Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR5075

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
187813
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BN3107 en BP9085. Geschil over nalatenschap. Eiswijziging in conventie afgewezen omdat geen sprake is van dwaling, misbruik van omstandigheden of bedrog. Vorderingen in reconventie tot opheffing beslagen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187813 / HA ZA 09-1339

Vonnis van20 juli 2011

in de zaak van

de stichting

DE GELDERSE STICHTING TOT BEHEER & BEWINDVOERING TER BESCHERMING VAN MEERDERJARIGEN

in haar hoedanigheid van bewindvoerster over

[naam meerderjarige]

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.T. van Dalen te Groningen,

tegen

1. [ged.1conv./eis.1reconv.],

wonende te [woonplaats],

2. [ged.2conv./eis.2reconv.],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. K.W.A. Wools te Nijmegen.

Partijen zullen hierna de Stichting, [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk aangeduid worden als [gedn.conv./eis.reconv.]

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- Het tussenvonnis van 16 maart 2011

- De akte tot wijziging van eis van de Stichting van 30 maart 2011

- De antwoordakte van [gedn.conv./eis.reconv.] van 13 april 2011

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling omtrent het verloop van de procedure in conventie

2.1. De Stichting heeft met haar akte van 20 oktober 2010 haar vorderingen nog eens gewijzigd, verminderd en vermeerderd. [gedn.conv./eis.reconv.] hebben zich tegen deze eisvermeerdering en eiswijziging niet verzet. De rechtbank zal dan ook op de op 20 oktober 2010 vermeerderde en gewijzigde eis recht doen.

2.2. De Stichting is in het tussenvonnis van 16 maart 2011 in de gelegenheid gesteld haar eis nogmaals te wijzigen. Van die gelegenheid heeft de Stichting gebruik gemaakt met haar akte van 30 maart 2011.

2.3. [gedn.conv./eis.reconv.] verzetten zich tegen de wijziging van eis, omdat de Stichting de eiswijziging tardief voorstelt. [gedn.conv./eis.reconv.] stellen dat hij reeds bij conclusie van antwoord erop hebben gewezen dat de Stichting ontbinding vorderde in plaats van vernietiging. Op de comparitie van antwoord van 25 januari 2010 is hier ook reeds over gesproken. Bij akte van 10 maart 2010 heeft de Stichting nagelaten haar eis in deze zin te wijzigen. De Stichting heeft volgens [gedn.conv./eis.reconv.] dan ook alle kansen gehad de eis te wijzigen en zij vinden om die reden dat de eiswijziging niet zou moeten worden toegestaan.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt. Art. 130 lid 1 Rv. bepaalt - kort gezegd - dat, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen en dat de gedaagde daartegen bezwaar kan maken op grond dat de vermeerdering in strijd is met een goede procesorde. Van strijd met een goede procesorde is onder meer sprake als de eisvermeerdering of -verandering leidt tot een onredelijke vertraging van het geding en of tot de bemoeilijking van de verdediging van de gedaagde (o.m. HR 12 oktober 199, NJ 1991, 186).

2.5. De rechtbank vat het verweer van [gedn.conv./eis.reconv.] op als een beroep op strijd met de goede procesorde.

2.6. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [gedn.conv./eis.reconv.] in hun verdediging worden bemoeilijkt, nu de feitelijke grondslagen van de vorderingen gelijk blijven. [gedn.conv./eis.reconv.] hebben ook niet aangevoerd dat zij bemoeilijkt zouden worden in hin verdediging.

2.7. Dat de procedure door de eiswijziging vertraagd zou worden is naar het oordeel van de rechtbank evenmin het geval. [gedn.conv./eis.reconv.] hebben immers reeds op de feitelijke grondslagen van de te wijzigen vordering gereageerd en de wijziging maakt het niet noodzakelijk dat [gedn.conv./eis.reconv.] hun verweer aanpassen. Inhoudelijk hebben [gedn.conv./eis.reconv.] in hun antwoordakte eveneens reeds gereageerd. Met het toestaan van de eiswijziging wordt de procedure dus niet vertraagd, hetgeen op dit punt voor een groot deel te danken is aan de wijze waarop [gedn.conv./eis.reconv.] zich in proceseconomisch opzicht hebben opgesteld. Dat de Stichting haar eis niet eerder heeft vermeerderd doet aan het voorgaande niet af, nu de wet tot uitgangspunt neemt dat de eiser in beginsel deze bevoegdheid heeft tot eindvonnis is gewezen.

2.8. De rechtbank zal de nadere eiswijziging dan ook toestaan en daarop recht doen.

2.9. Ten aanzien van de gewijzigde eis merkt de rechtbank op dat deze door de Stichting niet goed is geformuleerd. De Stichting vordert thans vernietiging van de woonboerderij, de appartementen en de garages. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. De rechtbank leest deze vorderingen dan ook zo dat gevorderd wordt de aan de verkoop van de woonboerderij, de appartementen en de garages ten grondslag liggende overeenkomsten te vernietigen. Dat deze strekking van de vordering aan [gedn.conv./eis.reconv.] duidelijk is geweest, maakt de rechtbank op uit de antwoordakte van [gedn.conv./eis.reconv.], hoewel het [gedn.conv./eis.reconv.] toegegeven moet worden dat de wijze waarop de eiswijziging is geformuleerd niet de schoonheidspijs verdient. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding de vordering niet nader te interpreteren. De vordering van de Stichting luidt thans, de nummering uit het tussenvonnis van 7 juli 2010 volgend, als volgt.

