Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BS8672

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
211023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij arrest, op tegenspraak gewezen, van het hof Arnhem van 29 december 2003 is gedaagde veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, wegens het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd, en het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, meermalen gepleegd. Het betrof onder meer ontuchtige handelingen gepleegd met eiseres.

Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van immateriële schadevergoeding.

Gedaagde heeft om te beginnen bepleit dat eiseres niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, aangezien hij – anders dan eiseres heeft gesteld – niet bij brief van 6 juli 2005 aansprakelijk is gesteld, maar rauwelijks is gedagvaard. Dit verweer wordt verworpen. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat een eiser pas in een vordering uit onrechtmatige daad ontvankelijk is indien de gedaagde buiten rechte aansprakelijk is gesteld. Gedaagde heeft verder aangevoerd dat eiseres haar immateriële schade onvoldoende heeft onderbouwd. De seksuele handelingen die gedaagde met eiseres heeft gepleegd toen zij nog een jong kind was, vormen een aantasting in de persoon van eiseres in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW. De hoogte van de immateriële schadevergoeding moet naar billijkheid worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en ernst van het misbruik en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 211023 / HA ZA 11-96

Vonnis van 7 september 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P.L.O. van de Waarsenburg te Nijmegen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P-P.F. Tummers te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 mei 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 25 augustus 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is geboren op 6 april 1982. [gedaagde] is geboren op 7 december 1948.

2.2 Bij arrest, op tegenspraak gewezen, van het hof Arnhem van 29 december 2003 is [gedaagde] veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, wegens het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd, en het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, meermalen gepleegd.

2.3. Het betrof onder meer ontuchtige handelingen gepleegd met [eiseres]. Ten aanzien van [eiseres] heeft het hof bij genoemd arrest bewezen verklaard dat [gedaagde] in de periode van 1 januari 1988 tot en met 30 november 1991 meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Verder heeft het hof bewezen verklaard dat [gedaagde] in de periode van 1 december 1991 tot en met 31 december 1994 met [eiseres] meermalen buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Het hof heeft bewezen verklaard dat de ontuchtige handelingen bestonden in het opzettelijk ontuchtig met zijn stijve penis heen en weer bewegen tegen en/of tussen de benen en/of tegen de vagina van [eiseres] en/of laten vastpakken en aftrekken van zijn, verdachtes, penis en/of likken van de vagina en/of clitoris van [eiseres].

2.4. Bij de stukken bevindt zich een medisch onderzoeksverslag van UWV, gedateerd 26 oktober 2006, betreffende [eiseres]. Het betreft een medisch onderzoek aangaande een beslissing inzake het al dan niet toekennen van een uitkering Wajong aan een vroeggehandicapte. Hieruit wordt geciteerd:

“Onderzoek

Medische gegevens: (…)

Voorgeschiedenis: Post traumatische stress vanwege jarenlang misbruik door kennis van familie die op belanghebbende paste als haar moeder ging werken. Ze ontwikkelde gedragsstoornissen, was recalcitrant. Risicovol gedrag en lijdt nu aan flinke depressies.

Reïntegratiepogingen van CWI zijn mislukt omdat belanghebbende het vaak liet afweten, miste afspraken door depressie. Ze gaat nu in therapie. (…)

Therapie:

Behandelingsplan moet nog worden opgesteld. Belanghebbende wilde per se niet klinisch worden behandeld, omdat ze haar zoontje niet wil achterlaten. Waarschijnlijk zal eerst ondersteunende gesprekken ter voorbereiding op een dagbehandeling aan de orde zijn.

Persoonlijk en sociaal functioneren/Sociale gegevens:

Belanghebbende woont nu weer bij haar moeder, maar komt te wonen met RIBW ondersteuning, in het huis vlak bij moeders huis. Ze heeft geen vrienden, neiging zich terug te trekken.

Hobby’s: geen

Onderzoek psyche:

Belanghebbende presenteert zich op een matte en vlakke wijze.

