Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4856

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
207172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Schade aan onroerende zaak.

De zaak zal weer naar de rol worden verwezen om de partijen in de gelegenheid te stellen gelijktijdig bij akte (zo mogelijk gezamenlijk) een voorstel te doen welke persoon zij als deskundige benoemd willen zien en voorstellen te doen voor vragen die zij eventueel nog verder aan de deskundige ter beantwoording willen voorleggen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 207172 / HA ZA 10-2114

Vonnis van 20 juli 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eis.1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [eis.2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.P.A. Greuters te Arnhem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE RHEDEN,

zetelend te De Steeg, gemeente Rheden,

gedaagde,

advocaat mr. P.L.G. Haccou te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eis.1], [eis.2] en de Gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 januari 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2011

- de akte van de [eis.1] en [eis.2], tevens houdende vermeerdering van eis.

- de antwoordakte van de Gemeente

Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten en het geschil

1. Bij op tegenspraak gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 mei 2009, heeft het hof overwogen en beslist dat de door de Gemeente aan [eis.1] en [eis.2] op 19 juni 2001 respectievelijk 13 december 2001 geleverde percelen bouwgrond niet de eigenschappen bevatten die [eis.1] en [eis.2] op grond van de respectieve koopovereenkomsten mochten verwachten en dat de Gemeente daarom is tekortgeschoten in de nakoming van de uit die koopovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen.

2. De tekortkoming bestond volgens het Hof onder meer daaruit - verkort weergegeven - dat de Gemeente percelen bouwgrond (gelegen op het bedrijventerrein De Beemd te Velp, gemeente Rheden) aan [eis.1] en [eis.2] heeft verkocht, dat de Gemeente op basis van rapporten van Fugro en Grondmechanica Delft wist dat zich op die percelen relatief grote zakkingsverschillen aan het maaiveld konden voordoen, en dat de Gemeente die kennis niet aan de kopers heeft meegedeeld. Het Hof kwam op grond daarvan tot het oordeel dat de Gemeente jegens [eis.1] en [eis.2] gehouden is tot schadevergoeding en zij heeft de Gemeente veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3. Over de omvang van de door de Gemeente aan [eis.1] en [eis.2] te vergoeden schade heeft het Hof in zijn arrest onder 4.12 t/m 4.14 het volgende overwogen:

4.12 (…) Hiervoor (rov 4.5) is al overwogen dat [eis.1] c.s. rekening moest houden met enige mate van zetting, maar niet met de zakkingen in de omvang waarin die zich uiteindelijk hebben voorgedaan. Voorts blijkt uit de rapporten van Fugro en Wareco dat ook bij inachtneming van een extra voorbelasting niet alle zakkingen/zettingen zouden zijn voorkomen. De door [eis.1] c.s. gevorderde specifieke bedragen in verband met het verrichte herstel berusten, zo begrijpt het hof, op het uitgangspunt dat de gemeente gehouden zou zijn alle schade in verband met de opgetreden zakkingen/zettingen te vergoeden, welk uitgangspunt blijkens het voorgaande onjuist is. Niet alleen moesten [eis.1] c.s. met enige mate van zetting rekening houden, maar bovendien moet worden aangenomen dat een deel van de zakkingen/zettingen toch zou zijn opgetreden, terwijl tenslotte met een restzetting van 10 procent moet worden gerekend.

4.13 Wel volgt uit het voorgaande dat aannemelijk is dat [eis.1] c.s. schade (kunnen) hebben geleden als gevolg van de tekortkoming van de gemeente, nu blijkens het rapport Wareco de opgetreden zettingen/zakkingen indien de aanbevelingen voor een (voldoende) voorbelasting van het terrein waren opgevolgd, voor een groot deel niet zouden zijn opgetreden.

De vordering van [eis.1] tot schadevergoeding is daarom toewijsbaar. Het verdere debat over de toerekening van de schade aan deze tekortkoming van de gemeente zal in de schadestaatprocedure kunnen worden gevoerd.

4.14 De gemeente heeft nog, met een beroep op het rapport Wareco, gesteld dat de opgetreden verzakkingen ten dele het gevolg zijn van een onvoldoende verdichting van de aangebrachte zandlaag.

