Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BS8667

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
206434
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:7057, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis, art. 1065 Rv..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206434 / HA ZA 10-1971

Vonnis van 7 september 2011

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar het recht van Liechtenstein

AQUA FINA AG,

gevestigd te FL-9490 Vaduz, Liechtenstein,

2. [eis.2]

wonende te [woonplaats],

3. [eis.3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Kabalt te Breukelen (UT).

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Aqua Fina c.s. en afzonderlijk als Aqua Fina, [eis.2] en [eis.3]. Gedaagde zal [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 maart 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 30 mei 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 30 september 2000 sluiten [gedaagde] en TF Terra Fina AG (hierna: Terra Fina AG) een schriftelijke arbeidsovereenkomst waarbij [gedaagde] wordt aangesteld in de functie van statutair directeur van Terra Fina AG. De Deze arbeidsovereenkomst, die is getekend door [gedaagde], namens Terra Fina AG door [betrokkene1] als ‘Aktionärsvertreter’ en ten slotte door [betrokkene2] als ‘Vorsitzende des Aufsichtsrats’ luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 3 Duur dienstbetrekking

- De dienstbetrekking is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten voor de periode van 10 jaren. […]

Artikel 4 Salaris

TFAG betaalt aan [gedaagde] een salaris van DM 25.000,-- bruto per maand […]

[…]

Artikel 8 Vergoeding wegens vervroegde beëindiging van de arbeidsovereenkomst

- Indien TFAG zich genoopt ziet de arbeidsovereenkomst aan [gedaagde] op te zeggen en aan [gedaagde] ontslag te verlenen als bestuurder, zonder dat er sprake is van een dringende reden in de zin van het Burgerlijk Wetboek, zal TFAG en/of haar aandeelhouders aan [gedaagde] een schadeloosstelling betalen welke gelijk is aan het de som van de bedragen welke [gedaagde] nog van TFAG zou ontvangen in het geval deze overeenkomst tot de overeengekomen einddatum zou hebben voortgeduurd.

[…]

Het belang van dit artikel 8 wordt door alle partijen onderschreven en is gebaseerd op het ondernemingsplan hetwelk is opgesteld door GM/HMW-Krefeld, advocaten en accountants. Dit ondernemingsplan is uitgangspunt voor de schadevergoeding waarop [gedaagde] recht heeft ingeval van voortijdige beëindiging. Partijen stellen de hoogte van de schadevergoeding reeds nu vast op

DM 50.000.000,-- en zal niet verder contant gemaakt behoeven te worden. […]

Artikel 12 Aansprakelijkheid

Aandeelhouder en “Aufsichtsrat” van TFAG komen overeen dat zij persoonlijk voor het geheel aansprakelijk zijn voor alle schaden voortvloeiende uit deze overeenkomst. [gedaagde] heeft het recht ieder der partijen voor 100% aan te spreken. Mochten aandeelhouders hun aandelen ondergebracht hebben in een rechtspersoon dan heeft [gedaagde] het recht over deze rechtspersoon heen de aandeelhouder(s0 aan te spreken.

[…]

Artikel 14 Toepasselijk recht

Partijen komen overeen dat op deze overeenkomst uitsluitend Nederlands recht van toepassing is, daar [gedaagde] zijn werkzaamheden zowel binnen als buiten Nederland moet verrichten. […]

Artikel 15 Arbitrage

Alle geschillen voortvloeiende uit deze overeenkomst zullen worden beslecht middels arbitrage onder Voorzitterschap van de Kamer van Koophandel te Arnhem. Deze arbitrage bindt partijen met uitsluiting van alle andere mogelijkheden. Hoger beroep is tevens uitgesloten

De arbitragecommissie zal samengestelt zijn uit een Nederlandse advokaat naar keuze van [gedaagde], een Duitse advokaat naar keuze van TFAG en de Voorzitter door de Kamer van Koophandel te Arnhem

[…]