2.10. De Stichting vordert samengevat - :

a. partieel te vernietigen de overeenkomst op grond waarvan op 28 oktober 1999 de moeder de woonboerderij te Giethoorn aan [ged.1conv./eis.1reconv.] heeft verkocht, in dier voege dat [ged.1conv./eis.1reconv.] wordt veroordeeld om alsnog aan de Stichting te betalen een bedrag van € 75.000,00, zijnde het bedrag dat [ged.1conv./eis.1reconv.] te weinig heeft betaald voor de woonboerderij,

c. partieel te vernietigen de overeenkomst op grond waarvan op 30 juni 2002 de moeder de appartementen aan de [adres] aan [ged.2conv./eis.2reconv.] heeft verkocht, in dier voege dat [ged.2conv./eis.2reconv.] wordt veroordeeld om het verschil tussen de commerciële taxatiewaarde van deze appartementen op 30 juni 2002 en het daadwerkelijk door hem betaalde bedrag van € 75.000,00 alsnog aan de Stichting te betalen,

d. [ged.2conv./eis.2reconv.] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting te betalen een bedrag van € 99.832,10 zijnde het niet door [ged.2conv./eis.2reconv.] aan de moeder betaalde bedrag en [ged.1conv./eis.1reconv.] te veroordelen om binnen één maand na dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen aan de Stichting, met verifieerbare bescheiden, en aan te tonen wat hij met het door de moeder ontvangen bedrag van € 117.983,39 heeft gedaan op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat [ged.1conv./eis.1reconv.] nalaat aan dit gebod te voldoen,

e. partieel te vernietigen de overeenkomst op grond waarvan op 7 april 2000 de moeder de garages aan de [adres] aan [ged.2conv./eis.2reconv.] heeft verkocht, in dier voege dat [ged.2conv./eis.2reconv.] wordt veroordeeld om aan de Stichting te betalen het verschil tussen het door hem betaalde bedrag en de daadwerkelijke waarde ad € 9.000,00,

h. [ged.1conv./eis.1reconv.] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting te betalen een bedrag van € 204.695,00 ter zake van de ongeoorloofde opnames die hij heeft gedaan in de periode van januari 2002 tot en met 24 april 2008 van de bankrekening van de moeder, en terugbetaling van een bedrag van € 32.927,00 ter zake van twee leningen van 17 maart 1999 en 6 december 1999, met de wettelijke rente over beide bedragen vanaf 20 oktober 2010,

o. [gedn.conv./eis.reconv.] te veroordelen in de kosten van dit geding, de kosten van het beslag daar uitdrukkelijk onder begrepen.

2.11. [gedn.conv./eis.reconv.] voeren verweer, waarop hierna zal worden ingegaan.

3. De verdere beoordeling van het geschil

in conventie

3.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 7 juli 2010, met uitzondering van hetgeen zij heeft overwogen in r.ov. 2.2. Door [gedn.conv./eis.reconv.] is op dit punt aangevoerd dat de nalatenschap van de vader wel is verdeeld, dat deze aan de moeder is toebedeeld en dat de kinderen een vorderingsrecht op de moeder hebben. [gedn.conv./eis.reconv.] hebben daarbij een akte van berusting overgelegd, waaruit dit blijkt. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze akte en neemt tot uitgangspunt van haar beoordeling dat de nalatenschap van de vader is toebedeeld aan de moeder.

3.2. In het tussenvonnis is een aanzet gegeven voor de beoordeling van de vraag of [ged.1conv./eis.1reconv.] het beheer heeft gevoerd over het vermogen van de moeder, nu dit de grondslag vormde voor de vorderingen van de Stichting om rekening en verantwoording te verlangen van [ged.1conv./eis.1reconv.] op verschillende specifieke punten. De vorderingen van de Stichting ten aanzien van het geven van rekening en verantwoording zijn ingetrokken, met uitzondering van de vordering sub d. Daarop zal hierna worden ingegaan. De beoordeling van de vraag of sprake is geweest van beheer door [ged.1conv./eis.1reconv.] is dan ook, mede gelet op hetgeen wordt overwogen in r.ov. 3.27. van dit vonnis, niet langer relevant.

3.3. De thans nog resterende vorderingen van de Stichting zullen hierna puntsgewijs besproken worden.

De transacties - algemeen

3.4. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat in deze procedure niet ter discussie staat of de moeder wellicht ten onrechte [gedn.conv./eis.reconv.] ten koste van haar overige kinderen en kleinkinderen heeft bevoordeeld. In deze procedure staat het belang van de moeder, voor wie de Stichting optreedt, centraal. Voor zover de overige kinderen en kleinkinderen van de moeder menen dat zij tekort gedaan zijn door toedoen van [ged.1conv./eis.1reconv.] kunnen zij te zijner tijd overwegen [ged.1conv./eis.1reconv.] daarop aan te spreken indien zij menen dat daarvoor een grond bestaat. Dit belang van de andere kinderen en kleinkinderen speelt geen rol in deze procedure.

3.5. De Stichting heeft in het algemeen gesteld dat [ged.1conv./eis.1reconv.] in en na 1998 in hoog tempo vermogensbestanddelen van de moeder is gaan vervreemden aan hemzelf, zijn zoon [ged.2conv./eis.2reconv.] of aan derden. De Stichting stelt dat deze vervreemding van vermogensbestanddelen tegen de wens van de vader was, die erop was gericht om het vergaarde vermogen zoveel mogelijk bijeen te houden. De Stichting stelt dat dat ook de wil was van de moeder en dat derhalve ook tegen de wil van de moeder is gehandeld. Zij wijst daarbij op de door haar overgelegde verklaring van de heer [naam accountant], die tot 1998 de accountant van de moeder was.

3.6. [gedn.conv./eis.reconv.] bestrijden dit standpunt van de Stichting, omdat de moeder volgens hen volledig achter deze transacties stond. Ter onderbouwing van dit standpunt wijzen zij op de verklaringen van de notaris, de verpleeghuisarts en de moeder zelf.