Anders dan de gemeente kennelijk wil betogen, blijkt uit dit rapport niet dat Wareco deze - volgens het rapport overigens geringe (0,05 m) - ‘in principe mogelijke’ oorzaak van zakkingen/zettingen in het onderhavige geval ook heeft vastgesteld. Het rapport van Wareco vermeldt verder dat het ophoogzand in dit geval in principe wel verdicht moet zijn geweest, omdat anders het aanbrengen van de puinfundering niet mogelijk was geweest. Bij antwoordakte hebben [eis.1] (kennelijk) de stelling dat het zand onvoldoende verdicht was bestreden onder overlegging van een brief van ir. [betrokkene1] van ABT, volgens wie deze oorzaak kan worden verwaarloosd.

In de schadestaatprocedure kan ook dit punt in het debat over de toerekening van de schade aan de tekortkoming van de gemeente, worden meegenomen”.

4. Bij exploot van 9 oktober 2010 hebben [eis.1] en [eis.2] de schadestaat aan de Gemeente betekend. Volgens de schadestaat bedraagt de schade van [eis.1] € 239.660,-- en die van [eis.2] € 171.680,--.

5. Het is op grond van het voorgaande dat [eis.1] en [eis.2] hebben gevorderd de Gemeente te veroordelen tot vergoeding aan hen van de voormelde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met een bedrag van € 5.085,68 wegens kosten ter vaststelling van de schade, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Na de comparitie heeft [eis.2] zijn eis gewijzigd vanwege de verhuur en voorgenomen verkoop van het door hem van de Gemeente gekochte perceel bouwgrond en het daarop door hem gerealiseerde bedrijfsgebouw [adres]). [eis.2] heeft op die grond aan zijn oorspronkelijke vordering een subsidiaire en meer subsidiaire vordering toegevoegd. Subsidiair heeft [eis.2] gevorderd de Gemeente te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 137.525,-- en meer subsidiair een bedrag van € 191.996,--, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente.

6. De Gemeente heeft verweer gevoerd op de gronden die hierna zo nodig aan de orde zullen komen

De beoordeling van het geschil

7. De Gemeente heeft allereerst opgeworpen dat het causaal verband tussen de tekortkoming en (een deel van) de gevorderde schade ontbreekt. Zij heeft daarvoor aangevoerd dat de schade deels is veroorzaakt door het niet goed aanbrengen van zandophogingen door de door [eis.1] en [eis.2] ingeschakelde aannemer(s), omdat het ophoogzand onvoldoende zou zijn verdicht. De Gemeente heeft er in dat verband op gewezen dat de verzakkingen zich hoofdzakelijk hebben voorgedaan/voordoen naast en langs de (op heipalen gebouwde) bedrijfspanden. Vermoedelijk kan het zand direct aan de gevel de kruipruimte ingedrukt worden, wat erop duidt dat het ophoogzand niet is goed aangebracht.

8. Uit het in opdracht van de Gemeente door Wareco uitgebrachte rapport “onderzoek naar verzakking van bestrating De Beemd in Velp” van 15 mei 2007, waarop de Gemeente zich kennelijk baseert, volgt inderdaad dat de verzakkingen zich hoofdzakelijk voordoen of hebben voorgedaan langs de randen van de bedrijfspanden, maar dat daaruit kan niet worden afgeleid dat het zand niet goed is aangebracht. Integendeel. In het rapport van Wareco staat daarover:

“Uit informatie van de eigenaren van de bedrijfsgebouwen en de gemeente wordt afgeleid dat direct langs de gevels van de bedrijfsgebouwen plaatselijk extra verzakking van de bestrating is opgetreden. Op deze plaatsen lijkt zand van de aangebrachte zandlaag te zijn verdwenen onder de bedrijfsgebouwen. Verwacht wordt dat deze extra zakkingen langs de gevels indirect verband houdt met de tot stand gekomen zakking van de zandlaag.

De gebouwen zijn gefundeerd op betonpalen en betonnen funderingsbalken. De balken zijn gestort nadat het zandpakket was opgebracht. Uit de beschikbare bouwtekeningen van het bedrijfsgebouw aan [adres] 27 wordt afgeleid dat na het storten van de betonbalken een extra zandlaag moet zijn aangebracht, waarna vervolgens isolatieplaten zijn aangelegd en daarna de betonnen vloer is gestort.

