Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4951

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
12-08-2011
Zaaknummer
216824
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Conservatoir beslag gelegd onder gedaagde. Ter voorkoming van gerechtelijke bewaring heeft gedaagde overeenkomst getekend. Vordering om gedaagde te bevelen die overeenkomst notarieel vast te leggen, wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 216824 / KG ZA 11-291

Vonnis in kort geding van 13 juli 2011

in de zaak van

ROTTSIEPER PARAMENTE KRÖSCHEL GMBH,

gevestigd te 42855 Remscheid (Dld),

eiseres,

advocaat mr. R. de Lange te Zevenaar,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W.G.A. van Hoogstraten te Beuningen.

Partijen zullen hierna RPK en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de brief d.d. 28 juni 2011 met producties van de zijde van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota, tevens akte wijziging van eis van RPK

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. RPK heeft in het verleden regelmatig zaken gedaan met het bedrijf van [gedaagde], [BV1] (hierna te noemen: [BV1]).

2.2. RPK leverde stoffen en andere benodigdheden voor het maken van kerkelijke kledij en [BV1] maakte van deze stoffen onder meer kazuifels en mijters.

2.3. Toen [BV1] in maart 2009 stopte met het betalen van de facturen, heeft RPK nog geruime tijd aan [BV1] geleverd zonder daarvoor betaald te worden.

2.4. Op 18 mei 2010 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Arnhem

RPK verlof verleend tot het doen leggen van conservatoir beslag ten laste van [BV1] onder de Rabobank op bankrekeningnummer 12.79.34.472 en op roerende zaken.

2.5. Op 19 mei 2010 heeft de deurwaarder conservatoir beslag gelegd op liturgische gewaden, waaronder mijters. Van deze beslaglegging heeft de deurwaarder een proces-verbaal opgemaakt (hierna te noemen: het proces-verbaal).

2.6. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem RPK op 1 juni 2010 verlof verleend tot het in gerechtelijke bewaring nemen van de hiervoor bedoelde liturgische gewaden en dergelijke.

2.7. Na verkrijging van het verlof is de deurwaarder naar het bedrijfspand van [BV1] gegaan om de in beslag genomen goederen in gerechtelijke bewaring te nemen. [gedaagde] heeft dit voorkomen door een overeenkomst in persoon en namens [BV1] te ondertekenen. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:

Overeenkomst

Ondergetekenden:

1. Rottsieper Paramente Kröschel GmbH (…),

2. (…) [BV1] (…),

3. [gedaagde]] (…),

(…)

zijn het navolgende overeengekomen:

[BV1] en A.J. [gedaagde] garanderen jegens Rottsieper (opmerking voorzieningenrechter: RPK) dat, zo lang op de in beslag genomen zaken conservatoir beslag rust ten behoeve van Rottsieper, alle in het p-v genoemde zaken, deugdelijk opgeslagen en verzekerd, het bedrijfspand aan de [adres] niet zullen verlaten en niet aan een derde zullen worden afgegeven of geleverd.

[BV1] en A.J. [gedaagde] verbeuren hoofdelijk, des dat de een betalende de ander gekweten zal zijn, een onmiddellijk opeisbare boete van € 40.000,00 (zegge: veertigduizend euro) indien niet aan de in de voorgaande volzin vervatte verplichting wordt voldaan.

Rottsieper ziet af van gerechtelijke inbewaarneming zolang [BV1] en A.J. [gedaagde] aan de in deze overeenkomst opgenomen verplichting voldoen.

Ieder der partijen verplicht zich de in deze overeenkomst vervatte verplichtingen op eerste verzoek en binnen acht dagen daarna in een notariële akte te doen vastleggen.

2.8. RPK heeft in de hoofdprocedure door middel van een Europees Betalingsbevel getracht om een geldige titel te verkrijgen. Echter, voordat de rechter te Wedding (Berlijn) een uitspraak kon doen, is [BV1] op 21 december 2010 gefailleerd.

