Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4842

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
205438
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding van schade die volgens eiser door MBB en/of de door haar ingeschakelde onderaannemers uitgevoerde sloop- en bouwwerkzaamheden ten behoeve van het realiseren van het appartementencomplex, is ontstaan aan het pand van eiser.

Verwijzing naar de rol voor het nemen van een akte door beide paritjen, waarbij partijen de gelegenheid hebben zich over de vraagstelling aan de te benoemen deskundige uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 205438 / HA ZA 10-1797

Vonnis van 13 juli 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAARSSEN'S BOUWBEDRIJF B.V.,

gevestigd te Maarssen,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en MBB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 maart 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 16 mei 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 [eiser] is sinds 1984 eigenaar van het onroerend goed gelegen aan het [adres]. In dit pand exploiteert [eiser] een wijnkoperij en partyhuis.

2.2 MBB is een ontwikkelings- en aannemersbedrijf dat actief is in de nieuwbouw en renovatie van woningen en utiliteitsbouw.

2.3 [betrokkene1] B.V. is eigenaar van de ten westen van het perceel van [eiser] gelegen percelen aan de [adres]. Op deze percelen is in opdracht van [betrokkene1] tussen 2002 en 2009 de bestaande bebouwing gesloopt en het appartementencomplex “De Commandeur” met een daaronder gelegen parkeergarage gerealiseerd (hierna: het appartementencomplex).

2.4 Ten behoeve van de bouw van voornoemd appartementencomplex heeft [betrokkene1] medio 2002 aan MBB opdracht gegeven om de bestaande opstallen te slopen. Voorafgaand aan de uitvoering van de sloopwerkzaamheden heeft Hanselman Taxaties (hierna: Hanselman) in opdracht van MBB een bouwkundig onderzoek en vooropname uitgevoerd van het pand van [eiser]. De bevindingen van Hanselman zijn vastgelegd in haar rapport van 13 augustus 2002.

2.5 MBB heeft deze sloopwerkzaamheden in onderaanneming opgedragen aan Oudt Zwanenburg Grond- en Sloopwerken B.V. (hierna: Oudt Zwanenburg). De sloopwerkzaamheden zijn vervolgens door Oudt Zwanenburg van eind december 2002 tot eind januari 2003 uitgevoerd. In de brief van MBB van 8 januari 2003 aan Oudt Zwanenburg zijn deze werkzaamheden als volgt omschreven:

“Het slopen en afvoeren van alle afkomende materialen van de opstallen staande op de percelen Stationsweg 1 t/m 5 te Tiel e.e.a. geheel conform uw bovengenoemde offertes (…)”

2.6 [eiser] heeft expertise- en taxatiebureau Hettema en Disselkoen B.V. opdracht gegeven een vooropname van zijn pand te maken. De bevindingen van Hettema en Disselkoen zijn vastgelegd in haar rapport van 23 september 2002.

2.7 Bij brief van 12 november 2002 heeft Arag, de rechtsbijstandverzekeraar van [eiser], namens [eiser] onder meer het volgende bericht aan MBB:

“Het is ronduit teleurstellend te noemen dat er geen inzage mogelijk blijkt te zijn in het sloopplan. Ik wijs u en uw opdrachtgever er om die reden nogmaals op dat mijn cliënt u beiden volledig aansprakelijk houdt voor mogelijk te lijden schade. (…)”.

2.8 Deze aansprakelijkstelling van MBB namens [eiser] is herhaald bij brief van 19 mei 2005 van Arag. In deze brief staat verder onder meer:

“Op de tweede plaats ondervindt mijn cliënt veel wateroverlast in zijn kelders. Inmiddels is gebleken dat de oorzaak hiervan is gelegen in de sloop van de leiding waardoor voorheen (regen)water werd geloosd ten behoeve van het perceel van cliënt. (…) Nu u eerdergenoemde afvoerbuis in de sloop heeft meegenomen, is deze waterlozing niet meer mogelijk met alle gevolgen en schade van dien. Zoals u weet voert mijn cliënt op voornoemd adres zijn onderneming. De schade loopt dan ook snel op.