3.7. De vraag rijst of de moeder in de periode van 1995 of 1998 tot 2007 in staat was tot het eigen beheer van haar vermogen. Immers, indien dat het geval was, zal niet tegen haar wil gehandeld zijn. Uit de verklaringen van de moeder van 22 januari 2000, van de notaris van 5 oktober 2009 en van de verpleeghuisarts van 20 juli 2006 blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de moeder daartoe in staat was. Uit de verklaring van de verpleeghuisarts volgt immers dat de moeder in elk geval tot juli 2006 in staat was haar vermogen te beheren. Uit de verklaring van de notaris, opgenomen in zijn brief van 5 oktober 2009, blijkt dat zij haar vermogen ook daadwerkelijk zelf beheerde en begreep wat zij deed. Dat [ged.1conv./eis.1reconv.] de instemming had van de moeder voor de bankopnames en zijn betrokkenheid bij de onroerend goedtransacties blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de verklaring van de moeder van 22 januari 2000, zoals die in het tussenvonnis van 7 juli 2010 in r.ov. 2. 12 is weergegeven. De moeder verklaart immers uitdrukkelijk dat [ged.1conv./eis.1reconv.] in haar opdracht en onder haar verantwoordelijkheid handelde. Uit deze verklaring blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien dat de moeder nu juist niet heeft gewild dat [ged.1conv./eis.1reconv.] verantwoording zou moeten afleggen en dat zij zich ervan bewust was dat anderen het mogelijk niet eens zouden zijn met de wijze waarop zij haar vermogen beheerde. Dat aan [ged.1conv./eis.1reconv.] en [ged.2conv./eis.2reconv.] enige vermogensbestanddelen zijn geschonken of verkocht doet aan het voorgaande niet af, nu ook deze transacties plaatsvonden in de periode waarin de moeder – zoals hiervoor is overwogen – in staat was haar eigen vermogen te beheren en dat ook deed. Dat de moeder op hoge leeftijd was en dat zij geïsoleerd woonde – wat daar ook van zij – kan niet afdoen aan de verklaringen van de notaris en de verpleeghuisarts omtrent de geestelijke gesteldheid van de moeder.

3.8. De door de Stichting bij antwoord in reconventie overgelegde verklaringen van onder meer [betrokkene1], mevrouw [betrokkene2] (vriendin van [betrokkene3]) en de heer [naam accountant] (voormalig accountant van de moeder) leggen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de verpleeghuisarts, de notaris en de moeder. Geen van de door de Stichting overgelegde verklaringen is opgesteld door een deskundige ten aanzien van de geestesvermogens van de moeder en uit deze verklaringen volgt niet dat de moeder destijds – kort gezegd – niet wist wat zij deed. Integendeel, uit de verklaring van [naam accountant] blijkt dat de moeder tijdens de periode van zijn professionele bijstand, tot 1996, zelf de beslissingen nam over haar vermogen. Uit de verklaring van [betrokkene1] blijkt slechts dat hij van mening is dat [ged.1conv./eis.1reconv.] zich ten onrechte heeft laten bevoordelen door de moeder, maar niet dat de moeder niet wist wat zij deed. Dat de moeder ‘zenuwachtig’ was, ‘regelmatig uitslag’ had en dat meubelstukken van het pand aan de [adres] naar de woonboerderij in Giethoorn zijn verplaatst maakt nog niet dat de moeder niet zelf het beheer voerde over haar vermogen of dat zij daartoe niet in staat zou zijn. Mevrouw [betrokkene2] heeft de moeder op 19 april 2009 gesproken in het verpleeghuis. Vast staat dat de moeder toen reeds in ernstige mate leed aan dementie, zoals blijkt uit een medische rapportage, overgelegd door [gedn.conv./eis.reconv.], van het Centrum Indicatiestelling Zorg van 28 november 2008. Daarin staat onder meer vermeld:

‘Mevr. heeft sinds 2006 geheugenstoornissen. In het verleden verschillende TIA’s gehad en in september 2008 een CVA. Toename van cognitieve stoornissen. Aanvraag voor zorgzwaartepakket met een wijziging in de grondslag (van somatiek naar psycho geriatrie) Info: tijdens bezoek aan mevr. in Martinushof, van verzorgende, mevr. zelf, en telefonische informatie van verpleeghuisarts dr. [arts1]. ZIEKTEBEELD dementie, vermoedelijk vasculair op grond van voorgeschiedenis, vastgesteld na psychologisch onderzoek en lichamelijk onderzoek door verpleeghuisarts dr. [arts1] in oktober 2008. (…) het korte termijn geheugen is slecht, nieuwe informatie beklijft niet. Gedesoriënteerd in tijd en plaats. Mevr. heeft roepgedrag op de dag en ’s avonds, laat zich moeilijk corrigeren. Mevr. ziet soms overal ‘beestjes’, maakt haar angstig. Mevr. duwt zichzelf uit rolstoel, heeft een blad op de rolstoel om vallen te voorkomen. Mevr. wil ‘s nachts over de bedhekken heen klimmen.’

3.9. Om die reden kan aan de verklaring van mevrouw [betrokkene2] dan ook niet die waarde worden gehecht die de Stichting daaraan wil hechten. Uit de medische rapportage volgt immers dat haar geheugen en cognitieve vermogens in april 2009 gestoord waren.

3.10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder ten tijde van de transacties in staat was haar wil te bepalen en dat zij haar vermogen zelf beheerde. Een en ander volgt, kort gezegd, uit de verklaringen van de verpleeghuisarts, de notaris en de moeder. Dit brengt mee dat de Stichting haar standpunt dat tegen de wil van de moeder zou zijn gehandeld reeds hierom onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal deze stelling dan ook passeren.

