerkelijk lager dan het totale door de SHK gepretendeerde aankoopbedrag. Ook deze indicatie zal in het hierna te geven oordeel worden betrokken.

2.7. Het had op de weg van de SHK gelegen voldoende te stellen over de terbeschikkingstelling van de zaken waarvan zij vergoeding verlangt, meer in het bijzonder van die zaken waarvan de SLOH de terbeschikkingstelling heeft betwist (dat zijn dus alle zaken behalve de in het taxatierapport van de Elberg Groep van 25 januari 2010 genoemde en de zaken in de zendruimte op de Ambachtsweg). Hoewel de SHK daartoe de gelegenheid heeft gehad bij dagvaarding, ter comparitie, bij akte en bij conclusie na tussenvonnis, heeft zij dat niet gedaan. De lijst van ter beschikking gestelde zaken die had moeten zijn gehecht aan de overeenkomst van 30 april 2007 is er niet (vonnis van 23 juni 2010 onder 3.7). In haar akte na tussenvonnis onder 2 (laatste alinea, bladzijde 4) heeft de SHK (al was zij daartoe in dat stadium niet meer in de gelegenheid) verwezen naar foto’s die zijn ingebracht in de procedure met rolnummer 08-1769 waarop volgens haar ‘vele’ van de door haar op de lijst genoemde zaken te zien zouden zijn. Zij heeft deze foto’s in de onderhavige procedure niet ingebracht en zij heeft dus ook niet de bedoelde zaken op deze foto’s aangewezen. Een concreet aanbod te bewijzen dat zij de zaken in geschil aan de SLOH ter beschikking heeft gesteld, heeft de SHK niet gedaan. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de SHK niet toelaten tot het bewijs van de stelling dat zij de zaken in geschil daadwerkelijk aan de SLOH ter beschikking heeft gesteld.

2.8. De SLOH heeft erkend dat de zaken op het taxatierapport van de Elberg Groep van 25 januari 2010 en de zaken in de zendruimte aan haar ter beschikking zijn gesteld. De rechtbank begrijpt dat de zaken in de zendruimte de zaken zijn die staan onder 8 op de lijst die de SHK als productie 10 heeft overgelegd bij akte na tussenvonnis.

2.9. De SLOH heeft de taxatie door de Elberg Groep betwist. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten eerste is zij niet bij de taxatie aanwezig geweest, zodat zij niet heeft kunnen verifiëren of wel alle zaken aan de taxateur zijn getoond. Hiervoor is reeds beslist dat de SHK niet zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij de zaken in geschil, dat wil zeggen de zaken die niet zijn opgenomen in het taxatierapport van de Elberg Groep, aan de SLOH ter beschikking heeft gesteld. Daarom wordt ook dit bezwaar tegen de taxatie door de Elberg Groep gepasseerd. Ten tweede heeft de SHK als bezwaar aangevoerd dat de Elberg Groep is uitgegaan van de losse verkoop van de apparatuur terwijl volgens de SHK de waarde ‘meer in de zin van going concern’ moet worden vastgesteld. Daarover is reeds beslist in het tussenvonnis van 10 november 2010 onder 2.7 (waar in de voorlaatste regel per abuis staat: ‘zoals door de SLOH bepleit’; dat moet zijn: ‘zoals door de SHK bepleit’). Ten slotte heeft de SHK betoogd dat bij de waardering moet worden betrokken dat de SHK afgezien van de aanschafkosten ook kosten heeft gemaakt om de apparatuur ‘up to date’ te houden. Zij wordt daarin niet gevolgd omdat de SHK aanspraak kan maken op een vergoeding van de actuele verkoopwaarde in het economisch verkeer en de kosten om de apparatuur ‘up to date’ te houden daarin opgaan. De conclusie is dat de bezwaren tegen de taxatie van de Elberg Groep ongegrond zijn. Nu die taxatie de rechtbank overigens aannemelijk voorkomt, zal zij zich bij het hierna te geven oordeel op die taxatie baseren.

2.10. Hoewel de rechtbank in het tussenvonnis van 23 juni 2010 de partijen heeft gevraagd een taxateur voor te stellen, acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om de waarde van de zaken zonder een taxateur afdoende te kunnen bepalen (HR 11 juli 2008, NJ 2008, 401).