2.2. Op 19 februari 2002 geeft [gedaagde], bij monde van zijn advocaat mr. Kabalt, in een schriftelijk verzoek tot arbitrage te kennen dat hij een geschil bij de arbitragecommissie wenst aan te brengen tegen Terra Fina AG, Aqua Fina, Terra Fina Beteiligungs- und Verwaltungs GmbH (hierna: Terra Fina GmbH), [betrokkene1] (hierna: [ betrokkene1]), [eis.3] en [eis.2]. [gedaagde] vordert hoofdelijke veroordeling van voormelde (rechts)personen tot betaling van “de in de arbeidsovereenkomst vastgestelde vergoeding ad DM 50.000.000,00 (€ 25.564.594,00), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum van indiening van dit verzoek” alsmede hun veroordeling in de kosten van het arbitragegeding. Terra Fina AG is volgens [gedaagde] als contractspartij gebonden aan de arbeidsovereenkomst en Aqua Fina omdat zij aandelen van Terra Fina AG heeft overgenomen (24%). Terra Fina GmbH houdt de overige 76% van de aandelen in Terra Fina AG. [ betrokkene1] is aandeelhouder van Terra Fina GmbH en [eis.3] is aandeelhouder in Aqua Fina. [eis.2] was leningverstrekker aan Aqua Fina.

2.3. De kamer van koophandel in Arnhem wijst mr. M.P.H. Winters aan als voorzitter van het scheidsgerecht.

2.4. Op 4 december 2002 dient [gedaagde] een memorie van eis in.

2.5. Mr. Winters bericht Aqua Fina c.s. bij afzonderlijke brieven van 5 augustus 2003 aangaande het arbitrageverzoek van [gedaagde] en deelt mede dat aan de zijde van [gedaagde] als arbiter is benoemd advocaat mr. P.J. Stronks, kantoorhoudende te Utrecht, en aan de zijde van Terra Fina AG advocaat dr. G.A. Behrens, kantoorhoudende te Kaiserslautern, Duitsland. Voorts verzoekt hij binnen een maand een memorie van antwoord in te dienen.

2.6. Aqua Fina en [eis.2] roepen vervolgens bij brieven van hun advocaat dr. H. Schindler van 2 september 2003 en 2 oktober 2003 de onbevoegdheid van het scheidsgerecht in vanwege (onder meer) het ontbreken van een arbitrageovereenkomst. In de laatste brief wordt het recht voorbehouden om inhoudelijk verweer te voeren (“Für den Fall, dass sich das Schiedsgericht wider Erwarten für zuständig erklären sollte, behalten wir uns eine weitere Stellungname im Hinblick auf die Unbegründetheit der Schiedsklage einschließlich etwaiger Sachanträge […] vor”).

2.7. Op 15 maart 2004 vindt de mondelinge behandeling plaats, bij gelegenheid waarvan dr. Schindler blijkens het proces-verbaal daarvan meedeelt dat hij mede als advocaat van [eis.3] optreedt.

2.8. Vervolgens dient [gedaagde] op 15 juni 2004 een conclusie van repliek in en Aqua Fina c.s. reageren daarop bij brief van 16 juli 2004 (“Replikschriftsatz zur Unzuständigkeit des Schiedsgerichts”). Aqua Fina c.s. hebben hun nadere stellingname daarin uitdrukkelijk tot het ontbreken van een arbitrageovereenkomst beperkt (“nemen wir gemäß Verfügung des Schiedsgerichts vom 17.06.2004 zum Plädoyer des Klägervertreters in der mündlichen Verhandlung und dem Replikschriftsatz vom 15.06.2004 nachstehend insoweit Stellung, als es um die Frage des Bestehens einer Schiedsvereinbahrung zwischen Herrn [gedaagde] und den von uns vertretenden Parteien und somit um die Frage der Zuständigkeit des Schiedsgerichtes geht.”).

2.9. Bij brief van 17 maart 2005 laat mr. Stronks aan mr. Winters weten terug te treden als arbiter en bij brief van 20 april 2005 bericht [gedaagde] aan mr. Winters dat hij kan instemmen met de benoeming van advocaat mr. L. de Leon, kantoorhoudende te Utrecht, als vervangend arbiter.