Vordering a.: de woonboerderij te Giethoorn

3.11. Ten aanzien van de woonboerderij te Giethoorn stelt de Stichting dat de koopprijs die hiervoor is overeengekomen niet reëel was en dat een bedrag van € 136.639,00 te weinig is betaald voor de woonboerderij. De Stichting leidt het verschil tussen de werkelijke waarde en de overeengekomen prijs af uit informatie uit het kadaster waaruit volgens haar blijkt dat belendende percelen voor een aanmerkelijke hogere koopsom zijn verkocht. Verder stelt de Stichting dat uit het feit dat de moeder 84 jaar oud was, geïsoleerd leefde en niet met de overige kinderen heeft gesproken over deze transactie afgeleid moet worden dat [ged.1conv./eis.1reconv.] misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden en dat de koopovereenkomst vernietigd dient te worden. De Stichting heeft bij akte van 20 oktober 2010 daaraan toegevoegd dat [ged.1conv./eis.1reconv.] de moeder heeft geïsoleerd en zodanig heeft beïnvloed dat de moeder de woonboerderij aan hem heeft geschonken. [ged.1conv./eis.1reconv.] zou, kort gezegd, de moeder hebben opgezet tegen haar andere kinderen. Dat levert volgens de Stichting misbruik van omstandigheden op. De Stichting onderbouwt dit standpunt door te wijzen op het feit dat accountant [naam accountant] vervangen is door de heer [betrokkene5] als accountant, die ook de accountant van [ged.1conv./eis.1reconv.] was. De accountantskamer heeft op een klacht van [betrokkene4], die eruit bestond dat [betrokkene5] en zijn kantoorgenoot [betrokkene6] zich niet onafhankelijk zouden hebben opgesteld, geoordeeld dat [betrokkene5] en [betrokkene6] ‘niet met een dubbele pet op destijds al die transacties hadden mogen begeleiden omdat zij in feite zowel voor moeder als voor [ged.1conv./eis.1reconv.] optraden’ (akte de Stichting, 20 oktober 2010, punt 43).

Verder blijkt dit volgens de Stichting uit het feit dat [betrokkene7], de echtgenote van [ged.1conv./eis.1reconv.], in plaats van [betrokkene8] de schoonmaakwerkzaamheden ging verrichten voor de moeder. De moeder zou verder in 2008 aan de heer [naam bewindvoerder], de bewindvoerder, hebben gezegd dat zij haar vermogen over de kinderen eerlijk wilde verdelen. Dat zou zij ook tegen mevrouw [betrokkene2] hebben gezegd. Ten slotte was de financiële situatie van [ged.1conv./eis.1reconv.] en zijn echtgenote volgens de Stichting zorgelijk in 1998, nu uit het handelsregister blijkt dat hun drogisterij met ingang van 1 januari 1998 was opgeheven omdat geen bekende baten aanwezig waren en deze vennootschap vervolgens in 2002 in staat van faillissement is verklaard.

3.12. [ged.1conv./eis.1reconv.] beroept zich in de eerste plaats op verjaring. De vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst is verjaard, omdat de transactie meer dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden. In punt 58 van de akte van de Stichting van 20 oktober 2010 heeft de Stichting betwist dat sprake is van verjaring. Zij wijst daarbij op art. 3:52 BW, waarin is bepaald dat rechtsvorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen op grond van misbruik van omstandigheden drie jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te bestaan pas verjaren. Volgens de Stichting is de invloed van [ged.1conv./eis.1reconv.] pas geëindigd in 2007, toen de Stichting als bewindvoerder werd aangesteld. Met betrekking tot de grondslagen dwaling en bedrog wijst de Stichting erop dat deze vorderingen pas drie jaar nadat de dwaling en het bedrog is ontdekt verjaren. Die termijn is niet verstreken omdat dit pas in 2007 is ontdekt.

3.13. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de vraag of het beroep op misbruik van omstandigheden is verjaard, is maatgevend de vraag wanneer de invloed van de omstandigheden waardoor de benadeelde werd bewogen is opgehouden te werken. Op dat moment begint de verjaringstermijn van art. 3:52 lid 1 sub b BW immers te lopen. In dit geval gaat het om - kort gezegd - de door de Stichting gestelde beïnvloeding van de moeder door [gedn.conv./eis.reconv.] Indien komt vast te staan dat sprake is geweest van beïnvloeding in de zin van art. 3:44 BW door [gedn.conv./eis.reconv.] heeft deze beïnvloeding pas opgehouden te bestaan op het moment dat de moeder onder bewind is gesteld. Niet is gesteld of gebleken dat de moeder eerder aan de bel heeft getrokken over de wijze waarop de transacties tot stand zijn gekomen of dat de gestelde beïnvloeding eerder heeft opgehouden te bestaan. Indien sprake is geweest van beïnvloeding, is het beroep op misbruik van omstandigheden dus niet verjaard. Datzelfde geldt voor het beroep op dwaling en bedrog, nu gesteld noch gebleken is dat deze wilsgebreken langer dan drie jaar geleden zijn ontdekt. Gelet op art. 3:52 lid 1 sub c BW is deze vordering dus evenmin verjaard.

3.14. [gedn.conv./eis.reconv.] hebben aangevoerd dat de schenking van de woonboerderij aan [ged.1conv./eis.1reconv.] op initiatief van de moeder heeft plaatsgevonden. Over de wijze waarop de schenking fiscaal het gunstigst kon plaatsvinden heeft de moeder ook overlegd met de notaris, zoals blijkt uit de brief van de notaris van 5 oktober 2009. [gedn.conv./eis.reconv.] wijzen erop dat de woning voor de levering is getaxeerd door de heer [naam makelaar], makelaar te Steenwijk, en de heer [naam taxateur], een rijkstaxateur. De taxaties zijn opgenomen in een rapport van 17 augustus 1999, dat door [gedn.conv./eis.reconv.] is overgelegd. In dat rapport staat onder meer het volgende vermeld:

‘In opdracht van de weledelgestrenge heer inspecteur van de belastingdienst/registratie en successie te Zwolle en mevrouw [naam meerderjarige] (…) ter plaatse hebben opgenomen en gewaardeerd, de navolgende onroerende zaak. (…)

Dat zij hieraan, rekening houdend met stand en ligging, staat van onderhoud, bouwaard, bestemming, indeling en verdere waardebepalende factoren voor onroerende zaken, doch niet rekening houdend met eventuele bodemverontreiniging, de navolgende waarde per heden toekennen.