Mijn cliënt houdt u aansprakelijk voor alle reeds geleden en nog te lijden (water)schade. U had eerst behoren na te gaan welk doel de leiding diende alvorens deze zomaar te slopen. Door dit niet te doen, heeft u jegens mijn cliënt nalatig gehandeld.(…)”

2.9 Hettema en Disselkoen hebben in opdracht van [eiser] onderzoek gedaan naar vochtoverlast in het pand van [eiser]. In een brief van Hettema en Disselkoen van 22 december 2005 aan Arag staat hierover onder meer:

“(…) Wij namen met betrekking tot de vochtoverlast de proef op de som. Wij stelden met gebruikmaking van een vochtmeter vast dat de vloer en de muur in de garage en diverse muren in de kelder, waaronder de binnenmuren van de kelderkoekoek, van de woning vochtig waren. Daarnaast constateerden wij dat er in de buitengelegen hardstenen traptreden naar de keuken toe sprake was van een donkere vochtuitslag, wat kan betekenen dat er sprake is van optrekkend vocht in deze stenen.

Hoewel op basis van een visuele inspectie en zonder geografisch onderzoek weinig feitelijk gesteld kan worden, sluiten wij niet uit dat bovengenoemde vochtproblematiek veroorzaakt wordt door ondergrondse accumulatie van hemelwater dan wel een plaatselijk verhoogd grondwaterpeil ronddom de woning van uw cliënt. Dit is onzes inziens het onlosmakelijke gevolg van het gegeven dat het ondergrondse evenwicht is verstoord doordat er thans sprake is van een braakliggend terrein waarop al het hemelwater wegzakt en niet, zoals voordien, werd afgevoerd door de hemelwaterafvoeren van het belendende bedrijfspand.

Wellicht dat de onderhavige vochtproblematiek na de bouw van het appartementencomplex opgeheven is, doch een eventuele andere op komst zijnde problematiek is het in- en uittrillen van damwanden (trillingsschade) en bronbemaling (schade door ongelijke zetting van een gebouw) in het kader van de bouw van een bouwput ten behoeve van de bouw van het appartementencomplex(…)”

2.10 Hanselman heeft in opdracht van MBB op 19 januari 2006 nogmaals een opname van het pand van [eiser] gemaakt. De bevindingen van Hanselman zijn neergelegd in haar rapport van 25 januari 2006.

2.11 [eiser] heeft op 24 april 2006 [betrokkene1] gedagvaard voor de rechtbank Arnhem. Bij eindvonnis van 21 maart 2007 heeft deze rechtbank, kort gezegd, [betrokkene1] veroordeeld om tot herstel van de waterafvoerleiding afkomstig van het pand van [eiser] via haar terrein naar het gemeentelijk riool toe, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.12 Hanselman heeft in opdracht van MBB op 31 juli 2007 wederom een bouwkundige opname uitgevoerd van het pand van [eiser]. De bevindingen van Hanselman zijn vastgelegd in haar rapport van 17 augustus 2007.

2.13 [betrokkene1] heeft op 6 augustus 2007 aan MBB opdracht gegeven om de sanering, het grondwerk, het aanbrengen van de damwanden en de bronbemaling uit te voeren ten behoeve van de bouw van het appartementencomplex. In de brief van dezelfde datum van [betrokkene1] aan MBB zijn deze werkzaamheden als volgt omschreven:

“Het uitvoeren van de navolgende werkzaamheden en leveringen:

1. Damwand

2. Grondwerk

3. Sanering

4. Bronbemaling

E.e.a. op basis van de volgende gegevens:

ad. 1 Rapport “damwand en stempeling”, d.d. 12 juli 2007, van Van Halteren Infra B.V., met bijbehorende berekeningen;

ad. 2/3 Saneringsdraaiboek & veiligheidsplan bodemsanering, d.d. 16-juli 2007, van Koop Bronbemaling B.V. Utrecht;

ad. 4 Concept bemalingsplan, d.d. 11 juli 2007, van Koop Bronbemaling BV Utrecht (…)”

2.14 MBB heeft deze werkzaamheden in onderaanneming opgedragen aan Koop Bronbemaling B.V. (hierna: Koop). Koop heeft op haar beurt het ontwerp van de bouwkuip en het stempelraam, het aanbrengen en trekken van de damwanden en het realiseren van het stempelraam uitbesteed aan Van Halteren Infra B.V.