Door de zetting van klei- en veenlagen in de ondergrond is onder de betonnen funderingsbalken en de betonnen vloer van de bedrijfsgebouwen een ruimte ontstaan. De ontstane ruimte beneden de onderkant van de vloer ligt op een hoger niveau dan de ontstane ruimte beneden de onderkant van de funderingsbalken.

Het zand langs de gevels van de bedrijfsgebouwen kan als gevolg van regenwater weggespoeld zijn naar de ruimte onder de funderingsbalken. Het weggespoelde zand kan niet in de ruimte onder de betonnen vloer zijn gekomen omdat deze ruimte circa 0,50 m hoger ligt dan de ruimte onder de funderingsbalken (er is geen kruipruimte toegepast).

Extra verzakking van de bestrating door onvoldoende verdichting van het aangebrachte ophoogzand zou in principe mogelijk zijn. De grootte van deze verzakking blijft beperkt tot naar schatting maximaal 0,05 m. Hierbij is aangenomen dat het ophoogzand dat in het werk is aangebracht in principe verdicht moet zijn, omdat anders het aanbrengen van de laag puinfundering niet mogelijk was geweest (vanwege onvoldoende begaanbaarheid)”.

Anders dan de Gemeente heeft gesteld volgt uit het rapport dat er geen kruipruimte is. Verder volgt daaruit dat door de zakking van de ondergrond een ruimte is ontstaan onder de betonnen funderingsbalken en de betonnen vloer van de bedrijfsgebouwen waarin het ophoogzand weggespoeld kan zijn. De oorzaak van het zakken van de zandlaag is dus, zo moet worden aangenomen, gelegen in de zakking van de ondergrond en niet in het verkeerd aanbrengen/onvoldoende verdicht zijn van de zandlaag. Dat het ophoogzand verdicht moet zijn geweest wordt ook in de laatst geciteerde alinea van het rapport aangenomen. Voor het overige heeft de Gemeente geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor een bewijsopdracht is daarom geen plaats. Aangenomen moet worden dat het ophoogzand voldoende was verdicht en dus goed is aangebracht.

9. Vervolgens is de vraag of de schade die is veroorzaakt door de zakkingen abstract moet worden berekend, zoals [eis.1] en [eis.2] hebben gesteld of concreet, zoals de Gemeente voorstaat.

Het betreft hier in wezen schade aan een onroerende zaak. Het gaat immers om verzakkingen tengevolge waarvan ophoging en vernieuwing van straatwerk nodig zullen zijn. Uitgangspunt bij de berekening van de omvang van de onderhavige schade moet zijn dat een eigenaar bij schade aan een zaak, zoals hier het geval is, een nadeel lijdt gelijk aan de waardevermindering die die zaak heeft ondergaan. Als het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, zal het geldsbedrag van deze waardevermindering in het algemeen gelijk zijn aan de naar objectieve maatstaven berekende kosten die met herstel

zijn gemoeid. Dat herstel van de bestrating hier mogelijk en verantwoord was/is, is tussen partijen niet in discussie. De schade moet dus abstract worden berekend, zoals [eis.1] en [eis.2] hebben gedaan. In een geval als dit evenzo: Hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, 1 april 2008, LJN: BD 1147. De omstandigheid dat de percelen met de bedrijfsgebouwen door [eis.1] en [eis.2] zijn verhuurd en, wat betreft het perceel/bedrijfsgebouw van [eis.2] per 1 oktober 2011 zal worden verkocht, is dus voor de berekening van de omvang van de schade niet relevant. Ook valt in deze situatie niet in te zien dat, zoals de Gemeente nog heeft opgeworpen, slechts schade voor vergoeding in aanmerking komt van zakkingen waardoor de bedrijfsvoering van [eis.1] en [eis.2] is/wordt belemmerd.

10. [eis.1] en [eis.2] hebben ter toelichting op de omvang van de door hen gevorderde schade overgelegd twee in haar opdracht door [betrokkene2] van [betrokkene2] Infra Projectmanagement opgestelde kostenoverzichten voor “herstel schade door inklinking bedrijfsterrein”. Eén betreffende het perceel van [eis.1] aan de [adres] 33 te Velp en één betreffende het perceel van [eis.2] aan de [adres] 27 te Velp. De rapporten zijn gedateerd 9 december 2009.

