Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR6840

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
11-501
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie op de grond dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd (artikel 7, tweede lid, onder b, Wet wapens en munitie (Wwm)). Vrijwillige inlevering van het verlof voor de intrekking. Dit moet volgens de rechtbank worden geduid als een verzoek van eiser aan de Korpschef om zijn verlof op de d-grond in te trekken (het niet meer voldoen aan de vereisten voor verlening). Nu verweerder onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 7, tweede lid, van de Wwm, volgt vernietiging van het bestreden besluit en wordt de intrekking herroepen op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/501

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 26 juli 2011.

inzake

[Eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. R.M.M. Jacobs,

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 december 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft de Korpschef van de regiopolitie Gelderland-Midden (hierna: de Korpschef) besloten het op 1 februari 2010 aan eiser verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens met daarbij behorende munitie, geregistreerd onder nummer 20060181508 (hierna: het verlof), in te trekken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen door eiser ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard en het besluit van 21 juni 2010 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld.

Naar de door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 8 juni 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.M.M. Jacobs en mr. R. van de Wijngaard, werkzaam bij Jacobs en Joosten Juristen te Grevenbicht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Kruimel, werkzaam bij de Dienst Justis van verweerders ministerie.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet wapens en munitie (Wwm) kunnen - voor zover thans van belang - verloven, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend of door de minister worden ingetrokken:

a. ..;

b. indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;

c. in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie;

d. indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor de verlening daarvan;

e. ..;

f. …

Uit de gedingstukken is de rechtbank het volgende gebleken.

Eiser was in het bezit van een verlof dat geldig was tot 1 februari 2011.

Tijdens een op 27 mei 2010 in eisers woning verrichte doorzoeking zijn diverse soorten wapens en munitie aangetroffen, die niet op het verlof stonden vermeld. Verder is bij eiser 13,2 kilo rookzwak buskruit aangetroffen. De bevindingen van de doorzoeking zijn neergelegd in de op 5 en 19 juli 2010 opgemaakte processen-verbaal.

In vervolg hierop heeft verweerder eiser bij brief van 7 juni 2010 op de hoogte gesteld van zijn voornemen het verlof in te trekken. Op 15 juni 2010 heeft eiser het verlof bij een beambte van de regiopolitie Gelderland-Midden (hierna: de regiopolitie) ingeleverd. Bij besluit van 21 juni 2010 heeft de Korpschef het verlof ingetrokken. Dit besluit heeft verweerder bij het thans bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder is - op basis van de voornoemde processen-verbaal - de Korpschef gevolgd in diens standpunt dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd, omdat eiser in strijd met het in artikel 26, eerste lid, van de Wwm neergelegde verbod wapens en munitie voorhanden had en hij in strijd met de Wet milieubeheer de meer dan maximaal toegestane hoeveelheid buskruit in bezit had. Evenals de Korpschef, heeft verweerder aan de intrekking van het verlof daarom artikel 7, tweede lid, aanhef en de onderdelen b en c, van de Wwm ten grondslag gelegd (hierna de b- en c-grond).

Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen.

Allereerst heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat aan eiser in strijd met de goede procesorde eerst tijdens de hoorzitting een afschrift is verstrekt van de processen-verbaal die aan de intrekking van het verlof ten grondslag zijn gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van de goede procesorde geen sprake, aangezien aan eiser na de hoorzitting nog een redelijke termijn is gegeven om een nadere reactie in te dienen, hetgeen eiser ook schriftelijk heeft gedaan, alvorens het thans bestreden besluit door verweerder is genomen. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.

Eiser heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat hij het verlof op 15 juni 2010 al vrijwillig heeft ingeleverd bij de regiopolitie, zodat verweerder geen reden meer had om tot intrekking van het verlof over te gaan.

Allereerst ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld hoe de inlevering door eiser van het verlof bij de regiopolitie moet worden geduid.

Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht, gaat verweerder ervan uit dat, indien een verlofhouder van zijn verlof af wil, bijvoorbeeld omdat hij zich niet meer bezighoudt met de schietsport, de verlofhouder geen belang meer heeft bij zijn verlof. In een dergelijk geval wordt artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wwm aan de intrekking van het verlof ten grondslag gelegd, omdat wordt aangenomen dat men niet meer voldoet aan de vereisten voor de verlening van het verlof (deze grond wordt hierna aangeduid met: de d-grond).

Tegen deze achtergrond dient de vrijwillige inlevering van het verlof bij de regiopolitie te worden geduid als een verzoek van eiser aan de Korpschef om zijn verlof op de d-grond in te trekken. Het door de Korpschef bij het primaire besluit van 21 juni 2010 intrekken van het verlof op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, van de Wwm, dat in administratief beroep is gehandhaafd, moet daarom mede worden opgevat als een weigering het verlof op de d-grond in te trekken.

De rechtbank stelt vast dat de d-grond een neutrale intrekkingsgrond is, anders dan de b- en c-grond, die worden gehanteerd indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder van het verlof het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of in het geval van misbruik. Vanuit het oogpunt van subsidiariteit waren de Korpschef, en in administratief beroep verweerder, gehouden om bij gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking eerst eisers verzoek tot intrekking van het verlof op de d-grond te beoordelen. Het beoogde doel, intrekking van het verlof, kon immers eveneens met toepassing van deze bevoegdheid worden bereikt, terwijl deze intrekkingsgrond voor eiser minder bezwarend was. Pas daarna bestond ruimte voor een beoordeling aan de hand van de b- en de c-grond. In zoverre is een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 7, tweede lid, van de Wwm. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd naar voren gebracht dat er geen beletselen bestaan voor een intrekking op de d-grond en dat bij nader inzien de d-grond ook ten grondslag kan worden gelegd aan de intrekking van het wapenverlof van eiser. Gelet hierop en teneinde het geschil tussen partijen definitief te beslechten zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gebruik maken van haar bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 21 juni 2010 te herroepen en het verlof met nummer 20060181508 per 15 juni 2010 in te trekken op grond van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wwm.

Eiser heeft ten slotte gesteld dat hij schade heeft geleden en kosten heeft gemaakt. Het gaat om kosten in de vorm van kosten van rechtsbijstand, kantoor- en verzendkosten ten bedrage van in totaal € 1.500 exclusief 19 % BTW. Verder heeft hij een deskundige geraadpleegd, wiens rekening vermoedelijk € 1.000 bedraagt. Ook heeft hij gesteld dat hij kosten zal moeten maken voor het herstel van recht jegens de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA).

Voor zover het de laatstgenoemde kosten betreft, houden deze geen verband met het onderhavige geding, zodat ook de hiermee verband houdende kosten buiten de beoordeling van dit geding blijven. Voor zover het de overige door eiser gevorderde kosten betreft, is het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) van toepassing, dat een systeem van forfaitaire bedragen kent. De rechtbank acht dan ook termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand in administratief beroep (twee punten voor administratief beroepschrift en bijwonen hoorzitting) en € 874 aan proceskosten in beroep (twee punten voor beroepschrift en bijwonen zitting), in totaal € 1.748. De kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Daargelaten dat deze kosten niet door eiser zijn onderbouwd, is niet gebleken dat de deskundige een relevante bijdrage heeft geleverd aan de uitkomst van de onderhavige procedure.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor vergoeding van schade zoals door eiser is gevorderd op grond van artikel 8:73 van de Awb, nu van schade, veroorzaakt door het onderhavige besluit, niet is gebleken. Het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding moet dan ook worden afgewezen.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het bestreden besluit;

III. herroept het besluit van 21 juni 2010;

IV. trekt het verlof met nummer 20060181508 per 15 juni 2010 in op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wwm;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.748;

VII. bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hem vergoedt;

VIII. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, en mr. J.J. Penning en mr. D.J. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 26 juli 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 26 juli 2011.