2.15 In een overeenkomst, gedateerd 22 maart 2006, tussen [betrokkene1] als “opdrachtgever” en Klok Bouw B.V. als “aannemer”, staat voor zover van belang het volgende:

“(…) in overweging nemende:

(…)

- dat de opdrachtgever op dit bouwterrein een nieuwbouwproject heeft ontwikkeld voor een woongebouw met 19 appartementen met op de begane grond commerciële ruimte en daaronder gelegen een parkeergarage, hierna te noemen “het werk”.

- dat een andere aannemer te weten MBB uit Maarssen in bouwteamverband deel heeft genomen aan de ontwikkeling van het werk, dat MBB door capaciteitsgebrek niet in staat is om het werk tijdig uit te voeren, dat de opdrachtgever om die reden de aannemer heeft gevraagd om de opdracht tot uitvoering van het werk te aanvaarden en dat de aannemer zich daartoe bereid heeft verklaard en dat de aannemer bovendien bereid is om in het kader van de bouwopdracht diverse in deze overeenkomst nader omschreven verplichtingen van MBB over te nemen; (…)“

2.16 Naar aanleiding van een schademelding van [eiser] bij zijn opstalverzekeraar Aegon, heeft laatstgenoemde expertisebureau Crawford opdracht gegeven hier onderzoek naar te doen. In het rapport van Crawford van 20 juli 2009 staat onder meer:

“Naar aanleiding van uw opdracht tot expertise hebben wij het schadeadres bezocht op 21 april 2008. (…)

Na aanvang van de werkzaamheden is er aanzienlijke schade aan het pand van verzekerde ontstaan. Door trillingen van de sloop en bouwwerkzaamheden zijn scheuren in diverse wanden en plafonds ontstaan. Door de bronbemaling is grondwater onttrokken waardoor een wijziging is ontstaan in de grondsamenstelling. Dit heeft gevolgen gehad voor fundatie van de erker en de garage die hierdoor zijn verzakt. Tevens was de bestrating aan de achterzijde van de woning volledig verzakt.

Voor het vastleggen van de gebreken werd door Hanselman Taxaties een tussenopname gemaakt d.d. 19 januari 2006 (…) en een laatste opname d.d. 31 juli 2007 (…). Uit deze rapporten is duidelijk te herleiden dat de sloop en bouwwerkzaamheden uitgevoerd door Maarssens Bouwbedrijf BV schade hebben toegebracht aan de woning van verzekerde.

Tijdens ons bezoek constateerden wij dat met name aan de achterzijde van de woning (de zijde waar het appartementencomplex is gebouwd) de verzakking waarneembaar is. Door deze verzakking was druk ontstaan op de scharnieren van de opslaande deuren waardoor deze zijn gescheurd. De spanning in het kozijn in de achtergevel is duidelijk zichtbaar. Ook zijn er verzakkingen waarneembaar in de aangebouwde garage. Verder zijn er in diverse ruimtes scheuren zichtbaar in wanden plafonds en vloeren.

Verzekerde heeft de firma P. van ’t Wout ingeschakeld voor het onderheien van de serre en de garage en het opvijzelen tot de juiste hoogte. Hierbij is het noodzakelijk dat er zwaar materieel in de tuin wordt geïnstalleerd en de fundatie rondom wordt uitgegraven tot aanlegdiepte. Door deze werkzaamheden zal het na uitvoering van werkzaamheden noodzakelijk zijn om nagenoeg de volledige tuin, bomen en beplanting te reconstrueren. Voor deze werkzaamheden heeft verzekerde onderstaande claim ingediend.

