Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR6827

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
06-09-2011
Zaaknummer
210516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op verjaring ex artikel 3:310 lid 1 BW gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 210516 / HA ZA 11-35

Vonnis van 17 augustus 2011

in de zaak van

1. [eis.1],

2. [eis.2],

beiden wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. C. Jol te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. T. Bogers te Utrecht.

De partijen zullen hierna [eisers] (in meervoud) en [gedaagde] worden genoemd

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 april 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 6 juli 2011.

1.2 Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 [eisers] zijn eigenaar van een woning aan de [adres]. Het aanliggende perceel [adres] is van 15 oktober 2000 tot 9 juni 2009 eigendom geweest van [gedaagde]. Zij had dit perceel als enig erfgenaam onder algemene titel van haar vader verkregen, die er gedurende lange tijd een wasserij had geëxploiteerd.

2.2 Bij besluit van 15 september 2004 hebben GS van de provincie Gelderland vastgesteld dat er ten aanzien van de locatie [adres] sprake was van een geval van ernstige bodemverontreiniging (met, kort gezegd, vluchtige organochloorverbindingen (VOCl)). Voor deze locatie was toen ook sprake van een deelsaneringsplan. [gedaagde] is - kort gezegd - daartegen toen met succes bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in beroep gekomen.

2.3 Op 14 juli 2008 hebben GS opnieuw een besluit betreffende deze locatie genomen. Kort gezegd gaat het in dit besluit om een niet spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging. Sanering was volgens dit besluit bij gelijkblijvend gebruik niet noodzakelijk.

2.4 De genoemde verontreiniging strekt zich tevens uit tot de bodem onder de woning en het perceel van [eisers].

3 Het geschil

3.1 [eisers] hebben gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van

€ 25.000,- wegens waardevermindering van hun woning ten gevolge van de verontreiniging, die volgens hen door de vader van [gedaagde] is veroorzaakt.

3.2 [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Op de standpunten van partijen wordt zo nodig hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 [gedaagde] beroept zich onder meer op verjaring van de rechtsvordering van [eisers]. Haar stelling is dat [eisers] haar reeds op 10 september 2003 aansprakelijk hebben gesteld, waarna zij de draad eerst bij brief van 1 december 2008 weer oppakten.

4.2 Het beroep op verjaring is gegrond. De beide brieven, de ontvangst ervan en de stilte ertussen zijn door [eisers] niet weersproken, zodat dat vaststaat. Daarnaast kan er, blijkens de genoemde brief van 10 september 2003, van worden uitgegaan dat [eisers] bekend waren met de verontreiniging en dus ook met de schade, ook al was de omvang daarvan toen (wellicht) nog niet bekend. De brief van 10 september 2003 formuleert het aldus:

Middels deze brief stellen wij u aansprakelijk voor alle schade voortvloeiend uit de bodem en grondwater verontreiniging die is veroorzaakt door de (bedrijfs)activiteiten van u en uw vader op [adres] in [plaats].

Op beide peilpunten in de [adres] inmiddels V.O.C.l. verontreiniging van het grondwater geconstateerd. Dit is volgens de [naam gemeente] een verontreiniging die past bij de voormalige bedrijfsactiviteiten van uw vader (..)

Verder onderzoek zal moeten uitwijzen hoe groot de schade is (..)

[eisers] hebben nagelaten de lopende vijfjarige verjaring van artikel 3:310 lid 1 BW tijdig te stuiten, zodat hun vordering op 11 september 2008 was verjaard. Daaraan doet niet af - ook niet als [gedaagde] daarvan op de hoogte was (hetgeen overigens niet is gesteld) - dat het (wellicht) de bedoeling was dat [gedaagde] op basis van het deelsaneringsplan tot sanering zou overgaan en dat [eisers] daarom - en later ook in afwachting van de uitslag van het beroep van [gedaagde] bij de Afdeling Bestuursrechtspraak - niet tot effectuering van hun vordering zouden overgaan.

4.3 Gelet op het voorgaande kan een verdere beoordeling van de zaak achterwege blijven. De vorderingen zullen worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [eisers] in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, worden veroordeeld. Anders dan [gedaagde] betoogt vallen daaronder niet de kosten van de door haar ingeschakelde milieukundige.

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eisers] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 588,- voor griffierecht, op € 1.158,- voor advocaatkosten overeenkomstig het liquidatietarief en op € 199,- resp. € 131,- voor nakosten, al dan niet indien betekening van dit vonnis nodig zal blijken te zijn.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2011.