2.10. Op 15 juli 2005 wijzen de arbiters mrs. Winters en De Leon en dr. Behrens (hierna: het scheidsgerecht) tussenvonnis. Daarin wordt overwogen dat de bevoegdheid van het scheidsgerecht voor alle weren is betwist door Aqua Fina c.s. op de grond dat een geldige overeenkomst van arbitrage ontbreekt. Aqua Fina c.s. stellen niet te zijn gebonden aan de arbeidsovereenkomst, de daarin vervatte arbitrageclausule daaronder begrepen, en voeren aan dat Aqua Fina eerst ná het sluiten van de arbeidsovereenkomst (op 30 september 2000) een gedeelte van het geplaatste aandelenkapitaal van Terra Fina AG heeft verworven (op 19 maart 2001), alsmede dat geen van hen heeft ingestemd met de arbeidsovereenkomst of de daarin vervatte arbitrageclausule (overweging 4.2). [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat Aqua Fina is gebonden aan de arbeidsovereenkomst door de koop van (een deel van) het geplaatste aandelenkapitaal van Terra Fina AG (overweging 4.3). Vervolgens wordt [gedaagde] toegelaten:

“bewijs te leveren van feiten en omstandigheden, waaruit volgt dat AF [lees: Aqua Fina], [eis.3] en/of Langes zich hebben gebonden aan de bepalingen van de arbeidsovereenkomst in dier voege, dat zij als borg of als hoofdelijk medeschuldenaar dan wel op grond van schuldoverneming aansprakelijk zijn voor de nakoming van de verplichtingen van TF AG [lees: Terra Fina AG] voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst, alsmede dat zij de daarin vervatte arbitrageclausule hebben aanvaard”.

2.11. [gedaagde] doet vervolgens acht getuigen horen, waarna [gedaagde] en Aqua Fina c.s. concluderen na enquête in het incident met betrekking tot de onbevoegdheid van het scheidsgerecht, [gedaagde] op 15 november 2007 en Aqua Fina c.s. op 1 februari 2008. Vervolgens wijst het scheidsgerecht op 25 mei 2010 eindvonnis. Daarin wordt geoordeeld, samengevat, dat Aqua Fina c.s. bekend waren met (de inhoud van) de arbeidsovereenkomst (overweging 3.3.3), dat zij deze overeenkomst hebben moeten opvatten als een aan hen gedaan aanbod (overweging 3.3.5) en dat zij zich zodanig hebben gedragen dat daaruit blijkt van hun wil aan de arbeidsovereenkomst gebonden te zijn (overweging 3.3.6). Volgens het scheidsgerecht brengt dit mee dat de overeenkomst tot arbitrage ten aanzien van Aqua Fina c.s. tot stand is gekomen, nu een geschrift voorhanden is hetwelk in arbitrage voorziet, namelijk de arbeidsovereenkomst (overweging 3.4.1). Hierop heeft het scheidsgerecht zich bevoegd geacht om kennis te nemen van de vordering van [gedaagde] en vervolgens geoordeeld dat de vordering van [gedaagde] zal worden toegewezen, omdat deze het scheidsgerecht “niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt” (overweging 3.4.2.3).

Hierop zijn Aqua Fina, Terra Fina AG, Terra Fina GmbH, [eis.3], [ betrokkene1] en [eis.2] hoofdelijk veroordeeld aan [gedaagde] te voldoen de som van € 25.564.594,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 februari 2002 tot aan de dag der voldoening. Voorts zijn Aqua Fina, [eis.3], en [eis.2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van (9/10 van € 30.000,00 =) € 27.000,00 aan kosten van arbitrage, alsmede tot betaling van (9/10 van € 3.961,00 =) € 3.564,90 aan kosten van juridische bijstand.

3. Het geschil

3.1. Aqua Fina c.s. vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het tussen [gedaagde], Terra Fina AG, Terra Fina GmbH, [ betrokkene1], Aqua Fina, [eis.2] en [eis.3] gewezen arbitraal tussenvonnis van 15 juli 2005 alsmede het tussen hen gewezen arbitraal eindvonnis van 25 mei 2010 zal vernietigen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontbreekt een geldige arbitrageovereenkomst (artikel 1065, eerste lid, aanhef en onder a, Rv) ?

