Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR6733

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-09-2011
Datum publicatie
05-09-2011
Zaaknummer
AWB 10/756
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reclamebelasting Ede. Verordening verbindend. Aanslag niettemin vernietigd wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een deel van de belastingplichtige ondernemers in de binnenstad was vrijgesteld van de belastingheffing vanwege een bepaling in hun huurcontract.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2233
FutD 2011-2178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 10/756

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 1 september 2011

inzake

[X] B.V., gevestigd te Ede, eiseres,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Ede, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2009 een aanslag (aanslagnummer [0]) reclamebelasting (hierna: de aanslag) opgelegd ten bedrage van € 649,80.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 januari 2010 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 23 februari 2010, ontvangen door de rechtbank op

24 februari 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2010 te Arnhem. Namens eiseres zijn daar verschenen [A] en [B], werkzaam voor de [C]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [D], drs. [E] en [F].

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Eiseres heeft bij brieven van 29 april en 29 november 2011 nadere stukken ingediend.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2011 te Arnhem. Namens eiseres zijn daar verschenen [A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [D], drs. [E] en [F].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiseres drijft een onderneming en is gevestigd aan de [a straat 1] te [P] in het zogenoemde kernwinkelgebied van het centrum van [P]. Aan het pand waarin de onderneming is gevestigd is een openbare aankondiging aangebracht die vanaf de openbare weg zichtbaar is.

2.2 In de toelichting op het voorstel aan de raad van de gemeente [P] over de invoering van reclamebelasting staat onder meer het volgende vermeld;

" Inleiding

De ondernemers en vastgoedeigenaren verenigd in [G] ([G]) hebben aan de gemeente gevraagd of deze bereid is reclamebelasting in te voeren. De [G] heeft de wens om een vorm van collectieve fondsvorming in te kunnen voeren om daarmee [P] Centrum als winkel- en recreatief gebied beter op de kaart te zetten. (…)

Momenteel worden de fondsen gevormd door vrijwillige bijdragen van bij [H] aangesloten ondernemers, vastgoedeigenaren en de gemeente. Er zijn echter nog steeds ondernemers die afzien van lidmaatschap van [H]. Een reden daarvan is vaak dat deze ondernemers deel uitmaken van grotere, landelijke winkelketens die lidmaatschap van winkeliers- of ondernemers verenigingen niet toestaan. Dit heeft als resultaat dat deze ondernemers niet financieel bijdragen aan de versterking van [P] Centrum, maar wel profiteren van de inspanningen die [G] doet. (…)

Ondernemersfonds [P] Centrum

Het instrument reclamebelasting wordt ingezet in een afgebakend gebied (zie bijgevoegde kaart en omschrijving). Als uitgangspunt bij het bepalen van de grenzen van het gebied is uitgegaan van een aaneengesloten conglomeraat van commerciële functies. De ondernemers in dit gebied behoren tot de doelgroep en zullen profiteren van de doelstellingen van de reclamebelasting. Binnen dit plangebied geldt een uitzondering voor locaties waar privaatrechtelijk een gelijke of hogere bijdrage contractueel is/wordt vastgelegd via de verhuurder, voor zover deze bijdrage direct of indirect wordt doorgegeven aan de [G]. In het afgebakende gebied gaan de ondernemers jaarlijks een vast bedrag betalen voor het voeren van reclame. De gemeente [P] int dit bedrag in de vorm van een reclamebelasting. De belastingopbrengst vloeit, na aftrek van de perceptiekosten weer terug naar de ondernemers. Met het uitgekeerde bedrag worden diverse collectieve activiteiten uitgevoerd zoals:

? sfeerverlichting

? het organiseren van evenementen

? projecten in het kader van het Keurmerk Veilig Ondernemen

? graffitibestrijding

? het opzetten, uitvoeren en publiceren van de Binnenstadsmonitor

? het aanstellen van een binnenstadsmanager

Om de heffing in te voeren is het nodig dat een meerderheid van de ondernemers zich voor invoering heeft uitgesproken. Om dit te peilen heeft de [G] in de maand september raadplegingen georganiseerd, in het bijzijn van een notaris. Aan vertegenwoordigers van de ondernemingen in het afgebakende gebied is een stembiljet overhandigd. (…) De opkomst tijdens de peilingavonden was 38%. Tijdens de peilingavonden heeft 53% zich voor de invoering van de heffing verklaard. Daarnaast hebben ook de ondernemers van het [I] (18) en de [J] (39) zich schriftelijk uitgesproken voor invoering. Gelet hierop mag worden geconstateerd dat een ruime meerderheid van de ondernemers in [P] instemt met deze belastingmaatregel.