Fundatie herstel door P. van ’t Wout EUR 85.085,00

Tuin reconstructie door Van de Bijl & Heierman b.v. EUR 48.633,65

Vervangen glas, schilder en stukwerk EUR 27.878,13

De- en montage rolluiken EUR 2.769,60

Elektra werkzaamheden EUR 952,00

Herstellen parketvloer serre EUR 2.772,00

Totaal inclusief BTW EUR 168.090,38

Door ons is de schade vastgesteld op basis van Deep Injection Methode door Uretek. Deze kunnen middels een injectie van twee componenten de vloer stabiliseren en waar nodig opvijzelen. Hierbij is het niet noodzakelijk de volledige tuin af te graven en is ook geen zwaar materieel nodig. Tevens zijn de kosten lager dan onderheien.

Fundatie herstel d.m.v. Deep Injection methode EUR 23.630,00

Bodemonderzoek EUR 800,00

Vervangen thermopane EUR 2.762,80

De- en montage elektrische rolluiken EUR 2.327,60

Herstellen elektrische installatie EUR 800,00

Herstellen parketvloer EUR 1.909,24

BTW 19% EUR 6.116,79

Reparatie en schilderwerk achtergevel EUR 6.750,00

Reparatie scheuren en schilderwerk EUR 7.200,00

BTW 6% EUR 837,00

Totaal inclusief BTW EUR 54.097,43

Zoals reeds met u besproken kan verzekerde zich niet vinden in de herstelmethodiek die door ons werd aangedragen. Volgens verzekerde zouden er tijdens de injectie werkzaamheden gassen vrijkomen die een slechte invloed zouden hebben op de wijnvoorraad. Tevens zou een deel waar de wijnvoorraad ligt verwijderd moeten worden.”

2.17 Bij brief van 24 juli 2009 heeft Aegon het volgende bericht aan Assurantie en Adviesbureau De Geus, de assurantietussenpersoon van [eiser]:

“(…) De expert heeft geconstateerd dat de schade bestaat uit verzakking van (gedeelten van) de woning, zodat wij de schade niet kunnen vergoeden. Hieronder vindt u de toelichting. (…) Uit het expertiserapport blijkt dat de woning van verzekerde is gaan verzakken als gevolg van werkzaamheden nabij die woning. Volgens de voorwaarden 1023 is verzakking geen met name gedekt evenement. Daarom komt deze schade niet voor vergoeding in aanmerking.

Ook onder artikel 2.16 staat er geen dekking voor schade. Dit artikel eist immers dat er sprake moet zijn van een plotselinge en onverwachte oorzaak. In dit geval is daar geen sprake van. De verzakking heeft niet plaatsgevonden van het ene op het andere moment, maar is het gevolg van een langer durend proces geweest. Ook stelde verzekerde de aannemer bij voorbaat al aansprakelijk voor eventueel te ontstane schade en liet de aannemer een voortaxatie uitvoeren. Hieruit blijkt dat de schade niet onverwacht is ontstaan. Daarom vergoeden wij deze schade niet.(…)”

2.18 Allianz Global Risks Nederland N.V., de aansprakelijkheidsverzekeraar van MBB, heeft bij brief van 24 november 2009 het volgende bericht aan [eiser]:

“Als aansprakelijkheidsverzekeraar van MBB BV hebben wij (…) Vanderwal & Joosten BV o.a. bij uw pand expertise laten verrichten. Op 22 september 2009 is een inspectie uitgevoerd en werden de geclaimde gebreken vergeleken met de in 2002 en 2007 door Hanselman Expertises uitgevoerde vooropnames.