Vrije waarde in het economische verkeer: ƒ 360.000,00 (…).’

3.15. Voor de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden dient gekeken te worden naar het bepaalde in art. 3:44 lid 4 BW. Dit artikel bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig is als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Gebleken is dat de overeenkomst met betrekking tot de woonboerderij de facto een schenking betreft. In beginsel rust de bewijslast van de afwezigheid van misbruik van omstandigheden daarom op grond van art. 7:176 BW op [ged.1conv./eis.1reconv.]. Nu de schenking evenwel heeft plaatsgevonden bij notariële akte vindt deze omkering van de bewijslast op grond van datzelfde art. 7:176 BW niet plaats. De wetgever gaat ervan uit dat in dat geval voorshands mag worden aangenomen dat de schenker zonder ongeoorloofde beïnvloeding heeft gehandeld.

3.16. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat de moeder destijds - in 1999 - in staat was haar vermogen te beheren en dat ook zelf deed. De omstandigheden die de Stichting noemt – de hoge leeftijd van de moeder, haar gestelde isolement en het gebrek aan contact met de overige kinderen over deze transactie – zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van bijzondere omstandigheden, zoals art. 3:44 BW vereist voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden. De rechtbank acht daarbij vooral van belang de verklaring van de moeder van 20 januari 2000 en de brief van de notaris, die de bewuste transactie met de woonboerderij met haar heeft besproken. Zoals hiervoor ook reeds is vermeld blijkt uit de verklaring van de moeder zelf dat zij zich terdege bewust was van de gevolgen van haar handelen ten opzichte van de overige kinderen. Dat [ged.1conv./eis.1reconv.] de moeder zodanig heeft ingepalmd dat zij daardoor in een afhankelijke positie is komen te verkeren, zoals de Stichting stelt, wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd weerlegd met de verklaring van de notaris. Daarbij acht de rechtbank de achtergrond en strekking van de bewijslastverdeling op grond van art. 7:176 BW, zoals deze hiervoor is weergegeven, van belang.

3.17. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. De omstandigheid of sprake is van enig nadeel voor de moeder door de verkoop is geen vereiste, maar speelt bij de beoordeling van de vraag of [ged.1conv./eis.1reconv.] zich had moeten onthouden van het bevorderen van de verkoop, op grond van rechtspraak van de Hoge Raad, wel een belangrijke rol (o.m. HR 9 januari 2004, NJ 2004, 141). De Stichting heeft gesteld dat dit nadeel aanwezig is, omdat zij meent dat de verkoopprijs onder de marktwaarde lag.

3.18. De rechtbank stelt vast dat de taxatie van de woonboerderij, zo blijkt uit de tekst van het rapport en het feit dat een rijkstaxateur mede heeft getaxeerd, in 1999 is uitgevoerd voor fiscale doeleinden. Vanuit fiscaal oogpunt staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast dat de waarde van de woonboerderij in het economisch verkeer in 1999 ƒ 360.000,00 was. De Stichting heeft gesteld dat die waarde niet gelijk was aan de werkelijke economische waarde van de woonboerderij en onderbouwt dat door te verwijzen naar panden in de directe omgeving van de woonboerderij die voor meer dan ƒ 360.000,00 zijn verkocht. De rechtbank is van oordeel dat de Stichting daarmee haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, ook gelet op het gemotiveerde verweer van [gedn.conv./eis.reconv.] Niet is gebleken dat de panden waar de Stichting naar verwijst op enige wijze vergelijkbaar zijn met de woonboerderij. Zo valt uit de door de Stichting overgelegde print van kadastrale gegevens over de verkoopprijs slechts af te leiden om welk adres het gaat, welke oppervlakte het perceel had, welke bestemming de opstallen hadden en voor welke prijs het perceel verkocht is. Daarmee is deze onderbouwing onvoldoende concreet. Factoren van belang, zoals het bouwjaar en de oppervlakte van de opstallen en de staat van onderhoud daarvan, ontbreken. Het had op de weg van de Stichting gelegen bijvoorbeeld een makelaar of andere deskundige de woning te laten taxeren naar de stand van zaken in 1999 of op andere wijze haar standpunt met feiten te onderbouwen. Dat de door de Stichting naar voren gebrachte renovatiekosten betrekking hadden op de woonboerderij en ten onrechte niet zijn meegenomen in de koopprijs, is door [ged.1conv./eis.1reconv.] voldoende weerlegd met de door hem overgelegde facturen van een dakdekkerbedrijf. Uit die facturen blijkt dat deze kosten zagen op de appartementen aan de Hommelseweg. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat onvoldoende is geconcretiseerd dat sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden door [ged.1conv./eis.1reconv.], nu niet is gebleken dat sprake is dat de moeder in zodanige omstandigheden verkeerde dat zij ten opzichte van [ged.1conv./eis.1reconv.] een zwakkere positie innam en daarnaast is niet gebleken dat de woonboerderij onder de marktwaarde is verkocht. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gestelde te lage verkoopprijs van de woonboerderij dan ook op deze grond afwijzen. De rechtbank wijst er ten overvloede nogmaals op dat art. 3:44 BW ziet op de bescherming van de moeder en niet van de overige kinderen en kleinkinderen.

3.19. Bij akte van 20 oktober 2010 heeft de Stichting de grondslag voor deze vordering uitgebreid naar dwaling en voor de onderbouwing daarvan verwezen naar een vonnis van deze rechtbank van 17 januari 2007. Dat vonnis is gewezen op vordering van de moeder tegen haar zoon [betrokkene1]. Het is de kennelijke bedoeling van de Stichting om hetgeen aan de vordering in die procedure ten grondslag is gelegd ook aan deze vordering ten grondslag te leggen. In genoemd vonnis staat onder meer het volgende over de grondslag:

‘[naam moeder] [de moeder, de rechtbank] stelt onder meer dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog dan wel dwaling. Zij zou de overeenkomst niet zijn aangegaan als zij had geweten dan wel haar niet was verzwegen dat zij de woning ver beneden de marktwaarde verkocht. Voorts zouden [gedn.conv./eis.reconv.] [[betrokkene1] en mevrouw Hendriks-Dolleman, de rechtbank] de correspondentie van de notaris betreffende de overdracht van de woning naar hun huisadres hebben laten sturen. Daarnaast zou [naam moeder] niet hebben geweten dat zij een volmacht tot het leveren van de woning en het openen van een rekening bij de SNS-bank tekende.’

