Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BT1841

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
11-889
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering van eigenwoningbijdrage op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit. Medebewoner. Gezamenlijke huishouding. Inschrijving GBA. Ongegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/889

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 13 september 2011.

inzake

[Eiser], eiser,

wonende te [woonplaats],

tegen

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 februari 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2010 heeft verweerder de aan eiser toegekende eigenwoningbijdrage op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit (Wbe) ingetrokken (lees: herzien).

Bij besluit van 9 december 2010 heeft verweerder de aan eiser toegekende eigenwoningbijdrage ingetrokken (lees: herzien) en de aan eiser uitbetaalde subsidiebijdragen over de periode mei 2008 tot en met juni 2010 van € 2.428,40 teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten van 24 november en 9 december 2010 gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld. Naar de door partijen ingebrachte stukken, waaronder een door verweerder ingediend verweerschrift, wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 24 augustus 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E.M. Verhoef en mr. K.H. Klaver-Oldenbandringh, beiden werkzaam bij het Agentschap NL van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel b, van de Wbe zijn degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, de eigenaar-bewoner en degene die gezamenlijk met de eigenaar-bewoner de woning bewoont en daarin met hem een gezamenlijke huishouding voert, niet zijnde een bloed- of aanverwant van de eigenaar-bewoner of een pleegkind.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wbe kan de minister de toekenning herzien als deze heeft plaatsgevonden in afwijking van de wet of de daarop rustende bepalingen.

Ingevolge artikel 50, tweede lid, aanhef en onderdeel c, kan aan een besluit als bedoeld in het eerste lid terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf bijdragejaren, voorafgaande aan het lopende bijdragejaar, als de eigenaar-bewoner redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de eigenwoningbijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend.

Verweerder heeft de uitvoering van de Wbe gemandateerd aan Agentschap NL, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Op 15 februari 2008 heeft eiser bij Senternovem (rechtsvoorganger van Agentschap NL) als alleenstaande een aanvraag ingediend voor een eigenwoningbijdrage op grond van de Wbe voor de woning [adres]. De eigenwoningbijdrage is op 4 maart 2008 aan eiser toegekend. Deze bedroeg € 5.604 voor een periode van vijf jaar, ingaande 1 april 2008.

Uit een uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) is Agentschap NL gebleken dat eiser ten tijde van de aanvraag het hiervoor genoemde adres gezamenlijk bewoonde met [medebewoner] (hierna: de medebewoner). Op grond hiervan heeft verweerder in de besluiten van 24 november en 9 december 2010 het recht op de eigenwoningbijdrage herzien en het ten onrechte verstrekte bedrag van € 2.428,40 over de periode van mei 2008 tot en met juni 2010 van eiser teruggevorderd. Hieraan lag ten grondslag dat eiser niet had voldaan aan de informatieplicht, zoals bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Wbe.

Verweerder heeft deze besluiten in het bestreden besluit gehandhaafd, doch de grondslag hiervan gewijzigd, in die zin dat gelet op de hoogte van het gezamenlijke toetsinkomen geen recht bestaat op een eigenwoningbijdrage, zodat dit recht op grond van artikel 50, eerste lid, onder b en c, van de Wbe met terugwerkende kracht is herzien en de ten onrechte reeds uitbetaalde eigenwoningbijdrage op grond van artikel 50, derde lid, van de Wbe is teruggevorderd.

Eiser is het niet eens met de terugvordering van de eigenwoningbijdrage. Eiser heeft aangevoerd dat de medebewoner ten tijde van de aanvraag niet meer bij hem woonde, omdat de relatie in februari 2008 was verbroken. Eiser was er niet van op de hoogte dat de inschrijving in de GBA niet was gewijzigd en heeft de aanvraag te goeder trouw als alleenstaande gedaan. De (onjuiste) inschrijving in de GBA mag hem daarom niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Vanaf mei 2009 is eiser weer met de medebewoner op het adres gaan samenwonen, hetgeen eiser per mail van 24 maart 2009 aan Senternovem heeft gemeld. Eiser keert zich tegen de terugvordering omdat eiser te goeder trouw is geweest en omdat Senternovem naar aanleiding van zijn melding van de samenwoning aan hem heeft meegedeeld dat de eigenwoningbijdrage niet wordt stopgezet.

De rechtbank stelt vast dat als peildatum 1 april 2008 geldt, zijnde de eerste dag van het vijfjaarstijdvak (artikel 1, aanhef en onderdeel l, van de Wbe).

Uit de inschrijving in de GBA blijkt dat de medebewoner per 19 mei 2006 op het adres van de subsidiewoning stond ingeschreven en dat deze situatie op de peildatum ongewijzigd was. Naar aanleiding van zijn bezwaar is eiser zowel voor, als tijdens de hoorzitting door verweerder in de gelegenheid gesteld bewijsstukken te overleggen ter onderbouwing van zijn stelling dat de medebewoner op de peildatum weer bij haar ouders woonde en de samenwoning was beëindigd. Eiser is hierin niet geslaagd.

Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder desgevraagd aangegeven dat eiser alsnog bedoelde bewijsstukken zou kunnen overleggen. Te denken valt daarbij onder andere aan salarisspecificaties van de werkgever of bankafschriften gericht aan het adres van de ouders of een verklaring van de ouders. Daarbij heeft gemachtigde van verweerder opgemerkt dat er meerdere bewijsstukken moeten zijn die het einde van de samenwoning in februari 2008 aannemelijk maken.

In verband hiermee heeft de rechtbank ter zitting aan eiser gevraagd of hij dergelijke bewijsstukken alsnog kan overleggen. Eiser heeft daarop aangegeven dat dit voor hem niet (meer) mogelijk is.

Eiser is er dan ook niet in geslaagd aan te tonen dat hij zijn woning op de peildatum niet meer samen met de medebewoner bewoonde. Dit betekent dat verweerder in dit geval de inschrijving in de GBA doorslaggevend heeft mogen achten, zodat verweerder ervan uit mocht gaan dat de medebewoner op de peildatum de woning gezamenlijk met eiser bewoonde. Gelet hierop heeft verweerder tevens kunnen uitgaan van het bestaan van een gezamenlijke huishouding op de peildatum, aangezien eiser op zichzelf niet heeft bestreden dat tijdens de perioden van samenwoning tevens sprake was van een gezamenlijke huishouding. Gezien het vorenstaande heeft verweerder bij de bepaling van het recht op een eigenwoningbijdrage terecht met het gezamenlijke toetsinkomen van eiser en de medebewoner rekening gehouden.

Niet in geschil is dat het gezamenlijke toetsinkomen te hoog is om voor een eigenwoningbijdrage in aanmerking te komen. Hieruit volgt dat verweerder het recht op een eigenwoningbijdrage in redelijkheid heeft herzien en de ten onrechte reeds uitbetaalde eigenwoningbijdrage van eiser heeft teruggevorderd.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, mr. D.J. Post en

mr. W.H.A.C.M. Bouwens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 13 september 2011.