Omdat tijdens de inspecties de indruk bestond dat de geclaimde gebreken onder andere veroorzaakt zouden zijn door de onttrekking van grondwater is dat ook onderzocht. Er zijn ons echter geen gegevens bekend geworden waaruit zou blijken dat er sprake zou zijn van een verlaging van de grondwaterstand beneden de laagst gemeten natuurlijke grondwaterstand. Ook bevindt zich in het niveau waartussen de grondwaterstand wel verlaagd blijkt te zijn, geen grondpakket dat gevoelig is voor zettingen als gevolg van een stijgend of dalend grondwaterniveau. Van een wijziging van de grondwaterstroom is naar onze mening, gezien het beperkte oppervlak en diepte van de bouwput, evenmin sprake.

Verder begrepen wij dat u schade claimt ten gevolge van de volgende evenementen:

- de sloop van de bestaande bebouwing op het terrein;

- wateroverlast door een beschadigd riool;

- het intrillen en nadien weer verwijderen van damwanden;

- de grondwateronttrekking als gevolg van de bemaling;

- trillingsoverlast tijdens de bouwwerkzaamheden.

Wij hebben ons voor een vaststelling van de schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden van MBB BV gebaseerd op de vooropname die door Hanselman op 31 juli 2007, dus na de sloop van medio 2002 en eventuele rioleringsproblemen, gemaakt is. Wij constateren dat het overgrote deel van de geclaimde gebreken al opgenomen is in de vooropname. Uitzonderingen hierop zijn:

a. de scheurvorming in de voegen van de (15 jaar oude) betegelde zijwand van de douche en dientengevolge vochtplekken in de wandafwerking van de naastgelegen hal;

b. de hernieuwde scheurvorming in de aansluiting op de vloer op de achtergevel van de garage;

c. de verzakking van de bestrating van de oprit naar de garage.

Van de bovengenoemde punten achten wij het alleen van punt c redelijkerwijs aannemelijk dat deze in een causaal verband staat met de uitgevoerde bouwwerkzaamheden. Van de punten a en b niet, maar wij kunnen dit ook niet helemaal uitsluiten. Wij zijn dan ook bereid die namens onze verzekerde ook voor onze rekening te nemen. De kosten voor het herstellen van deze gebreken, rekening houdend met een aftrek voor verbetering na herstel, ramen wij op een totaal van € 7.000,00 inclusief btw, en is als volgt gespecificeerd:

- Vervangen voegwerk badkamer € 1.500,00

- Sauswerk hal (dagwaarde 30%) € 750,00

- Aanhelen vloerafwerking garage € 1.500,00

- In- en uitruimen, schoonmaken € 750,00

- Herbestraten oprit € 2.500,00”

2.19 In het rapport van het door Allianz ingeschakelde expertisebureau Vanderwal & Joosten B.V. van 26 januari 2011 staat voor zover van belang het volgende:

“3. Gebeurtenis

Vanaf medio augustus 2007 constateerden 33 eigenaren van woningen aan de Dr. Kuijperstraat, de Dr. Bosstraat en de Stationsweg te Tiel scheuren in hun respectievelijke panden. Verder constateerde de heer [eiser], M[adres], vanaf eind 2002 diverse gebreken en wateroverlast in zijn woning. Al deze woningen zijn gesitueerd nabij het nieuwbouwproject ‘De Commandeur’. (…)

5. Onderzoek (…)

Uit onze gesprekken met deze tegenpartijen maken wij op, dat er qua geclaimde schade drie mogelijke oorzaken aangewezen worden. Voor wat betreft tegenpartijen 24 en 25 (wiens panden direct naast de bouwplaats liggen) zijn dit trillingen die vrijgekomen zijn tijdens het inbrengen van de damwandplanken.

De overige tegenpartijen geven aan dat zij de indruk hebben dat de geclaimde gebreken ontstaan zijn door grondwaterstandverlaging en/of de fluctuatie in grondwaterstromen ten gevolge van de bemaling. Door enkele buurtbewoners is de kwestie op 15 juli 2008 aanhangig gemaakt bij de Commissie Deskundigen Grondwaterwet (CDG). Deze commissie heeft op november 2009 haar eerste rapportage uitgebracht (…). In haar rapportage komt de commissie tot de conclusie dat het haar onaannemelijk voorkomt dat een causaal verband zou bestaan tussen de grondwateronttrekking en de geclaimde scheurvorming. Zij komen tot deze conclusie op basis van de volgende overwegingen:

- De grondwaterfluctuatie bevindt zich nagenoeg geheel in een – niet of nauwelijks voor grondwaterverlaging gevoelig – zandpakket;

- De door de onttrekking (bemaling) gerealiseerde verlaging van het grondwater is nooit lager geweest dan het natuurlijk voorkomende laagste niveau.

