Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR6838

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
205080
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205080 / HA ZA 10-1736

Vonnis van 31 augustus 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

advocaat dr.mr. J.J.H. Post te Barneveld,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Interpolis genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 augustus 2011

- de akte van [eiser]

- de antwoordakte van Interpolis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij het vorige tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij behoefte heeft aan nadere voorlichting door in beginsel dr. Grotenhuis. De partijen hebben zich daarover kunnen uitlaten.

2.2. [eiser] heeft aangevoerd dat de rapporteurs zijns inziens niet concreter kunnen zijn dat zij zijn geweest. Zo de rechtbank desondanks de vragen beantwoord wil zien, stelt [eiser] voor twee rapporteurs te benoemen, waarbij hij een sterke voorkeur heeft voor artsen die niet reeds eerder hebben gerapporteerd. Voor dat geval heeft [eiser] nog een zestal aanvullende vragen geformuleerd.

2.3. Interpolis vindt het voor de hand liggen dat dr. Grotenhuis wordt aangezocht, aangezien de partijen gebonden zijn aan de rapportages van dr. Van der Laar en dr. Grotenhuis. Zij acht de door [eiser] voorgesteld vragen onnodig en heeft zelf nog een aanvullende vraag geformuleerd.

2.4. Hierover wordt als volgt overwogen. Anders dan [eiser] acht de rechtbank het niet op voorhand zinloos aanvullende vragen te stellen om meer concreet de prognose voor wat betreft de degeneratieve afwijkingen in kaart te brengen. Voor zover de deskundige daar werkelijk niets over kan zeggen is het aan de deskundige dat aan te geven en dat toe te lichten. De rechtbank ziet geen aanleiding een ander dan dr. Grotenhuis te benaderen. Deze deskundige is door de partijen gezamenlijk aangezocht, terwijl [eiser] als bezwaar tegen zijn rapport tot aan de laatste akte uitsluitend heeft aangevoerd dat dr. Grotenhuis geen kennis heeft genomen van de uitslag van de MRI-scan. Dit bezwaar kan door de aanvullende vragen worden ondervangen. Het bezwaar dat dr. Grotenhuis de opdracht als plichtmatig beschouwde en daaraan onvoldoende tijd wenste te besteden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zwaarwegend. [eiser] heeft dit noch bij dagvaarding noch ter comparitie aangevoerd, maar pas bij zijn laatste akte. Dat [eiser] het onderzoek zo heeft ervaren, wil bovendien niet zeggen dat dr. Grotenhuis werkelijk onvoldoende aandacht aan het onderzoek heeft besteed. De perceptie van de onderzoekende arts en de onderzochte komen wat dat betreft niet altijd overeen. Bovendien is dr. Grotenhuis de meest aangewezen persoon zijn eigen rapport te verduidelijken en de rechtbank voor te lichten over de vraag of kennisneming van de uitslag van de MRI-scan iets aan zijn bevindingen verandert. Gezien het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding twee rapporteurs te benoemen. Het gaat de rechtbank slechts om verduidelijking, niet om het volledig overdoen van de reeds door partijen verrichte onderzoeken.

2.5. Wat betreft de vraagstelling wordt als volgt overwogen. Conform de opmerkingen van [eiser] zal in vraag 1 expliciet naar de brief van dr. Hekster van 13 februari 2003 worden verwezen en zal het jaartal 2011 uit vraag 2 worden weggelaten. De door [eiser] voorgestelde vraag 3 is in vraag 2 verwerkt. De door [eiser] voorgestelde vragen 4 en 5 worden door vraag 1 bestreken en dus niet separaat overgenomen. De door [eiser] voorgestelde vragen 7 en 8 worden reeds door vraag 1 bestreken en dus niet separaat overgenomen. Vraag 6 wordt niet overgenomen aangezien het niet aan de neurochirurg is te beoordelen of [eiser] behoefte heeft aan aangepaste meubelen en vervoer. De door Interpolis voorgestelde vraag wordt niet overgenomen aangezien deze wordt bestreken door vraag 2.

2.6. Aan de hand van de opgave van de deskundige wordt het voorschot op loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 1.500,00. Nu Interpolis aansprakelijkheid heeft erkend, zal het voorschot ten laste van Interpolis worden gebracht. De rechtbank gaat er van uit dat [eiser] het beeldvormend materiaal (MRI) rechtstreeks aan de deskundige zal doen toekomen.

2.7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Wilt u kennis nemen van de uitslag van de MRI-scan en de brief van dr. Hekster van 13 februari 2004? Veranderen deze uitslagen iets aan de bevindingen in uw rapport van 29 januari 2008, meer in het bijzonder aan (maar niet beperkt tot) de antwoorden op de vragen 2a tot en met 2d?

2. Kunt u uw antwoord op vraag 2d – kort samengevat dat de spondylolisthesis ‘door het ongeval vervroegd symptomatisch’ is geworden – meer concretiseren? Kunt u meer concreet aangeven of, en zo ja, vanaf wanneer zich zonder ongeval symptomen zouden hebben voorgedaan en of die dan tot klachten zouden leiden die qua aard, ernst en omvang vergelijkbaar (of ernstiger) zijn dan de klachten waaraan [eiser] thans lijdt? Kunt u aangeven wat de kans zou zijn geweest dat zich in de periode vanaf 2001 bij [eiser] dergelijke symptomen zouden hebben geopenbaard? Indien sprake is van een toenemende kans, kunt u dat dan zoveel mogelijk concretiseren?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

Prof. dr. J.A. Grotenhuis

Radboud Ziekenhuis, afdeling neurochirurgie

Postbus 9101

6500 HB Nijmegen

telefoon secretariaat: 024-3655255

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

bepaalt dat [eiser] binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank sector civiel, roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

bepaalt dat Interpolis binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten van de deskundige inclusief omzetbelasting € 1.500,00 ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter mr. A.E.B. ter Heide,

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank vóór 30 november 2011, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht

aan de zijde van [eiser],

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide, mr. C.M.E. Lagarde en mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2011.