2.9. De curator in het faillissement is mr. A.T. de Putter (hierna te noemen: de curator).

2.10. Op 15 april 2011 heeft de curator onder meer het volgende aan RPK geschreven:

(…) Op 3 maart 2011 heb ik tezamen met de heer [gedaagde] de voorraad bekeken zoals deze opgeslagen was in de kerk aan de [adres]. Zoals u weet is de afspraak met de heer [gedaagde] om hiertoe over te gaan zeer moeizaam tot stand gekomen. [gedaagde] was niet voornemens om aan deze afspraak medewerking te verlenen. (…)

Aldaar heb ik tezamen met [gedaagde] de voorraad bekeken en de kledinghangers geteld. Het aantal kledinghangers dat daar aanwezig was, overschrijdt ruim het aantal van 200. Al deze kledinghangers waren vol. Ten aanzien van de lijst zoals de deurwaarder is opgemaakt, heb ik aansluitend een steekproef uitgevoerd met de heer [gedaagde]. Aan de hand van de lijst heb ik willekeurig een aantal nummers genoemd, welke [gedaagde] aansluitend uit de voorraad diende te halen. In totaal hebben wij ruim 20 artikelen conform de lijst gezocht, welke allen aanwezig waren. Los daarvan heb ik zelf nog een aantal kazuifels bekeken die eveneens op de lijst voorkwamen. De steekproef was derhalve mijn inziens voldoende. Slechts op de foto aanwezig mijters werden door mij aldaar niet aangetroffen.

Mijn bevindingen in deze heb ik gecommuniceerd met de advocaat van [betrokkene1]. Gezien de samenwerking tussen [betrokkene1] en [betrokkene2] was ik van mening dat deze informatie tot u is gekomen. Mogelijk heb ik een verkeerde aanname in deze gedaan. Concluderend kan ik laten weten dat ten aanzien van de lijst slechts de mijters niet voorhanden waren. De rest van de voorraad, zoals in beslag genomen, was mijn inziens aanwezig. Dit op grond van de steekproef (…)

2.11. Op 2 mei 2011 heeft de advocaat van RPK [gedaagde] geschreven dat RPK van mening is dat [gedaagde] niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst van 1 juni 2010 heeft voldaan, nu de mijters, die onder het beslag van 19 mei 2010 vielen, ten tijde van de inspectie niet meer in het bedrijfspand van [BV1] aanwezig waren. Voorts is in de brief te lezen dat RPK gelet op het voorgaande van mening is dat [gedaagde] aan haar de boete van € 40.000,00 dient te betalen en dat [gedaagde] zijn medewerking dient te verlenen om de verplichtingen uit de overeenkomst van 1 juni 2010 in een notariële akte vast te leggen.

3. Het geschil

3.1. RPK vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- primair -

? [gedaagde], op straffe van dwangsom van € 1.000,00 per dag, zal bevelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, te verschijnen voor een door RPK aan te wijzen notaris en mee te werken aan het vastleggen van de in de overeenkomst vervatte verplichtingen in een notariële akte, welke akte overeenkomst met het als productie 5 in het geding gebrachte concept, althans de strekking heeft dat [gedaagde] gehouden is ter zake van verschuldigde boete een bedrag van € 40.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat de boete verschuldigd is geworden, althans vanaf 21 juni 2011 tot aan de dag van volledige betaling, aan RPK te voldoen,

- subsidiair -

? [gedaagde], op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, zal bevelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, te verschijnen voor een door RPK aan te wijzen notaris en mee te werken aan het vastleggen van de in de overeenokmst vervatte verplichtingen in een notariële akte, welke akte overeenkomt met het als productie 6 in het geding gebrachte concept, althans de strekking heeft dat [gedaagde] gehouden is, zodra in rechte komt vast te staan dat [gedaagde] de verbintenissen welke voortvloeien uit de door hem gegeven garantie dat, zo lang op de in beslag genomen zaken conservatoir beslag rust ten behoeve van Rottsieper, alle in het proces verbaal genoemde zaken deugdelijk opgeslagen en verzekerd het bedrijfspand aan de [adres] niet zullen verlaten en niet aan een derde zullen worden afgegeven of geleverd, niet is nagekomen, ter zake van verschuldigde boete een bedrag van € 40.000,00, te vermeerderen met de wettellijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat de boete verschuldigd is geworden, althans vanaf 21 juni 2011 tot aan de dag van volledige betaling aan RPK te voldoen,