Gelet op de voorwaarden zoals gesteld in de intentionele bereidheid zoals vastgesteld door de gemeenteraad van 09 mei jl. (opkomst van minimaal 30% en de meerderheid (de helft + 1) van de stemmers is voor invoering) heeft de peiling uitgewezen dat er draagvlak is. Dat was één van de voorwaarden waaronder de gemeente zich bereid heeft verklaard mee te werken aan de heffing van reclamebelasting. (…) "

2.3 De Verordening op de heffing en de invordering van reclamebelasting 2009 (hierna: de Verordening 2009) is op 11 december 2008 aangenomen. Verweerder heeft vervolgens aan eiseres de onderhavige aanslag reclamebelasting opgelegd.

3. Geschil

3.1 In geschil is of de aanslag reclamebelasting terecht is opgelegd, meer in het bijzonder of de Verordening 2009 verbindende kracht mist. Eiseres is van mening dat dit laatste het geval is en verweerder is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 In artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, voor zover thans van belang, is bepaald dat de gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

4.1.1 Ingevolge artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven. De term "openbare aankondigingen" ziet op alle tot het publieke gerichte mededelingen, welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd.

4.1.2 In artikel 2 van de Verordening 2009 is bepaald dat de verordening reclamebelasting 2009 van toepassing is binnen het gebied van de gemeente [P], dat begrensd wordt door de volgende straten: [J], [b straat] [c straat] [d straat] [e straat] (huisnummer 10A tot [f straat]), [f straat] (huisnummer 11 tot [g straat]), [g straat] (vanaf [f straat] tot [h straat]), [h straat], [i straat] (huisnummer 1 t/m 3), [j straat] (vanaf [k straat] tot [l straat]), [l straat], [f straat] (vanaf [l straat] tot [m straat]), [m straat] (vanaf [f straat] tot Stationweg), [n straat], [o straat] (huisnummer 24 tot [p straat]), [p straat] (vanaf [o straat] t/m huisnummer 3), [q straat], Van [r straat], [s straat] (vanaf [q straat] t/m huisnummer 16). Voor de genoemde straten en pleinen geldt dat beide zijden tot het plangebied worden meegerekend. Eén en ander zoals weergegeven op de bij deze verordening behorende kaart.

4.1.3 In artikel 3 van de Verordening 2009 is bepaald dat onder de naam "reclamebelasting" een directe belasting wordt geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg.

4.1.4 In artikel 4, eerste lid, van de Verordening 2009 is bepaald dat de reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie, openbare aankondigingen worden aangetroffen. In het derde lid, voor zover thans van belang, is bepaald dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel de belasting niet wordt geheven ter zake van openbare aankondigingen waarvoor op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst betaling moet geschieden, onderscheidenlijk een vergoeding is verschuldigd aan de gemeente, dan wel een organisatie aan wie de gemeente zich middels een convenant heeft verplicht tot het uitbetalen van opbrengsten van de reclamebelasting.

4.2 Ter zitting heeft eiseres erkend dat de op haar winkel aangebrachte naamsvermelding groter is dan 0,4 m², zodat de grond inzake de heffingsgrondslag geen bespreking behoeft.

4.3 Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van een niet in de Gemeentewet genoemde en daarom niet toegestane heffing. Eiseres baseert dit op de omstandigheid dat de heffing in feite niet-overheidsuitgaven bestrijdt en is ingesteld op verzoek van de [H] ([H]). In zoverre is de heffing volgens eiseres aan te merken als gedwongen lidmaatschap van die vereniging en in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Verder heeft eiseres in dit verband gesteld dat, gelet op het kennelijk doel van de reclamebelasting, in plaats daarvan eigenlijk voor een heffing in het kader van Experimentenwet BI-zones (hierna: BIZ) had moeten worden gekozen.