4.1 Als eerste en meest verstrekkende vernietigingsgrond hebben Aqua Fina c.s. aangevoerd dat een geldige arbitrageovereenkomst tussen hen en [gedaagde] ontbreekt. Aqua Fina en [eis.2] hebben bij de onder 2.6 vermelde brieven van hun advocaat van 2 september 2003 respectievelijk 2 oktober 2003 in de arbitrage procedure voor alle weren (artikel 1052 lid 2 Rv) een beroep gedaan op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt. Zij kunnen daarom ook thans een beroep doen op de vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 1 en onder a Rv. Volgens [gedaagde] is dat wat betreft [eis.3] niet het geval omdat hij pas een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht heeft gedaan tijdens de mondelinge behandeling op 15 maart 2004. De rechtbank verwerpt dat verweer, omdat de advocaat van Aqua Fina c.s. zich in de arbitrage procedure pas ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 15 maart 2004 (mede) namens [eis.3] heeft gesteld en zich toen (blijkens de als productie 18 bij de dagvaarding overgelegde ‘mondelinge stellingname’) uitdrukkelijk ook namens [eis.3] op de onbevoegdheid van de arbitragecommissie heeft beroepen wegens het ontbreken van een arbitrage overeenkomst. Dat is aan te merken als een voor alle weren gedaan beroep op de onbevoegdheid van arbiters op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt.

4.2 Aqua Fina c.s. hebben in dit verband primair betoogd dat de onder 2.1 genoemde arbitrageovereenkomst tussen Terra Fina AG en [gedaagde] hoe dan ook niet geldig is, enerzijds omdat de arbeidsovereenkomst en het daarin vervatte arbitragebeding niet is getekend door alle leden van de Aufsichtsrat, hetgeen volgens par. 112 AktG wel had gemoeten, anderzijds omdat de arbeidsovereenkomst en het daarin vervatte arbitragebeding ook op grond van par. 84 lid 1 AktG nietig is. Dat artikel bepaalt, op straffe van nietigheid, dat een arbeidsovereenkomst met een bestuurder niet voor een periode langer dan vijf jaar kan worden gesloten, terwijl de onderhavige arbeidsovereenkomst voor een periode van tien jaar is aangegaan. De juistheid daarvan kan in het midden blijven omdat, zoals hierna zal blijken, het subsidiaire betoog, te weten dat Aqua Fina, [eis.2] en [eis.3] geen partij zijn bij de arbitrageovereenkomst, slaagt.

4.3 Bij de beoordeling van de vraag of tussen Aqua Fina, [eis.2], [eis.3] en [gedaagde] een arbitrageovereenkomst is tot stand gekomen moet het volgende worden vooropgesteld. In beginsel zijn enkel de partijen bij een overeenkomst tot arbitrage aan die overeenkomst gebonden. Met een dergelijke overeenkomst doen zij afstand van het recht op toegang tot de bij de wet ingestelde gerechten als bedoeld in artikel 6 EVRM en artikel 17 Grondwet. Dat betekent dat de keuze voor arbitrage – en daarmee ook de afstand van het recht op toegang – ongedwongen, vrijwillig en ondubbelzinnig moet zijn. Artikel 1021 Rv bepaalt daarom dat bij betwisting van een arbitrageovereenkomst, die overeenkomst met een geschrift dient te worden bewezen. In bepaalde gevallen kan een derde aan een arbitrageovereenkomst gebonden worden geacht, bijvoorbeeld in het geval van contracts- en schuldoverneming of een (aanvaard) derdenbeding. Partijen bij de onder 2.1. genoemde schriftelijke arbeidsovereenkomst met het daarin vervatte arbitrale beding (artikel 15) zijn Terra Fina AG en [gedaagde], en niet (tevens) Aqua Fina c.s. Terecht stelt [gedaagde] zich thans niet (langer) op het standpunt dat Aqua Fina en [eis.3] reeds aan de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] en het daarin vervatte arbitragebeding zijn gebonden als gevolg van het feit dat Aqua Fina op 19 maart 2001 een minderheidsbelang van 23% kreeg in het aandelenkapitaal in Terra Fina AG, en dat [eis.3] aandeelhouder is in het aandelenkapitaal van Aqua Fina. In deze zaak stelt [gedaagde] zich echter op het standpunt dat Aqua Fina, [eis.2] en [eis.3] zich als borg of als hoofdelijk medeschuldenaar dan wel op grond van schuldoverneming hebben gebonden aan de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en dat zij de daarin vervatte arbitrageclausule hebben aanvaard (conclusie van antwoord 3.4). Meer in het bijzonder leidt hij uit de in de arbitrale procedure afgelegde getuigenverklaringen af dat Aqua Fina c.s. bekend waren met de arbeidsovereenkomst en vervolgens concludeert hij op basis van een aantal aannames en veronderstellingen tot gebondenheid aan de arbitrageclausule uit de arbeidsovereenkomst. Daarnaast betoogt hij dat artikel 12 uit de arbeidsovereenkomst een derdenbeding bevat. Gelet op het in artikel 6 EVRM verankerde recht op toegang tot de (gewone) rechter en in aanmerking genomen de ratio van artikel 1021 Rv moet er overigens van worden uitgegaan dat, nu Aqua Fina c.s. zich erop beroepen dat geen overeenkomst tot arbitrage is tot stand gekomen, [gedaagde] in dit geding zal moeten bewijzen zijn stelling dat een arbitrageovereenkomst is tot stand gekomen op de wijze als door hem betoogd.