Het bewustzijn is beperkt tot de eigen beperkte leefwereld, de geheugenfunctie is zwak, data en feiten zijn slechts moeizaam reproduceerbaar. De aandacht en concentratie zijn slecht, de gedachtegang wordt beheerst door de eigen problematiek. Een gebrek aan energie c.q. overheersende vermoeidheid bepaalt dat er nauwelijks sprake van handelen en willen. Er is sprake van een verminderde interesse en plezier beleving. Het zelfbeeld wordt overheerst door een gering gevoel van eigenwaarde met gevoelens van waardeloosheid met schuldgevoelens. (…)

Er is sprake geweest van een ernstige traumatische ervaring in het verleden met nu een recidiverende gevoelens van herbeleven (associaties, dromen) waardoor intens psychisch lijden bestaat. Gedachten en activiteiten die associëren worden vermeden en het oorzakelijke trauma wordt verdrongen tot volledige psychogene amnesie toe. Daardoor is er sprake van verminderde belangstelling voor activiteiten, emotionele onthechting en vervlakking van het affect en een beperkt toekomst perspectief. Tevens zijn er kenmerken van verhoogde prikkelbaarheid (slaapstoornis, concentratiezwakte, schrik en angst reacties, fobische reacties). Dit beeld duurt al langer dan een maand. Het beeld is dat van een posttraumatische stress stoornis met een reactieve depressieve episode. (…)

Diagnose:

(…) Posttraumatische stress stoornis.

Belastbaarheid:

(…) Belanghebbende kan hooguit in een beschutte omgeving werk verrichten en heeft blijvend veel begeleiding nodig. Belanghebbende dient aangepast werk te krijgen. Werken onder tijdsdruk en in een dwingend werktempo kan belanghebbende niet en evenmin kan belanghebbende overweg met conflicterende functie eisen.

Belastbaarheidsprognose:

Op termijn van een jaar is niet of nauwelijks kans op een relevante verbetering, maar gezien de aard van de aandoening en de behandeling is op langere termijn de kans op verbetering redelijk tot goed. (…).”

2.5. In een aanvullende rapportage van 9 november 2006 van het UWV staat vermeld:

“Thans verkregen informatie van derden: Er is bij de GGZ geconstateerd dat er sprake was van een PTSS, persoonlijkheidsstoornis lijkt niet zo’n sprake te zijn.

De behandeling is eerst gericht op verduidelijking van de hulpvraag en kijken of belanghebbende baat zou hebben bij medicatie of behandeling van PTSS.

Beschouwing/Consequenties:

De GGZ geeft geen evidente psychische stoornis aan behalve het PTSS. Mogelijk wordt de behandeling niet zo intensief als belanghebbende het voorspiegelde. Vandaar dat de herbeoordeling vervroegd dient te worden.”

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 11.071,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 1988 en proceskosten. [eiseres] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar vanaf haar 5e tot haar 12e levensjaar seksueel te misbruiken, waardoor haar gevoel van veiligheid en vertrouwen onomkeer is beschaamd en geschaad. [eiseres] heeft daardoor een posttraumatische stressstoornis opgelopen. Zij is volledig afgekeurd en in de Wajong beland.

3.2. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. [gedaagde] heeft uitdrukkelijk geen tegenbewijs van het arrest van 29 december 2003 aangeboden. Het arrest van 29 december 2003 heeft ingevolge artikel 161 Rv dwingende bewijskracht. Daarom is uitgangspunt voor de verdere beoordeling dat [gedaagde] in de periode van 1 januari 1988 tot en met 31 december 1994 ontuchtige handelingen met [eiseres] heeft gepleegd, bestaande uit het met met de stijve penis heen en weer bewegen tegen of tussen de benen of de vagina van [eiseres], het zich door haar laten aftrekken en het likken van haar vagina en clitoris. [eiseres] was in die periode tussen de vijf en twaalf jaar oud.

3.3. [gedaagde] heeft om te beginnen bepleit dat [eiseres] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, aangezien hij – anders dan [eiseres] heeft gesteld – niet bij brief van 6 juli 2005 aansprakelijk is gesteld, maar rauwelijks is gedagvaard. Dit verweer wordt verworpen. Ook al zou [eiseres] [gedaagde] rauwelijks hebben gedagvaard, dan nog staat dat aan haar ontvankelijkheid niet in de weg. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat een eiser pas in een vordering uit onrechtmatige daad ontvankelijk is indien de gedaagde buiten rechte aansprakelijk is gesteld.

3.4. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [eiseres] haar immateriële schade onvoldoende heeft onderbouwd. Ook dat verweer wordt verworpen. Hoewel de overgelegde documentatie vrij summier is, kan daaraan desondanks voldoende worden ontleend. [gedaagde] heeft de inhoud van de onderzoeksverslagen van UWV ook niet betwist. De rechtbank leidt daaruit het volgende af. Uit de voorgeschiedenis opgetekend door UWV blijkt dat sprake is geweest van jarenlang misbruik door een kennis van de familie ([gedaagde]) die op [eiseres] paste als haar moeder aan het werk was. [eiseres] ontwikkelde gedragsstoornissen en een posttraumatische stressstoornis, vertoonde risicovol gedrag. Ten tijde van het onderzoek is onder meer sprake van verminderde belangstelling voor activiteiten, emotionele onthechting, vervlakking van het affect. De diagnose luidt posttraumatische stressstoornis. Op het moment van onderzoek is [eiseres] naar het oordeel van de verzekeringsarts niet in staat te werken. Wel ziet de verzekeringsarts op termijn een redelijk tot goede kans op verbetering.