Op 30 november 2009 heeft het bewonerscomité haar bezwaren tegen de rapportage en conclusie van het CDG kenbaar gemaakt. Het CDG heeft daarop op 18 januari 2010 tot een hoorzitting besloten, en wel op 12 maart 2010 (…). Bij deze zitting zijn wij aanwezig geweest, (…). Naar aanleiding daarvan hebben wij op 24 maart 2010 het CDG de door hen opgevraagde informatie opgestuurd. Dit betrof met name voor- en naopnames van de panden. Tot op heden ontvingen wij geen tweede rapportage van het CDG. (…)

5.3 Eigen waarnemingen: (…)

33 P. [eiser] M[adres] inspectie op 22 september 2009

Tijdens onze inspectie d.d. 22 september 2009 toonde de heer [eiser] ons de nodige gebreken aan zijn pand, waarvan hij stelde dat deze het gevolg waren van voor de sloop, sanering en bouw uitgevoerde werkzaamheden:

- Breuk van een granito vloer (begane grond);

- Scheur in het natuurstenen bordes bij de voordeur van het pand;

- Opentrekken van een verticale scheur in het metselwerk van de linker zijgevel (over de volle hoogte van het pand) en in de metselwerk aansluiting van de serre;

- Verzakking van de serre aan de achterzijde van het pand, en het slecht sluiten van ramen, deuren en rolgordijnen;

- Scheurvorming in de voegen van de (15 jaar oude) betegelde zijwand van de douche en dientengevolge vochtplekken in de wandafwerking van de naastgelegen hal;

- Hernieuwde scheurvorming in de aansluiting vloer op de achtergevel van de garage;

- Een verticale scheur in de zijgevel van de garage;

- Een scheur links boven de toegangsdeur naar de garage;

- Verzakking van de bestrating van de oprit naar de garage.

Naar aanleiding van beide inspecties hebben wij de geclaimde gebreken vergeleken met de vooropname uit 2002 en de tussenopnamen uit 2006, 2007 en 2009. Wanneer alleen op de tekstuele vastlegging van de gebreken afgegaan wordt, lijken de meeste gebreken zich -merkwaardig genoeg- in 2006 voor te doen. Wanneer de videobeelden en de foto’s vergeleken worden, lijkt het erop dat de tekstuele opnamen vanaf 2006 een vertekend beeld geven. Op de videobeelden uit 2002 zien wij namelijk reeds een behoorlijk aantal van de in 2006 en 2007 vastgelegde gebreken, in ieder geval de meest forse (en belangrijke).

Naar onze mening heeft een grondwaterstandverlaging door de bouw niet bijgedragen aan de verergering c.q. toename van het aantal geconstateerde gebreken. Zoals uit de eerste rapportage van de Commissie Deskundigen Grondwaterwet blijkt, is namelijk geen sprake geweest van een door de heer [eiser] gestelde grondwaterverlaging ‘van enkele meters’, maar van maximaal een meter direct naast de bouwkuip. Deze verlaging was enerzijds zodanig, dat deze niet onder de laagst gemeten natuurlijke grondwaterstand geweest is. Anderzijds bestaat het bodemtraject waarbinnen de grondwaterstandverlaging zich voordeed uit zand, dat niet zettinggevoelig is voor grondwaterstandverlagingen.

Dat na de realisatie van het complex, en met name het in de grond blijven zitten van een deel van de damwand, de grondwaterstroming beïnvloed zou worden waardoor de grondwaterstand permanent veranderd (verhoogd) zou zijn ter plaatse van het pand van de heer [eiser], achten wij zeer onaannemelijk. Naar onze mening is het oppervlak en de diepte van de achtergebleven damwandplanken daarvoor (veel) te gering.