Maar telkens, zowel bij toewijzing van de primaire als de subsidiaire vordering, met de bepaling dat bij gebreke van de medewerking van [gedaagde] het ten deze te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de wilsverklaring van [gedaagde] en van de rechtshandelingen die [gedaagde] in het kader van het vastleggen van de verplichtingen in een notariële akte dient te verrichten,

? [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Op grond van artikel 2 EEX Verordening is de voorzieningenrechter bevoegd om van dit geschil kennis te nemen, nu [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland, in het arrondissement Arnhem.

4.2. Het spoedeisend belang vloeit in voldoende mate voort uit de stellingen van RPK.

4.3. Het verweer van [gedaagde] dat geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen omdat de handtekening van RPK onder de overeenkomst ontbreekt wordt verworpen. RPK heeft niet het standpunt ingenomen dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de inhoud van de overeenkomst, terwijl overigens niets is gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat geen wilsovereenstemming bestond.

4.4. Het primair gevorderde is niet toewijsbaar. De partijen hebben zich slechts verplicht de in de overeenkomst vervatte verplichtingen op eerste verzoek in een notariële akte vast te doen leggen. Tot die verplichtingen behoren slechts i) de garantie dat de in beslaggenomen zaken het bedrijfspand niet zullen verlaten of aan derden zullen worden afgeleverd zolang daarop conservatoir beslag ligt en ii) de verplichting tot betaling van een boete van € 40.000,- indien niet aan de vorige verplichting wordt voldaan. De constatering dàt niet aan die verplichting is voldaan en dat een boete van € 40.000,- is verschuldigd, behoort dus niet tot de in een notariële akte vast te leggen verplichtingen.

4.5. In de subsidiaire vordering zou in de notariële akte een verplichting opgenomen moeten worden dat [gedaagde] is gehouden tot betaling van € 40.000,- zodra in rechte komt vast te staan dat [gedaagde] de onder i) bedoelde verplichting uit de overeenkomst niet is nagekomen. Ook dat is meer dan tot vastlegging waartoe [gedaagde] op grond van de overeenkomst is gehouden. Afgezien daarvan ziet de voorzieningenrechter niet in dat RPK daarbij een belang heeft dat een dergelijke voorziening rechtvaardigt. Want als de discussie in een procedure is gevoerd of [gedaagde] aan de onder i) bedoelde verplichting heeft voldaan en de uitkomst is dat dat niet zo is, kan desgevorderd tevens de veroordeling bij vonnis tot betaling van een boete worden gegeven. En als de uitkomst van die procedure is dat [gedaagde] wel aan de verplichting heeft voldaan, dan is hij geen boete verschuldigd. In beide situaties valt niet in te zien waarom er eerst een notariële akte nodig zou zijn.

4.6. Hoewel in deze procedure geen vordering is ingesteld die noopt tot een beslissing over de vraag of [gedaagde] de boete is verschuldigd -een veroordeling tot betaling van de boete is immers niet gevorderd- hebben de partijen wel gediscussieerd over de vraag of [gedaagde] de hiervoor onder i) bedoelde verplichting niet is nagekomen. Dat laat zich in het kader van dit kort geding niet vast stellen. Dat de curator maanden na het uitspreken van het faillissement een steekproefsgewijze controle heeft gehouden en volgens zijn zeggen toen geen mijters heeft aangetroffen, wettigt niet zonder meer de conclusie dat die mijters er op het moment van het uitspreken van het faillissement -toen het conservatoir beslag daarop verviel- er niet meer waren.

4.7. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van RPK worden afgewezen, waardoor de overige stellingen van partijen geen verdere bespreking behoeven.

4.8. RPK zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht EUR 258,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.074,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt RPK in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.074,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.J.P. Leuverink op 13 juli 2011.