4.4 In de context van de hiervoor beschreven uitgangspunten staat centraal de vraag of Aqua Fina, [eis.2] en [eis.3] zich niet alleen hebben willen verbinden tot de met [gedaagde] gesloten arbeidsovereenkomst, waarvan de arbitrageovereenkomst deel uitmaakt, maar ook, separaat, tot de arbitrageovereenkomst. Niettemin zal de instemming van een partij tot de hoofdovereenkomst veelal ook de instemming impliceren met de daarvan deel uitmakende arbitrageovereenkomst, mits blijkt dat die instemming ongedwongen, vrijwillig en ondubbelzinnig is.

4.5 In de opvatting van [gedaagde] bevat (de tekst van) artikel 12 van de arbeidsovereenkomst een tot Aqua Fina c.s. gericht aanbod tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst, heeft dat aanbod Aqua Fina c.s. bereikt en hebben zij dat ook aanvaard. Die opvatting kan niet worden gevolgd. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

4.6 Allereerst kan niet slagen de stelling dat de tekst van artikel 12 van de tussen [gedaagde] en Terra Fina AG gesloten arbeidsovereenkomst een tot Aqua Fina c.s. gericht aanbod – tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst – bevat. Ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en Terra Fina AG was alleen Terra Fina GmbH aandeelhouder in Terra Fina AG en de tekst van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst noopt geenszins tot de conclusie dat daarmee ook is gedoeld op toekomstige aandeelhouders. Aqua Fina heeft pas in maart 2001 een minderheidsbelang van 24% in Terra Fina AG verworven en [eis.2] noch [eis.3] zijn ooit direct aandeelhouder van Terra Fina AG geworden. Bovendien bevat de tekst van artikel 12 voornoemd enkel het beding dat de aandeelhouder (Terra Fina GmbH c.q. de rechtspersoon waarin de aandelen zijn ondergebracht) en de Aufsichtsrat persoonlijk voor het geheel aansprakelijk zijn voor de (eventuele) schade die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit, en kan daarin niet (tevens) enig aanbod worden gelezen strekkende tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst met derden, noch enig aanbod strekkende tot het aangaan van een overeenkomst van borgtocht (artikel 7:850 BW) , een hoofdelijk mede-schuldenaarschap dan wel een schuldoverneming (artikel 6:155 BW). [gedaagde] werkt dat overigens ook geenszins concreet uit aan de hand van de vereisten die gelden voor de genoemde rechtsfiguren hetgeen, gelet op de onder 4.3 laatste volzin genoemde hoofdregel, wel op zijn weg had gelegen.