3.5. De seksuele handelingen die [gedaagde] met [eiseres] heeft gepleegd toen zij nog een jong kind was, vormen een aantasting in de persoon van [eiseres] in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW. De hoogte van de immateriële schadevergoeding moet naar billijkheid worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en ernst van het misbruik en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Van belang is dat [eiseres] als jong kind afhankelijk was van [gedaagde], die op haar paste als haar moeder niet thuis was. Uit de bewezenverklaring van het hof blijkt dat sprake is geweest van vergaand misbruik, bestaande uit onder meer aftrekken en orale seks, gedurende een periode van zes jaren. Zoals ook het hof in zijn arrest van 29 december 2003 heeft overwogen, leert de ervaring dat slachtoffers veelal ernstige en langdurige geestelijke schade ondervinden van dergelijke handelingen. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat [eiseres] lijdt of heeft geleden aan een posttraumatische stress stoornis. Ook hier blijkt uit het rapport van UWV dat zich bij [eiseres] in haar jeugd gedragsstoornissen hebben ontwikkeld, dat zij nauwelijks tot geen arbeid heeft kunnen verrichten en dat op 24-jarige leeftijd sprake was van een posttraumatische stressstoornis waarvoor zij therapie nodig had. Bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel is voldoende aannemelijk dat de psychische problematiek waarmee [eiseres] te kampen heeft, is veroorzaakt door het handelen van [gedaagde]. De advocaat van [eiseres] heeft ter zitting toegelicht dat [eiseres]s toestand tot op heden onveranderd is, dat zij een Wajong-uitkering geniet en begeleid woont. Wat daar ook van zij, ook al kan omtrent de huidige situatie van [eiseres] bij gebreke van nadere onderbouwende stukken niets worden vastgesteld, dat neemt niet weg dat hetgeen wel vast staat naar het oordeel van de rechtbank een smartengeld ter hoogte van het gevorderde bedrag rechtvaardigt, mede in aanmerking genomen de door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toegekende bedragen.

3.6. Het verweer dat [eiseres] onvoldoende heeft medegewerkt aan haar herstel wordt verworpen. Daarvoor zijn onvoldoende aanwijzingen. Het kan niet aan [eiseres], die de zorg heeft voor een kind, worden tegengeworpen dat zij in 2006 niet bereid was klinische behandeling te ondergaan, maar dagbehandeling prefereerde. Bovendien acht de rechtbank al hetgeen is komen vast te staan over de periode vóór 2006 voldoende voor toewijzing van het gevorderde bedrag.

3.7. Voor matiging van de schadevergoeding ziet de rechtbank gezien de ernst van de normschending geen grond. Naar de advocaat van [eiseres] ter comparitie onbetwist heeft aangevoerd, is bovendien aannemelijk dat [eiseres] ook materiële schade heeft geleden, zodat in feite al sprake is van matiging doordat [eiseres] slechts smartengeld vordert.

3.8. De slotsom is dat de vordering in hoofdsom wordt toegewezen.

3.9. Over de rente wordt als volgt overwogen. De momenten van misbruik, tussen januari 1988 en januari 1995 gepleegd, moeten worden beschouwd als evenzovele onrechtmatige daden. Deels zijn die gelegen in de periode voor de inwerkingtreding – per 1 januari 1992 – van het nieuwe BW, deels na de inwerkingtreding van het nieuwe BW. Voor de vordering tot schadevergoeding voortvloeiend uit de onrechtmatige daden, gepleegd na 1 januari 1992, is het nieuwe BW van toepassing en treedt het verzuim ingevolge artikel 6:83 onder b BW zonder ingebrekestelling in. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen vanaf het moment dat aan de onrechtmatige handelingen een einde is gekomen, dus vanaf 1 januari 1995.

3.10. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 96,26

- betaald griffierecht € 71,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal € 1.071,26

3.11. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 11.071,00 (elfduizendéénenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 1 januari 1995 tot de dag van volledige betaling,

4.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.071,26, welk bedrag moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.