3.20. Indien het al volstaat om een vordering op deze wijze te onderbouwen, slaagt ook deze grondslag niet omdat, zoals hiervoor al is overwogen, onvoldoende is onderbouwd dat de woonboerderij onder de marktwaarde is verkocht. Ook op deze grondslag zal de vordering worden afgewezen.

3.21. De overige verweren van [ged.1conv./eis.1reconv.] kunnen onbesproken blijven.

Vordering c en d: de appartementen aan de Hommelseweg 428, 430 en 432

3.22. De Stichting stelt dat ter zake van de verkoop van deze appartementen sprake is van dwaling, misbruik van omstandigheden en/of bedrog. Zij onderbouwt dit standpunt door te wijzen op de lage verkoopprijs van deze appartementen, die lager is dan de toenmalige commerciële verkoopprijs. Verder wijst de Stichting erop dat [ged.2conv./eis.2reconv.] in de transportakte heeft verklaard de appartementen te zullen gebruiken als beleggingsobject en dat hij daarmee in strijd heeft gehandeld door twee van de drie appartementen al vrij snel na de koop te verkopen, te weten op 2 december 2003 en op 2 januari 2005. Uit de transportakte blijkt verder dat [ged.2conv./eis.2reconv.] een bedrag van ƒ 480.000,00 diende te betalen voor de appartementen en dat hem daarvan door de moeder een bedrag van ƒ 220.000,00 is kwijtgescholden. Daaruit leidt de Stichting af dat deze drie appartementen weliswaar formeel door de moeder aan [ged.2conv./eis.2reconv.] zijn verkocht, maar dat ‘in feite materieel’ [ged.1conv./eis.1reconv.] deze appartementen heeft verkocht. Verder vordert de Stichting dat deze kwijtschelding ongedaan wordt gemaakt en dat [ged.2conv./eis.2reconv.] alsnog het kwijtgescholden bedrag aan de moeder betaalt, zodat ‘beide bedragen deel uit kunnen maken van de nalatenschap die dan te zijner tijd kan worden verdeeld tussen de aanwezige erfgenamen’.

3.23. [gedn.conv./eis.reconv.] bestrijden dat sprake was van dwaling, misbruik van omstandigheden en/of bedrog. Zij wijzen erop dat de koopprijs van de appartementen overeenkomt met de waarde van de appartementen zoals deze door makelaar [naam makelaar] is vastgesteld in een taxatierapport van 31 mei 2000. Bij de vaststelling van de waarde is achterstallig onderhoud aan de appartementen meegewogen. Dat onderhoud gepleegd diende te worden, volgt uit een door [gedn.conv./eis.reconv.] overlegde ‘Toetsingsrapportage’ van de gemeente Arnhem van 26/27 oktober 1998, opgesteld in het kader van de verplichting van huiseigenaren om woningen, gelegen in een aangewezen stimuleringsgebied, te verbeteren.

[ged.1conv./eis.1reconv.] bestrijdt dat hij bemoeienis heeft gehad met de transactie en voert daarbij aan dat zijn betrokkenheid ook nergens uit blijkt.

3.24. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden, dwaling en/of bedrog. De Stichting heeft haar standpunt ter zake onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van de verkoop van de woonboerderij te Giethoorn. Ook bij de verkoop van deze appartementen is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de moeder in een afhankelijke positie verkeerde en dat zij nadeel heeft geleden door deze transactie. De rechtbank is van oordeel dat ook in dit geval uitgegaan dient te worden van de juistheid van de waardebepaling door de makelaar in zijn rapport van 31 mei 2000. De Stichting heeft haar standpunt dat die waarde niet juist zou zijn in het geheel niet onderbouwd. Dat wilsgebreken kleven aan de schenking door de moeder aan [ged.2conv./eis.2reconv.], die wederom bij notariële akte heeft plaatsgevonden, is evenmin gebleken. Ook dat standpunt heeft de Stichting onvoldoende geconcretiseerd, nu met name uit de verklaring van de moeder en de verklaring van de notaris blijkt dat de moeder zich bewust was van hetgeen zij deed. Van enige bemoeienis van [ged.1conv./eis.1reconv.] met deze verkoop is niet gebleken. De Stichting heeft ook dat standpunt onvoldoende geconcretiseerd. De vorderingen van de Stichting ten aanzien van de appartementen en de daarmee samenhangende kwijtgescholden lening zullen dan ook worden afgewezen. De rechtbank kent geen waarde toe aan de verklaringen van de verschillende huurders van de appartementen, die beide partijen hebben overgelegd, nu deze huurders tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de vraag aan wie zij de huurpenningen indertijd hebben betaald. Dat [ged.2conv./eis.2reconv.] de appartementen heeft verkocht acht de rechtbank niet zonder meer in strijd met hetgeen hij heeft verklaard in de akte van levering, nog afgezien van de vraag welk gevolg daarmee wordt beoogd door de Stichting, nu de verklaring dat de appartementen gebruikt gaan worden als beleggingsobject er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de appartementen verkocht kunnen worden.