4.7 Reeds het voorgaande impliceert dat niet ter zake doet of die arbeidsovereenkomst ooit ter kennis is gebracht van Aqua Fina c.s., want een concreet aanbod om daaraan te worden gebonden als hoofdelijk medeschuldenaar, borg of langs de weg van de schuldoverneming (artikel 6:155 BW) ligt daarin immers niet besloten. Overigens kan de stelling dat die arbeidsovereenkomst Aqua Fina c.s. heeft bereikt, en Aqua Fina c.s. daarmee dus geacht moet worden bekend te zijn, [gedaagde] ook niet baten. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat die arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en Terra Fina AG na het sluiten daarvan al dan niet via de heer [betrokkene3] (één van de (voormalige) aandeelhouders van Aqua Fina) ter kennis is gekomen van Aqua Fina c.s., dat zij daarmee geacht moeten worden op de hoogte te zijn met artikel 12 daarvan en dat er tevens van uitgegaan moet worden dat dit ter kennis brengen bedoeld was als een tot Aqua Fina c.s. gericht aanbod strekkende tot het aangaan van een hoofdelijk medeschuldenaarschap, een borgstelling dan wel tot overname van een schuld uit de arbeidsovereenkomst, dan is daarmee de aanvaarding van een dergelijk aanbod door Aqua Fina, [eis.2] en [eis.3] nog niet gegeven. Uit de afgelegde getuigenverklaringen volgt geenszins dat een dergelijk aanbod is aanvaard door Aqua Fina, [eis.2] en [eis.3] (artikel 6:217 BW) noch bieden die verklaringen voldoende concrete aanknopingspunten die tot de conclusie nopen dat [gedaagde] er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat Aqua Fina, [eis.2] en [eis.3] zich als borg of als hoofdelijk medeschuldenaar dan wel op grond van schuldoverneming hebben willen binden aan de arbeidsovereenkomst. Die aanvaarding ligt wat betreft [eis.3], niet besloten in, noch heeft [gedaagde] dat vertrouwen kunnen putten uit, de enkele omstandigheid dat [betrokkene3] en [eis.3] nauw (zouden) hebben samengewerkt en dat [betrokkene3] op de vergadering van aandeelhouders van Terra Fina AG van 31 augustus 2001 heeft ingestemd met het verlenen van décharge aan het bestuur van Terra Fina AG over het jaar 2000. Dat is alleen al daarom niet het geval omdat de rechtsgevolgen van een décharge van het bestuur van de rechtspersoon niet gelijk zijn te stellen met de rechtsgevolgen van een persoonlijke aanvaarding van gebondenheid als derde bij een tussen andere partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Gebondenheid in voornoemde zin kan ook niet reeds volgen uit het feit dat Aqua Fina c.s. ‘de betreffende artikelen niet (hebben) weersproken’, terwijl voor het overige door [gedaagde] niet is aangegeven uit welke concrete ‘gedragingen’ hij meent gebondenheid van Aqua Fina c.s. in voornoemde zin te kunnen afleiden.

4.8 Daarnaast miskent het betoog van [gedaagde] dat enkele gebondenheid als derde aan de arbeidsovereenkomst in de hiervoor besproken zin nog niet noodzakelijkerwijs gebondenheid impliceert aan het in de arbeidsovereenkomst vervatte arbitrage beding. Daarvoor is immers nodig, zo volgt uit 4.3, dat de keuze voor gebondenheid aan een dergelijk arbitrage beding ondubbelzinnig moet zijn, hetgeen moet worden opgevat als duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Uit het voorgaande volgt reeds dat geen sprake is van een aanvaarding door Aqua Fina c.s. van (enig aanbod tot) gebondenheid aan de arbeidsovereenkomst in de voornoemde zin, laat staan van een ondubbelzinnige aanvaarding die aanvaarding van het arbitrage beding impliceert. Van een duidelijke, niet voor tweeërlei uitleg vatbare keuze van Aqua Fina c.s. voor het arbitrage beding dat is vervat in de schriftelijke arbeidsovereenkomst blijkt niet uit de afgelegde getuigenverklaringen (die daarover niets vermelden), noch zijn door [gedaagde] overigens voldoende concrete feiten aangevoerd die meebrengen dat aan de strenge maatstaf voor gebondenheid aan een arbitraal beding is voldaan.