4.3.1 Reclamebelasting is een algemene belasting waarvan de opbrengsten ten goede komen aan de algemene middelen van de gemeente. Verweerder heeft gesteld dat dat ook in het onderhavige geval zo is. De rechtbank ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen concrete aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Dat vooraf al vast staat dat de opbrengst, na aftrek van de met de heffing en inning verbonden kosten, is bestemd voor het Ondernemersfonds [P] van de [G] maakt dit niet anders. Deze bijdrage is bedoeld als vergoeding voor de door laatstgenoemde jaarlijks in te dienen begroting en voor het eveneens jaarlijks in te dienen activiteitenplan, zoals is vastgelegd in het convenant dat op 26 januari 2009 is gesloten tussen de gemeente [P] en de [G]. Gelet hierop, en nu het de gemeente in beginsel vrij staat de opbrengst uit de reclamebelasting te besteden op de wijze die haar goed dunkt, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de reclamebelasting voor een ander doel wordt geheven dan waarvoor zij is bedoeld. Daarbij komt dat het doel van reclamebelasting kennelijk is om het centrum te versterken door collectieve activiteiten uit te voeren. De rechtbank ziet in de in de toelichting op de Verordening 2009 opgenomen voorbeelden geen aanknopingspunten dat het hierbij niet zou gaan om activiteiten die mede in het belang van de gemeente zijn, zodat sprake is van overheidsuitgaven. Dat een ondernemersvereniging het initiatief heeft genomen om de gemeenteraad een reclamebelasting te laten invoeren en dat die vereniging vervolgens is betrokken bij de besteding van de middelen die aan de [G] worden uitgekeerd, maakt niet dat sprake is van gedwongen lidmaatschap of dat de belasting voor een private partij wordt geheven. Tot slot staat het een gemeente vrij om te kiezen voor reclamebelasting en had zij derhalve niet hoeven wachten totdat het instrument van de BIZ-heffing beschikbaar zou zijn gekomen. Het beroep treft in zoverre geen doel.

4.4 Eiseres heeft voorts betoogd dat sprake is van een onredelijke en willekeurige heffing op de grond dat het tarief disproportioneel hoog is en als zodanig in een te ver verwijderd verband staat van het door eiseres redelijkerwijs te verwachten profijt, terwijl het profijtbeginsel wel – mede – aan de recamebelasting en bijbehorende gebiedsafbakening ten grondslag ligt.

4.4.1 De gemeentelijke wetgever is op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet vrij in het kiezen van de heffingsmaatstaf. In het onderhavige geval is die gebaseerd op een begroot budget voor de voorgenomen activiteiten dat is omgeslagen over de belastingplichtigen. Niet kan worden gesteld dat op deze wijze de aan de gemeente gegeven vrijheid wordt overschreden. Verder is de omstandigheid, dat een ondernemer van mening is dat hij niet voldoende profijt heeft van de met de opbrengst uitgevoerde activiteiten of dat het ondervonden profijt niet in verhouding staat tot het belastingbedrag, niet van belang omdat aan de belastingheffing inherent is dat (de mate van) profijt niet geïndividualiseerd kan worden. Tot slot kan noch de omstandigheid dat de reclamebelasting in andere gemeenten veel lager is noch de omstandigheid dat de reclamebelasting in een andere gemeente onder meer vanwege de hoogte ervan onverbindend is geoordeeld door een rechtbank, op zichzelf genomen afdoen aan het oordeel dat het onderhavige tarief niet de grenzen van een redelijke heffing te buiten gaat.

4.5 Volgens eiseres is de in de Verordening 2009 opgenomen gebiedsafbakening in strijd met de Gemeentewet, omdat dit leidt tot een ongelijke behandeling. Voor zover de gebiedsafbakening al zou zijn toegestaan, leidt de in artikel 4, derde lid, van de Verordening 2009 opgenomen uitzondering voor de ondernemers die zijn gevestigd in de complexen [J] en [I] en die via een privaatrechtelijke overeenkomst al een bijdrage betalen, tot een niet toegestane ongelijke behandeling van de belastingplichtigen in het aangewezen gebied.