2.11. De SLOH heeft erkend dat de Elberg Groep de zaken in de zendruimte niet heeft getaxeerd maar dat deze wel door de SHK aan haar ter beschikking zijn gesteld. Dat deze zaken een waarde vertegenwoordigen als de SHK voor ogen staat, is in het geheel niet aannemelijk geworden, mede gezien de jaarcijfers zoals hierboven overwogen. Stellingen over de snelheid waarmee de waarde van deze zaken afneemt ontbreken. Daarom wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de zaken in de zendruimte evenveel in waarde zijn gedaald als die in de studio. De waardedaling van de zaken in de studio kan worden weergegeven in een factor die de uitkomst is van een deling van de waarde die de Elberg Groep heeft toegekend aan deze zaken door de aankoopwaarde volgens het overzicht van de SHK (voornamelijk onder 6). De waarde van de zaken in de zendruimte kan dan worden bepaald door de aankoopwaarde volgens het overzicht van de SHK (opgenomen onder 8) met die factor te vermenigvuldigen. Daarbij wordt verdisconteerd dat de SLOH onbetwist en door een bankafschrift gestaafd heeft gesteld dat zij de kosten van de antenne (post 8-3 op de lijst van de SHK) reeds aan [betrokkene] heeft vergoed. Dat alles leidt tot de conclusie dat de SHK aanspraak kan maken op een vergoeding voor de zaken in de zendruimte van € 8.909,92 × 0,18 = € 1.603,79.

2.12. De SHK heeft bij dagvaarding gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de SLOH gehouden is de zich nog in haar bezit bevindende goederen per 1 januari 2010 aan haar terug te geven dan wel tegen een aannemelijk bod over te nemen. Nadat de rechtbank de SHK had verzocht duidelijk te maken of de inzet van de procedure teruggave van de zaken is of overname daarvan door de SLOH (vonnis van 23 juni 2010, rechtsoverweging 3.7), heeft de SHK gesteld dat zij ‘er de voorkeur aan geeft dat de inzet van deze procedure de overname van de apparatuur door gedaagde is’ (akte van 18 augustus 2010 onder 3), zonder evenwel haar eis te wijzigen. De rechtbank heeft vervolgens in haar vonnis van 10 november 2011 onder 2.2 overwogen de vordering in dat licht te zullen beschouwen. Aldus zal voor recht worden verklaard dat de SLOH gehouden is de zich nog in haar bezit bevindende goederen over te nemen tegen betaling van een bedrag van € 8.203,79 (te weten € 6.600,- + € 1.603,79). De gevorderde verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad zal niet worden gegeven om dat deze verklaring voor recht zich niet leent voor tenuitvoerlegging.

2.13. De vordering van de SHK om de SLOH te veroordelen tot betaling van een dwangsom wordt afgewezen, reeds omdat geen veroordeling wordt uitgesproken maar een verklaring voor recht wordt gegeven, zoals gevorderd (artikel 611a lid 1 Rv).

2.14. De SHK heeft de veroordeling van de SLOH gevorderd tot betaling aan haar van € 500,- aan incassokosten. Zij heeft zich daartoe beroepen op de overeenkomst van 30 april 2007 onder letter l, waar staat dat ten laste van de SLOH komen de kosten van alle gerechtelijke en buitengerechtelijke maatregelen die de SHK noodzakelijk acht voor het behoud van alle roerende en onroerende zaken die eigendom zijn van de SHK en ter beschikking zijn gesteld aan de SLOH. Zij heeft gesteld dat haar advocaat voorafgaand aan de procedure tevergeefs heeft getracht de SLOH te bewegen tot een standpuntbepaling althans tot het standpunt dat de ter beschikking gestelde zaken moesten worden teruggegeven of tegen een aannemelijk bod overgenomen. De SLOH heeft daartegen onder meer ingebracht dat de kosten niet zijn onderbouwd, dat de bepaling in de overeenkomst onder letter l ziet op het behoud van zaken en dus niet op de onderhavige vordering en dat de gevorderde kosten ook niet zijn aan te merken als redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW.

2.15. Nu de SHK de buitengerechtelijke kosten niet bij dagvaarding noch naar aanleiding van het hiervoor weergegeven verweer van de SLOH (voldoende) heeft onderbouwd, zal de vordering tot vergoeding van deze kosten worden afgewezen.

2.16. Omdat de partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

3. De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat de SLOH gehouden is de zich nog in haar bezit bevindende zaken van de SHK over te nemen tegen betaling van een bedrag van € 8.203,79 (zegge achtduizend tweehonderddrie euro en negenenzeventig cent);

wijst het meer of anders gevorderde af,

compenseert de proceskosten zo dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op

14 september 2011.

coll.: CLB