De Gemeente heeft de bevindingen en conclusies van die rapporten gemotiveerd betwist. De Gemeente heeft daartoe met name aangevoerd dat [betrokkene2] bij de berekening van de omvang van de schade niet de door het Hof in de rechtsoverwegingen 4.12 t/m 4.14 van het arrest van 26 mei 2009 gegeven uitgangspunten in acht heeft genomen. Verder heeft de Gemeente aangevoerd dat niet valt in te zien waarom in het rapport voor de berekening van de schade wordt uitgegaan van een periode van 35 jaar, terwijl [eis.1] en [eis.2] zelf (in de dagvaarding) uitgaan van 15 jaar.

11. Het Hof is er in zijn arrest van uitgegaan dat [eis.1] en [eis.2] hoe dan ook met enige verzakking van de grond rekening hadden moeten houden, ook als de in de rapporten van Fugro en Wareco genoemde aanbevelingen voor een voldoende voorbelasting van het terrein waren opgevolgd. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat ook bij inachtneming van een extra voorbelasting niet alle zakkingen en zettingen zouden zijn voorkomen. Wat er van deze gedachtegang zij, dit oordeel van het Hof zal in deze schadestaatprocedure tot uitgangspunt moeten dienen, omdat de rechter in de schadestaatprocedure gebonden is aan de uitspraak in de hoofdprocedure (onder meer HR 26 juni 1998, NJ 1998,590).

Dat en op welke wijze [betrokkene2] met deze uitgangspunten van het Hof in zijn rapporten rekening heeft gehouden is niet duidelijk. Het is reeds daarom dat de rapporten van [betrokkene2] voor de berekening van de schade niet bruikbaar zijn Daarbij komt bovendien dat niet duidelijk is waarom voor de berekening van de schade moet worden uitgegaan van 35 jaar, zoals [betrokkene2] heeft gedaan. Gelet op dit alles acht de rechtbank, alvorens te beslissen op de vordering tot schadevergoeding van [eis.1] en [eis.2], een deskundigenbericht noodzakelijk ter voorlichting van de rechtbank, opdat daarna aan de hand daarvan de schade kan worden begroot. De deskundige zal bij het uitbrengen van zijn/haar rapport de door het Hof in zijn arrest gegeven uitgangspunten voor het berekenen van de schade in acht moeten nemen.

12. Wat dat laatste betreft is nog van belang dat de partijen twisten over de uitleg van rechtsoverweging 4.12 van het arrest van het Hof wat betreft de zin “terwijl ten slotte met een restzetting van 10 procent moet worden gerekend”.

Volgens de Gemeente blijkt uit het rapport van Wareco dat in mei 2007 (de datum van dat rapport) 90% van de zetting/zakking van de bestrating was bereikt. Omdat moet worden gerekend met een restzetting van 10%, moet er van worden uitgegaan dat in mei 2007 de maximale zetting was bereikt die voor schadevergoeding in aanmerking zou kunnen komen.

Volgens [eis.1] en [eis.2] wordt met 10% restzetting bedoeld, zoals ook in het rapport van Wareco staat, het normale onderhoud wat iedereen heeft, dus los van deze zaak.

13. Met restzetting wordt in het algemeen aangeduid de zetting die verwacht mag worden gedurende een bepaalde periode vanaf een vastgesteld moment. In die zin heeft Wareco de term restzetting ook in haar rapport van 15 mei 2007, waarop het Hof zijn oordeel over restzetting kennelijk heeft gebaseerd, ook gebruikt. Nadat Wareco heeft geconcludeerd dat tot aan het moment van haar onderzoek (2007) ongeveer 90% van de verwachte eindzetting is opgetreden, heeft zij op pagina 6 geschreven:

“de nog resterende zakking van de bestrating die éénmalig is aangelegd bedraagt circa 10% van de maximaal verwachte eindzetting (van circa 0,40 en circa 0,60 m).