4.9 Het voorgaande betekent dat [gedaagde] op grond van het door hem aan zijn stellingen ten grondslag gelegde materiaal niet is geslaagd in het bewijs van de door hem gestelde overeenkomst van arbitrage met Aqua Fina c.s., en voorts dat arbiters zich bij gebreke van een geldige overeenkomst van arbitrage ten onrechte bevoegd hebben verklaard. Het bewijsaanbod van [gedaagde] (conclusie van antwoord sub 9) wordt gepasseerd omdat geen nadere feiten zijn aangevoerd die aan het voorgaande kunnen afdoen. De rechtbank kan bij deze uitkomst in het midden laten of – zoals Aqua Fina c.s. stellen – de vraag wat de gevolgen zijn van de verwerving van een deel van de aandelen van Terra Fina AG door Aqua Fina op grond van artikel 2 Wet conflictenrecht corporaties naar Duits recht moet worden beoordeeld omdat – naar eveneens door Aqua Fina c.s. is gesteld en door [gedaagde] niet is weersproken – die gevolgen naar Nederlands recht niet anders zijn (dagvaarding sub 4.28). Hetzelfde geldt ten aanzien van de vraag of Aqua Fina c.s. zich hebben gebonden aan de arbeidsovereenkomst. Die vraag dient volgens Aqua Fina c.s. op grond van artikel 4 lid 5 EVO-verdrag naar Duits recht te worden beantwoord omdat Terra Fina AG haar statutaire zetel in Berlijn heeft, maar – zoals in de stellingen van Aqua Fina c.s. besloten ligt (dagvaarding sub 4.32) en [gedaagde] niet betwist – beoordeling van die vraag vindt naar Nederlands recht niet anders plaats dan naar Duits recht.

4.10 De vernietigingsgrond van artikel 1065, eerste lid, aanhef en onder a, Rv treft derhalve doel.

Strijd met de openbare orde (artikel 1065, eerste lid, aanhef en onder e, Rv) ?

4.11 De rechtbank vindt aanleiding om vervolgens nog de vraag te beoordelen of, zoals Aqua Fina c.s. aanvoeren, de arbitrale vonnissen strijden met de openbare orde.

4.12 Die situatie doet zich hier voor, omdat het scheidsgerecht het beginsel van hoor en wederhoor, een fundamenteel rechtsbeginsel, heeft geschonden. Aqua Fina c.s. hebben hun verweer immers (vooralsnog) beperkt tot het door hen opgeworpen bevoegdheidsincident en voor het overige uitdrukkelijk alle rechten voorbehouden om inhoudelijk verweer te voeren (2.6). Gelet hierop had het scheidsgerecht hen na zijn beslissing in het incident alsnog in de gelegenheid moeten stellen om inhoudelijk verweer te voeren, in plaats van ook direct de hoofdzaak te beslissen met de overweging ‘dat de vordering van [gedaagde] jegens verweerders niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt’.

4.13 Op grond daarvan treft ook de vernietigingsgrond ex artikel 1065, eerste lid, aanhef en onder e, Rv doel.

Slotsom en kosten

4.14 Reeds uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beide arbitrale vonnissen zullen worden vernietigd, uiteraard slechts voor zover dat betrekking heeft op de partijen in deze procedure. Dit betekent dat de overige ingeroepen vernietigingsgronden van artikel 1065, eerste lid, Rv geen bespreking meer behoeven.

4.15 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Aqua Fina c.s. worden begroot op:

- dagvaardingen € 336,51

- griffierecht 263,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 7.021,51

Het voorgaande brengt voorts mee dat [gedaagde] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident, te weten € 3.211,00 (1 punt × tarief € 3.211,00) aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt het arbitraal tussenvonnis van 15 juli 2005 en het arbitraal eindvonnis van 25 mei 2010 gewezen tussen de partijen,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Aqua Fina c.s. tot op heden begroot op € 10.232,51

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A van der Pol, voorzitter, en mr. N.W. Huijgen en

mr. M.J.P. Heijmans, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.