Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4917

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
12-08-2011
Zaaknummer
05/514073-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 23-jarige man uit Didam veroordeeld wegens het veroorzaken van een verkeersongeval met ernstig letsel bij een echtpaar als gevolg, op 4 september 2009 in Hoevelaken. De rechtbank is van oordeel dat het ongeval aan aanmerkelijke schuld van de man is te wijten, omdat hij met zijn bedrijfsauto op de verkeerde weghelft was terecht gekomen, waar een frontale botsing met de auto van het echtpaar plaatsvond. De Didammer geraakte op de verkeerde weghelft, omdat hij eerst met zijn rechterwielen in de berm was terecht gekomen en hij vervolgens een verkeerde stuurcorrectie uitvoerde.

De rechtbank heeft de man veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur en een voorwaardelijke rij-ontzegging van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank ziet af van een onvoorwaardelijke rij-ontzegging, omdat de man het rijbewijs voor zijn werk nodig heeft. Ter compensatie legt de rechtbank wel een hogere werkstraf op dan geëist door de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

PROMIS II

Parketnummer : 05/514073-09

Datum zitting : 29 juli 2011

Datum uitspraak : 12 augustus 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsvrouw : mr. J.L. Bongers, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 04 september 2009, te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, althans in de gemeente Nijkerk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto Renault Kangoo, kenteken [nummer]) zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nijkerkerstraat (ter hoogte van perceel 33), hierin bestaande dat verdachte, - terwijl het op dat moment daglicht was en/of droog en helder weer en/of er geen omstandigheden waren die het uitzicht voor verdachte op enigerlei wijze belemmerden, niet, althans onvoldoende heeft gelet op het overige verkeer en/of het weggedeelte voor hem en/of zijn motorrijtuig niet, althans onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor verdachte met de rechterzijde van het door hem bestuurde motorrijtuig in de (rechter-)berm terecht is gekomen en/of, in een poging deze stuurfout te corrigeren, (te ver) naar links heeft gestuurd en/of (vervolgens) geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst, althans is aangereden tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto Seat Ibiza, kenteken [nummer]), en/of niet dan wel onvoldoende rechts heeft gehouden, zoals bedoeld in artikel 3 van het RVV 1990,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een of meer ander(en) (J. [slachtoffer1] en/of M.H. [slachtoffer2]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 04 september 2009, te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, althans in de gemeente Nijkerk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto Renault Kangoo, kenteken [nummer]) heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nijkerkerstraat (ter hoogte van perceel 33), waarbij verdachte,

- terwijl het op dat moment daglicht was en/of droog en helder weer en/of er geen omstandigheden waren die het uitzicht voor verdachte op enigerlei wijze belemmerden,

niet, althans onvoldoende heeft gelet op het overige verkeer en/of het weggedeelte voor hem en/of zijn motorrijtuig niet, althans onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor verdachte met de rechterzijde van het door hem bestuurde motorrijtuig in de (rechter-)berm terecht is gekomen en/of, in een poging deze stuurfout te corrigeren, (te ver) naar links heeft gestuurd en/of (vervolgens) geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst, althans is aangereden tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto Seat Ibiza, kenteken [nummer]), en/of niet dan wel onvoldoende rechts heeft gehouden, zoals bedoeld in artikel 3 van het RVV 1990,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 29 juli 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.L. Bongers, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. J. Grijns, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van het primaire:

Feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 04 september 2009 heeft te Hoevelaken in de gemeente Nijkerk een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte reed in een Renault Kangoo met het kenteken [nummer] over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nijkerkerstraat, ter hoogte van perceel 33. Op dat moment was het daglicht, droog en helder weer. Omstandigheden die het uitzicht van verdachte op enigerlei wijze belemmerden, waren er niet. Verdachte is met de rechterwielen van zijn personenauto in de rechterberm terechtgekomen. In een poging deze stuurfout te corrigeren heeft verdachte te ver naar links gestuurd om vervolgens op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg terecht te komen en aldus is hij niet zoveel mogelijk rechts blijven rijden. Vervolgens is verdachte met zijn personenauto gebotst tegen een hem tegemoetkomende personenauto, een Seat Ibiza met kenteken [nummer].