De resterende zakking van de huidige bestrating (die éénmalig is aangelegd) zal op basis van de resultaten van het rapport van Fugro en het rapport van Geodelft naar verwachting

Maximaal respectievelijk 0,04 m tot circa 0,06 m bedragen”,

en verder, op pagina 8:

“Indien besloten wordt de bestrating rondom de bedrijfsgebouwen opnieuw aan te leggen op het oorspronkelijk aanlegniveau, dan zal deze aanvullende ophoging de aandrijvende kracht zijn voor het tot stand komen van aanvullende zakkingen. Verwacht wordt dat deze zakking van de bestrating circa 0,05 m tot 0,10 m kan bedragen. Als gevolg van de thans aanwezige ophooglaag wordt nog een zakking van de bestrating verwacht van circa 0,05 m (10% van de maximale zakking). Hiermee komt de resterende zakking van de bestrating in totaal op naar verwachting circa 0,10 m tot 0,15 m”.

Met restzetting heeft het Hof dan ook, zo moet worden aangenomen, bedoeld de zetting die nog (vanaf 2007) optreedt als gevolg van de thans aanwezige ophooglaag en die wordt gesteld op circa 10%, wat neerkomt op een zakking van 0,04 - 0,06 m.

In die zin zal de deskundige daarmee bij de beantwoording van de vragen rekening moeten houden.

14. Voor de begroting van de schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming moeten twee situaties met elkaar worden vergeleken: de situatie waarin [eis.1] en [eis.2] werkelijk zijn komen te verkeren met de hypothetische situatie waarin zij verkeerd zouden hebben indien de tekortkoming achterwege zou zijn gebleven, of anders gezegd de overeenkomst onberispelijk zou zijn nagekomen. Vastgesteld zullen moeten worden de kosten voor ophoging en straatwerk die in de huidige werkelijke situatie door [eis.1] en [eis.2] moeten worden gemaakt vanaf de levering tot aan het moment waarop de verzakkingen en zettingen zijn voltooid. Volgens het Hof moet bij die situatie worden betrokken dat i) met enige mate van zetting rekening moest worden gehouden, ii) een deel van de zakkingen en zettingen toch zouden zijn opgetreden indien de aanbevelingen voor voldoende voorbelasting van het terrein waren opgevolgd en iii) dat met een restzetting van 10 procent moet worden gerekend. Verder moeten worden vastgesteld de kosten voor ophoging en straatwerk die [eis.1] en [eis.2] ook bij onberispelijke nakoming van de overeenkomst gedurende die periode hadden moeten maken.

15. De rechtbank stelt zich voor dat aan de deskundige in ieder geval de navolgende vragen ter beantwoording worden voorgelegd:

a. Wat zijn, naar objectieve maatstaven berekend, de kosten voor ophoging en straatwerk die [eis.1] en [eis.2] hadden moeten maken als de Gemeente de overeenkomsten met hen onberispelijk zou zijn nagekomen, zulks berekend over de periode van de levering van de grond (19 juni 2001 wat betreft [eis.1] en 13 december 2001 wat betreft [eis.2]) tot aan het moment waarop de verzakkingen en zettingen zouden zijn voltooid,

b. Wat zijn de kosten van herstel, naar objectieve maatstaven berekend en over dezelfde periode als onder a bedoeld, die de kopers thans hebben moeten maken en in de toekomst nog moeten maken, ervan uitgaande dat in 2001 50% zetting van de maximaal te verwachten eindzetting (0,40 - 0,60 m) is bereikt en dat dat gedurende de periode van 2001-2007 40% is geweest? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag de hiervoor onder 14 i, ii en iii weergegeven uitgangspunten van het Hof in acht nemen, waarbij het uitgangspunt als genoemd onder 14.iii moet worden uitgelegd in de zin als onder 13 is overwogen?

c. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

16. De zaak zal weer naar de rol worden verwezen om de partijen in de gelegenheid te stellen gelijktijdig bij akte (zo mogelijk gezamenlijk) een voorstel te doen welke persoon zij als deskundige benoemd willen zien en voorstellen te doen voor vragen die zij eventueel nog verder aan de deskundige ter beantwoording willen voorleggen.

17. [eis.1] en [eis.2] zullen op de voet van het bepaalde in art. 195 Rv worden belast met betaling van het voorschot op het loon en de kosten van de deskundige.

18. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de zitting van 24 augustus 2011 voor het nemen van een akte door de beide partijen zoals onder 16 is overwogen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2011.

Coll.: ED