De vordering sub e: de garages aan de Jan Vethstraat

3.25. De Stichting stelt dat ter zake van de verkoop van deze garages sprake is van dwaling, misbruik van omstandigheden en/of bedrog. Zij onderbouwt dat door te stellen dat de koopprijs hiervoor te laag is vastgesteld. Zij baseert zich daarbij op de doorverkoop van de garages door [ged.2conv./eis.2reconv.] in hetzelfde jaar voor een bedrag dat ruim € 9.000,00 hoger lag dan de prijs waarvoor de moeder de garages aan hem heeft verkocht. Verder vordert de Stichting dat [ged.2conv./eis.2reconv.] alsnog het te weinig betaalde bedrag aan de moeder betaalt, zodat ‘beide bedragen deel uit kunnen maken van de nalatenschap die dan te zijner tijd kan worden verdeeld tussen de aanwezige erfgenamen’.

3.26. [ged.2conv./eis.2reconv.] betwist dat sprake was van misbruik van omstandigheden, dwaling en/of bedrog. Hij stelt dat de waarde van de garages wel degelijk een marktconforme waarde was, maar dat hij renovatiewerkzaamheden heeft verricht aan de garages waardoor deze meer waard zijn geworden. De kosten van renovatie heeft hij deels betaald in natura, door een ruil met een motor, zo heeft [ged.2conv./eis.2reconv.] ter comparitie verklaard. Voorts voert hij aan dat hij benaderd is door de kopers, die de garages graag wilden kopen, zodat ook dat tot een hogere verkoopprijs voor hem heeft geleid.

3.27. De rechtbank is ook in dit geval van oordeel dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden, dwaling en/of bedrog. De rechtbank verwijst daarvoor naar hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van de woonboerderij en de appartementen. Dat de koopprijs te laag is vastgesteld is naar het oordeel van de rechtbank door de Stichting onvoldoende geconcretiseerd, gelet op het gemotiveerde verweer van [ged.2conv./eis.2reconv.]. Deze voert immers aan dat hij de garages heeft gerenoveerd door nieuwe dakbedekking aan te brengen, de deuren te vervangen en de garages te schilderen. Dat de waarde van de garages daarmee (aanzienlijk) kan zijn verhoogd acht de rechtbank aannemelijk. De rechtbank zal ook deze vordering afwijzen. Van enige bemoeienis van [ged.1conv./eis.1reconv.] bij deze transactie is niet gebleken. De vordering tot rekening en verantwoording door [ged.1conv./eis.1reconv.] zal dan ook worden afgewezen. Overigens is ter zitting gebleken dat de koopprijs door [ged.2conv./eis.2reconv.] is gestort op de bankrekening van de moeder.

De vordering sub h: de opnames bij de bank

3.28. De Stichting stelt dat [ged.1conv./eis.1reconv.] in de periode van 3 januari 2002 tot en met 24 april 2008 met de bankpas van de moeder een bedrag van € 192.350,00 heeft opgenomen van de bankrekening van de moeder. Zij stelt dat [ged.1conv./eis.1reconv.] dit geld voor eigen nutte en niet ten behoeve van de moeder heeft aangewend. Daarmee heeft hij volgens de Stichting onrechtmatig gehandeld jegens de moeder. Ter comparitie heeft de Stichting deze grondslag uitgebreid naar wanprestatie op grond van de beheerovereenkomst en ongerechtvaardigde verrijking. De Stichting vordert verder inzage in bankafschriften van 1995 tot 2002, om na te gaan of zich in die periode hetzelfde heeft voorgedaan. Dat de moeder de bankafschriften in de periode van 2002 tot 2007 voor akkoord heeft getekend is volgens de Stichting ongeloofwaardig en onaannemelijk.

3.29. [ged.1conv./eis.1reconv.] voert aan dat de moeder hem wekelijks vroeg contant geld voor haar op te nemen en dat hij het opgenomen geld vervolgens steeds aan de moeder afdroeg. De moeder heeft, om latere problemen voor [ged.1conv./eis.1reconv.] te voorkomen, de bewuste bankafschriften voor akkoord getekend. Hij onderbouwt dit door overlegging van bankafschriften over de periode van 2002 tot 2007. Verder wijst [ged.1conv./eis.1reconv.] op de verklaring van de moeder van 22 januari 2000 (r.ov. 2.12) waarin zij verklaart dat ‘al het geld van welke rekening dan ook in mijn opdracht en onder mijn verantwoordelijkheid is opgehaald door mijn zoon [ged.1conv./eis.1reconv.], die dit altijd punktueel aan mij overhandigd heeft.’ [ged.1conv./eis.1reconv.] voert verder aan dat hij niet de beschikking heeft over de bankafschriften uit de periode van 1 juli 1995 tot medio 1998 en dat hij niet gehouden is inzage te geven in bankafschriften van voor 2002 omdat hij geen beheer heeft gevoerd. Ter comparitie heeft [ged.1conv./eis.1reconv.] zich daarnaast beroepen op verjaring.

3.30. Ten aanzien van de verjaring merkt de rechtbank op dat art 3:310 BW bepaalt dat een vordering tot vergoeding van schade verjaart na vijf jaar waarin de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon. Deze verjaringstermijn is van toepassing op zowel onrechtmatig handelen, wanprestatie als ongerechtvaardigde verrijking. De Stichting heeft onweersproken gesteld dat de moeder eerst na aanvang van het bewind in 2007 heeft geconstateerd dat een vordering tot schadevergoeding bestond. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vorderingen van de Stichting niet verjaard zijn, nu ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog geen vijf jaren zijn verstreken.