Tijdens onze inspectie op 6 januari 2010, door de heer [eiser] geïnitieerd vanwege nieuw opgetreden problemen, namen wij waar dat het plafond in de woonkamer (stuc op riet) scheurvorming vertoonde. De stelling van de heer [eiser] dat het plafond zou doorbuigen, konden wij niet volledig onderschrijven, omdat het plafond inmiddels met balkjes gestut was. Wel vinden wij in de vooropname van 2002 op pagina 64 de zinsnede:

Verkoopruimte links voor:

Op enkele plaatsen sporen van breuk in het plafond.

Beoordeling periode tot 2006

Uit de vooropname van 2002 blijkt dat zich reeds vóór de sloop van de bestaande bebouwing diverse constructieve gebreken voordeden in het pand van de heer [eiser]. Naar onze mening is in het verleden (zonder invloeden van sloopwerkzaamheden) sprake geweest van een bepaalde zakking van het pand, welk proces de afgelopen jaren zich gewoon voortgezet heeft.

Beoordeling periode na 2006:

Wij constateren dat het overgrote deel van de geclaimde gebreken al opgenomen is in de vooropname. Uitzonderingen hierop zijn:

a. scheurvorming in de voegen van de (15 jaar oude) betegelde zijwand van de douche en dientengevolge vochtplekken in de wandafwerking van de naastgelegen hal;

b. hernieuwde scheurvorming in de aansluiting vloer naar de achtergevel op de garage;

c. verzakking van de bestrating van de oprit naar de garage.(…)”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht zal verklaren dat MBB aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden schade wegens de bouw- en sloopwerkzaamheden en MBB te veroordelen om de daardoor door [eiser] geleden schade te vergoeden door binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis € 182.000,- aan [eiser] te betalen en de meerdere schade te vergoeden op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en

2. MBB zal veroordelen in de proceskosten en nakosten, voor zover deze noodzakelijk zijn, met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van betaling.

3.2 MBB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat ten gevolge van de door MBB en/of de door haar ingeschakelde onderaannemers uitgevoerde sloop- en bouwwerkzaamheden ten behoeve van het realiseren van het appartementencomplex, schade is ontstaan aan het pand van [eiser]. MBB heeft dit betwist.

4.2 Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil welke werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van het appartementencomplex door MBB zijn uitgevoerd, dan wel in opdracht van MBB door haar onderaannemers.

4.3 [eiser] heeft in de dagvaarding gesteld dat de sloop- en bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd door MBB als hoofdaannemer en Klok Bouw als onderaannemer. Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] deze stelling gehandhaafd onder verwijzing naar een door hem als productie 15 bij dagvaarding overgelegd artikel uit een plaatselijke krant. Daarin staat dat namens MBB is verklaard dat weliswaar Klok Bouw in verband met capaciteitsproblemen de bouw zal uitvoeren, maar dat de “eindverantwoordelijkheid (…) gewoon voor rekening van MBB [blijft]”.