Als gevolg van het ongeval heeft J. [slachtoffer1], bestuurder van de Seat Ibiza, diverse botbreuken (ribben, borstbeen, bekken, heiligbeen) en inwendig bloedverlies opgelopen. De geschatte genezingsduur bedraagt 6 maanden. De heer [slachtoffer1] heeft geruime tijd na het ongeval in het ziekenhuis moeten verblijven. M.H. [slachtoffer2], bijrijder van de Seat Ibiza, heeft als gevolg van het ongeval een kneuzing in de borstkas en storingen in het bewustzijn opgelopen. De geschatte genezingsduur van haar bedraagt 3 maanden. Ook M.H. [slachtoffer2] heeft na het ongeval enige tijd in het ziekenhuis verbleven.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van het verhandelde ter terechtzitting alsmede de inhoud van het proces-verbaal het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. In casu, aldus de officier van justitie, is sprake van twee door verdachte gemaakte verkeersfouten namelijk het in de rechterberm terechtkomen en het te ver naar links sturen waardoor verdachte op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen. De officier van justitie is van mening dat in deze gesproken kan worden van aanmerkelijke schuld. Het aan de slachtoffers toegebrachte letsel is naar de mening van de officier van justitie te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het juridisch begrip “schuld” in het kader van artikel 6 WVW houdt in, dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Onvoorzichtig of onoplettend handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van “schuld” te komen. Het komt aan op het geheel van gedragingen en één verkeersovertreding is niet voldoende voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Voor “culpa” is derhalve meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en onoplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. In een poging te corrigeren, nadat verdachte met zijn voertuig in de rechterberm terecht was gekomen, heeft verdachte te veel naar links gestuurd, geslingerd en is op de verkeerde weghelft terechtgekomen. Aan die gedraging had verdachte geen schuld aangezien hij niet te hard reed, voldoende zicht had, niet gehinderd werd door het weer, geen bijzondere verrichtingen aan het voertuig verrichte, niet aan het inhalen was en niet onder invloed verkeerde. Verdachte maakte slechts een stuurfout en in een poging deze stuurfout te corrigeren kwam hij op de andere weghelft terecht met als gevolg de frontale botsing.

Beoordeling van de standpunten

De vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is of verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdediging, zo interpreteert de rechtbank het verweer, stelt dat verdachte slechts verweten kan worden in de berm terecht te zijn gekomen en getracht heeft dit te corrigeren met het fatale gevolg dat een aanrijding is ontstaan.

J.Th.G. [getuige1], een bestuurder die achter J. [slachtoffer1] reed, heeft verklaard uit tegenovergestelde richting een witte auto te zien rijden. Dit betreft de auto van verdachte. [getuige1] zag de auto slingeren, met zijn rechterkant in de berm terechtkomen en vervolgens op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtkomen M.Th. [getuige2], passagier van [getuige1], heeft verklaard een uit tegenovergestelde richting rijdende witte bestelauto door de berm te zien rijden. Vervolgens zag zij dat de witte bestelauto naar links stuurde en op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtkwam en frontaal op de voor haar rijdende personenauto botste.

Verdachte zelf heeft verklaartddat hij mogelijk iets teveel naar binnen stuurde op het moment dat hij een flauwe in de weg gelegen bocht doorreed met als gevolg dat hij in de berm terechtkwam.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Wanneer gereden wordt over een normale weg, bij normale weersomstandigheden, ook al rijdt verdachte door een flauwe bocht, dan is sprake van onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid indien je vervolgens zonder enige verontschuldigbare reden in de berm terechtkomt. Verdachte heeft vervolgens getracht zijn stuurfout te corrigeren door naar links tegen te sturen waarbij hij teveel naar links heeft gestuurd en dus ook daarbij niet de voorzichtigheid betracht die van een bestuurder verwacht mag worden. Vervolgens is verdachte op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in casu sprake is van verschillende de verdachte aan te rekenen verkeersgedragingen die aan het ongeval vooraf zijn gegaan, namelijk het zonder verontschuldigbare reden in de rechterberm terechtkomen en dus niet de voor hem bestemde rijbaan volgen, en het teveel naar links sturen met als gevolg dat verdachte op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen.