4.5.1 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de in artikel 4, derde lid, van de Verordening 2009 opgenomen uitzondering is opgenomen om dubbele heffing te voorkomen aangezien de daar bedoelde ondernemers reeds via hun huurovereenkomsten een bijdrage betalen die is bedoeld voor het Ondernemersfonds, hetgeen juist ook de doelstelling van de reclamebelasting is. Onder verwijzing naar een rapport van juli 2008 van [K] dat onder leiding van prof.dr. [L] is opgesteld, stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond en dus niet van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij alsnog tot heffing bij de genoemde groep ondernemers zou kunnen overgaan, omdat door een onjuiste redactie de uitzondering van artikel 4, derde lid, van de Verordening 2009 naar de letter gelezen niet van toepassing is op de bedoelde ondernemers. De in de huurovereenkomsten vastgelegde bijdrage gaat immers niet rechtstreeks naar de gemeente of de [G] maar via de verhuurders. In dat geval is volgens verweerder ook geen sprake meer van een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel.

4.5.2 De rechtbank stelt voorop, onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof Arnhem van 14 september 2010 (nr. 10/00057, LJN: BN8815), dat uit het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2000 (nr. 33.816, LJN: AA6253) volgt dat een belasting als de onderhavige mag worden beperkt tot een bepaald gebied van de gemeente, mits daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan die rechtvaardiging in dit geval in algemene zin worden gevonden in hetgeen door verweerder daarover naar voren is gebracht, namelijk dat de belastingplichtigen in het aangewezen gebied degenen zijn die via de met de opbrengst gesubsidieerde activiteiten van de [G] profiteren van de reclamebelasting. Daarbij geldt dat het hier bedoelde profijt geen individueel profijt van iedere belastingplichtige behoeft te zijn.

4.5.3 Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel de uitzondering van de belastingplicht voor een groep ondernemers niet worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat die groep, die in beginsel belastingplichtig is, via privaatrechtelijke weg een bijdrage betaalt aan het fonds dat is bedoeld voor de versterking van de binnenstad en welk fonds ook wordt gevoed door de opbrengst van de reclamebelasting. Anders dan verweerder heeft gesteld, kan een privaatrechtelijke verplichting tot betaling van een bijdrage aan een fonds niet worden gelijkgesteld met een publiekrechtelijke plicht om belasting te betalen. Van een dubbele belastingheffing kan dan ook geen sprake zijn. Een uitzondering aannemen op de in beginsel voor alle rechtsgenoten gelijkelijk geldende belastingplicht op grond van een tussen twee civiele partijen gesloten overeenkomst is ook in strijd met de eisen van rechtszekerheid en -gelijkheid. De gemeentelijke belastingheffer heeft hier immers geen zicht op. Ook kan hij geen invloed uitoefenen op de inhoud van een dergelijk contract, laat staan op de naleving ervan. De uitzondering van artikel 4, derde lid, van de Verordening 2009 druist zozeer in tegen het systeem van het in de Gemeentewet en de Algemene wet inzake rijksbelastingen neergelegde systeem van belastingheffing en –inning dat het artikellid daarmee in strijd moet worden verklaard.

4.5.4 Hoewel eiseres in zoverre in het gelijk wordt gesteld, kan dit toch niet leiden tot het oordeel dat dan ook de gehele Verordening 2009 onverbindend moet worden verklaard. Hoewel de Verordening 2009 een ontoelaatbaar privilege bevat, is de redactie daarvan zodanig, dat daardoor niemand daadwerkelijk is geprivilegieerd, ondanks de daartoe strekkende bedoeling van de gemeentelijke wetgever. Als dit artikellid buiten toepassing wordt gelaten verandert niets aan de door de Verordening 2009 in het leven geroepen belastingplicht.

4.5.5 Wel dient de vraag te worden beantwoord of verweerder – door desalniettemin de bedoelde groep ondernemers geen aanslag reclamebelasting op te leggen – heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft verweerder toegezegd alsnog aanslagen reclamebelasting op te leggen indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat de door de gemeentelijke wetgever gewenste uitzondering verboden is, hetgeen hierboven door de rechtbank is geoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit evenwel niet wegnemen dat in het onderhavige geval een aanzienlijk aantal gelijke gevallen bewust is bevoordeeld waarvoor, zoals hiervoor is overwogen, geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Het alsnog opleggen van aanslagen aan die groep kan, anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, dit gebrek niet met terugwerkende kracht opheffen nu het niet gaat om schending van de meerderheidsregel.

4.6 Gelet op het voorgaande, is het beroep gegrond. De aanslag reclamebelasting kan niet in stand blijven.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.311 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 437).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag reclamebelasting 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.311;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 297 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr.drs. L.B.M. Klein Tank en mr. M.C.G.J. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 1 september 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.