3.31. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de verklaring van de moeder van 22 januari 2000 en de accordering van de bankafschriften door haar, niet gezegd kan worden dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen door [ged.1conv./eis.1reconv.] jegens de moeder. De Stichting heeft daarvoor onvoldoende gesteld. Dat de moeder door de kasopnames en gelet op de gedeeltelijk contante aflossing van de lening beschikte over veel contant geld (alles bij elkaar ruim 1 miljoen gulden in de periode van 1 januari 1999 tot en met oktober 2005) terwijl het niet duidelijk is waar zij dit aan uitgaf en de Stichting van dit contante geld niets meer heeft aangetroffen, maakt dit niet anders. Dat maakt immers nog niet dat [ged.1conv./eis.1reconv.] degene is die dit geld ‘dus’ onder zich zou hebben en dat de moeder dat niet zo gewild heeft. De vordering van de Stichting met betrekking tot de kasopnames zal dan ook worden afgewezen. Daar doet niet aan af dat de verklaring van de moeder dateert van 22 januari 2000 en dat de Stichting haar vordering heeft beperkt tot de periode nadien. Nadien zijn de bankafschriften door de moeder immers ook voor akkoord getekend en uit de verklaring van 22 januari 2000 volgt niet dat deze alleen ziet op het verleden. In die verklaring staat immers ook: ‘Ik schrijf dit bewust, zodat jullie [ged.1conv./eis.1reconv.] nooit ter verantwoording kunnen roepen, omdat ik er alleen verantwoordelijk voor ben.’ De rechtbank leidt daaruit af dat de verklaring van de moeder niet alleen op de opnames in het verleden is gericht, maar met name bedoeld is als algemene verklaring over de bankopnames die [ged.1conv./eis.1reconv.] deed.

3.32. Een aantal bankopnames betreft ‘salaris’. De Stichting stelt dat de grondslag voor die opnames ontbreekt. De Stichting stelt dat de arbeidsovereenkomst niet is overgelegd, dat het hoe en waarom van de arbeidsrelatie onduidelijk is en dat [ged.1conv./eis.1reconv.] hierover niet heeft overlegd met de andere kinderen. [ged.1conv./eis.1reconv.] heeft aangevoerd dat zijn echtgenote [naam echtgenote] (‘[voornaam]’) sinds 1 februari 2000 een arbeidsovereenkomst had met de moeder, op grond waarvan zij de woonboerderij te Giethoorn schoonmaakte. Haar salaris bedroeg laatstelijk € 1.387,21 bruto per maand. [ged.1conv./eis.1reconv.] voert aan dat dit op initiatief van de moeder zo is geregeld. Hij wijst daarbij op loonstroken die aan [voornaam] zijn verstrekt en op de accordering door de moeder van de opnames van salaris van de bankrekening. Hoewel de constructie met de arbeidsovereenkomst ongebruikelijk te noemen is, is daarmee nog geen sprake van onrechtmatig handelen jegens de moeder. Deze heeft de opnames van salaris immers voor akkoord getekend en stemde kennelijk in met deze handelwijze. De Stichting heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake was van onrechtmatig handelen door middel van deze constructie. Overigens volgt uit verklaringen van buren van de moeder dat [voornaam] inderdaad de woning wekelijks schoonmaakte.

3.33. De rechtbank zal de vordering van de Stichting op dit punt dan ook afwijzen.

Rente en proceskosten

3.34. Aangezien de Stichting in het ongelijk wordt gesteld, dient zij de proceskosten te dragen. Deze worden tot op heden aan de zijde van [gedn.conv./eis.reconv.] begroot op:

- vast recht € 1.185,00

- salaris advocaat € 8.000,00 (4 punten x € 2.000,00)

- totaal € 9.185,00.

3.35. De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

in reconventie

3.36. [gedn.conv./eis.reconv.] stellen dat de conservatoire beslagen die de Stichting heeft gelegd op hun respectievelijke onroerende zaken en de aandelen van [ged.1conv./eis.1reconv.] in De Uitkomst ten onrechte zijn gelegd, nu de vorderingen van de Stichting ondeugdelijk zijn. Zij vorderen opheffing van het beslag. De Stichting heeft aangevoerd dat haar vorderingen deugdelijk zijn en heeft daarbij verwezen naar haar stellingen in conventie. Zij wenst de beslagen te handhaven.

3.37. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de Stichting jegens [gedn.conv./eis.reconv.] zullen worden afgewezen. Daarmee is gegeven dat de beslagen ten onrechte zijn gelegd. De vordering tot opheffing van de beslagen zal worden toegewezen.

3.38. De Stichting wordt in het ongelijk gesteld en dient de proceskosten te dragen. Deze worden tot op heden aan de zijde van [gedn.conv./eis.reconv.] begroot op:

- salaris advocaat: € 904,00 (2 punten x € 452,00)

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. veroordeelt de Stichting in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedn.conv./eis.reconv.] begroot op € 9.185,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de veertiende dag na betekening van het te deze wijzen vonnis tot en met de dag van algehele voldoening,

4.3. verklaart dit vonnis met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

4.4. heft op de door de Stichting op 11 juni 2009 ten laste van [ged.1conv./eis.1reconv.] gelegde conservatoire beslagen van 11 juni 2009 op:

- de onroerende zaak staande en gelegen te Arnhem aan het adres [adres]

- de onroerende zaak staande en gelegen te Arnhem aan het adres [adres]

- de onroerende zaak staande en gelegen te Giethoorn aan het adres [adres]

- de onroerende zaak staande en gelegen te Elst aan het adres [adres]

- de aandelen in de besloten vennootschap De Uitkomst, gevestigd en kantoorhoudende te Elst,

en de conservatoire beslagen gelegd op 17 september 2009 ten laste van [ged.1conv./eis.1reconv.] op

- de onroerende zaak staande en gelegen te Arnhem aan het [adres]

4.5. heft op de door de Stichting op 11 juni 2009 ten laste van [ged.2conv./eis.2reconv.] gelegde conservatoire beslagen op:

- het in mede-eigendom toebehorende appartementsrecht dat recht geeft op het gebruik van het appartement staande en gelegen te Arnhem aan het [adres]

- de in mede-eigendom toebehorende onroerende zaak staande en gelegen te Elst aan het adres [adres],

4.6. veroordeelt de Stichting in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedn.conv./eis.reconv.] begroot op € 904,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de veertiende dag na betekening van het te deze wijzen vonnis tot en met de dag van algehele voldoening,

4.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom, mr. N. W. Huijgen en mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2011.