De rechtbank is met de officier van justitie van mening dat in deze zaak sprake is van aanmerkelijke schuld.

Het door J. [slachtoffer1] en M.H. [slachtoffer2] ondergane letsel is als zwaar lichamelijk letsel aan te merken, gelet op de aard van het letsel en de meerdere maanden durende herstelperiode.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 04 september 2009, te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto Renault Kangoo, kenteken [nummer]) aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nijkerkerstraat (ter hoogte van perceel 33), hierin bestaande dat verdachte, - terwijl het op dat moment daglicht was en droog en helder weer en er geen omstandigheden waren die het uitzicht voor verdachte op enigerlei wijze belemmerden – onvoldoende heeft gelet op het overige verkeer en het weggedeelte voor hem en zijn motorrijtuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor verdachte met de rechterzijde van het door hem bestuurde motorrijtuig in de rechterberm terecht is gekomen en, in een poging deze stuurfout te corrigeren, te ver naar links heeft gestuurd en vervolgens geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst, tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto Seat Ibiza, kenteken [nummer]), en onvoldoende rechts heeft gehouden, zoals bedoeld in artikel 3 van het RVV 1990,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen (J. [slachtoffer1] en M.H. [slachtoffer2]) zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primaire:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 07 juli 2011.

De strafmaat

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte moet worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uur subsidiair te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De officier van justitie gaat bij haar strafeis uit van de landelijke richtlijnen van 3 weken gevangenisstraf en 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid, beiden onvoorwaardelijk. Het betreft een ernstig verkeersongeval. Verdachte stelt weliswaar dat hij er niets aan kon doen maar voelt zich wel verantwoordelijk. Verdachte is eerder met de politie in aanraking geweest voor het rijden onder invloed. Dat betrof weliswaar een licht feit, maar het is wel een signaal. De officier van justitie komt – ter compensatie – tot een iets hogere werkstraf dan de richtlijnen om verdachte enigszins tegemoet te komen met zijn rijbewijs.

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is gepleit voor het opleggen van een werkstraf waarvan een deel voorwaardelijk. Indien toch een vrijheidsstraf opgelegd moet worden, wordt verzocht deze in voorwaardelijke vorm op te leggen. Voorts wordt verzocht rekening te houden met het tijdsverloop. Sinds het ongeval zijn inmiddels 22 maanden verstreken, een periode waarin verdachte in onzekerheid heeft gezeten. Indien een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd moet worden, dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs voor zijn werk nodig heeft. Verzocht wordt een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Bespreking van de standpunten

Volgens de landelijke richtlijnen is voor een feit, zoals bewezen verklaard, een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken onvoorwaardelijk alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden onvoorwaardelijk het uitgangspunt. Op grond van artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht kan dit met 1/3 worden verhoogd nu sprake is van twee slachtoffers. Dit zou dus neerkomen op een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden onvoorwaardelijk. De rechtbank kan van die richtlijnen, zowel ten voordele als ten nadele van verdachte, afwijken indien daarvoor omstandigheden in aanmerking komen.

Door aan verdachte toe te rekenen onoplettendheid heeft een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden waardoor twee mensen zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank dan ook van oordeel dat in beginsel een straf, conform de landelijke richtlijnen passend en geboden is.

Bij het bepalen van de strafmaat dient de rechtbank niet alleen rekening te houden met de ernst en gevolgen van het ongeval, maar ook met overige omstandigheden zoals het tijdsverloop en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het politieproces-verbaal is op 9 november 2009 ingekomen bij het parket te Arnhem. Verdachte is eerst op 13 juli 2010, 20 maanden later, een dagvaarding uitgereikt.

Voorts laat de rechtbank ten voordele van verdachte meewegen dat hij sinds het ongeval op 4 september 2009 niet met politie en justitie in aanraking is geweest.

Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. De rechtbank zal verdachte wat dat betreft tegemoet komen door de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen in voorwaardelijke zin op te leggen. Dit houdt echter wel in dat de rechtbank de werkstraf verhoudingsgewijs zal verhogen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 6, 175, 177 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

het verrichten van een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 40 (veertig) dagen.

Alsmede:

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. J.W.T.M. Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 augustus 2011.