4.4 MBB heeft dit gemotiveerd betwist. Volgens MBB heeft zij zelf feitelijk geen werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van het appartementencomplex. MBB heeft, onder verwijzing naar de door haar als productie 1 tot en met 5 overgelegde bescheiden, gesteld dat zij van [betrokkene1] enkel de opdracht heeft gekregen tot de sloop van de bestaande bebouwing en het plaatsen van damwanden, de uitvoering van het grondwerk, de sanering en de bronbemaling. MBB heeft de sloopwerkzaamheden in onderaanneming uitbesteed aan Oudt Zwanenburg en de overige voornoemde werkzaamheden aan Koop. MBB stelt dat in verband met capaciteitsproblemen aan haar zijde [betrokkene1] de daarop volgende bouwwerkzaamheden heeft opgedragen aan Klok Bouw. Volgens MBB is zij bij deze werkzaamheden niet meer betrokken geweest, ook niet als hoofdaannemer ten opzichte van Klok Bouw. MBB heeft daartoe verwezen naar de onder 2.15 geciteerde overeenkomst tussen [betrokkene1] en Klok Bouw.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat MBB – naast de sloop, het plaatsen van damwanden en de uitvoering van grondwerk, sanering en bronbemaling – tevens de daarop volgende bouwwerkzaamheden heeft uitgevoerd en/of deze als hoofdaannemer heeft doen uitvoeren, onvoldoende heeft gemotiveerd. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling enkel verwezen naar een ongedateerd krantenbericht, volgens welke de heer [betrokkene2] namens MBB verklaard zou hebben dat MBB eindverantwoordelijk blijft. Niet gebleken is dat MBB dit bericht heeft geautoriseerd, dan wel anderszins op enig moment heeft laten blijken achter de inhoud daarvan te staan. Van de feitelijke juistheid van dit bericht kan dan ook niet worden uitgegaan. Dit geldt te meer nu het krantenbericht is gevoegd als bijlage bij een brief van Hettema en Disselkoen van 22 december 2005, zodat dit bericht voordien in de krant moet hebben gestaan. Voor zover aangenomen moet worden dat MBB zich op enig moment vóór 22 december 2005 in die zin heeft uitgelaten, geldt dat kennelijk nadien in overleg tussen MBB, Klok Bouw en [betrokkene1] anders is besloten. Uit de onder 2.15 geciteerde overeenkomst van 22 maart 2006 – waarvan de inhoud door [eiser] niet gemotiveerd is betwist – blijkt immers dat [betrokkene1] de bouwwerkzaamheden heeft opgedragen aan Klok Bouw en dat Klok Bouw de verplichtingen van MBB overneemt.

4.6 Bij de verdere beoordeling is dan ook uitgangspunt dat MBB van [betrokkene1] enkel de opdracht heeft gekregen om ten behoeve van de realisatie van het appartementencomplex over te gaan tot de sloop van de bestaande bebouwing en het plaatsen van damwanden, de uitvoering van het grondwerk, de sanering en de bronbemaling. MBB heeft de sloopwerkzaamheden in onderaanneming uitbesteed aan Oudt Zwanenburg en de overige voornoemde werkzaamheden aan Koop. Koop heeft op haar beurt het ontwerp van de bouwkuip en het stempelraam, het aanbrengen en trekken van de damwanden en het realiseren van het stempelraam uitbesteed aan Van Halteren Infra B.V.

4.7 [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat MBB jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 6:162 BW). Tijdens de comparitie heeft [eiser] zich tevens beroepen op aansprakelijkheid van MBB voor de door haar onderaannemers als niet-ondergeschikten van MBB uitgevoerde werkzaamheden (artikel 6:171 BW). MBB betwist dat haar onderaannemers fouten hebben gemaakt bij de uitvoering van de werkzaamheden en dat causaal verband bestaat tussen de gestelde fouten en de gestelde schade van [eiser]. Volgens MBB kunnen de door de onderaannemers uitgevoerde werkzaamheden niet worden aangemerkt als zijnde verricht in de uitoefening van het bedrijf van MBB in de zin van artikel 6:171 BW. MBB is een bouwbedrijf en geen sloop- en/of bronbemalingsbedrijf, zodat geen sprake is van de vereiste eenheid van onderneming, aldus MBB.

4.8 Ten aanzien van dit laatste verweer overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 6:171 BW bepaalt dat indien een niet-ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht, jegens een derde aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane fout, ook die ander jegens de derde aansprakelijk is. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat deze bepaling restrictief moet worden opgevat. Uit de wetsgeschiedenis wordt immers de nadruk erop gelegd dat aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van een niet ondergeschikte opdrachtnemer alleen bestaat indien het gaat om werkzaamheden die een opdrachtgever ter uitoefening van zijn bedrijf door die opdrachtnemer doet verrichten. Aansprakelijkheid kan niet worden aangenomen indien de benadeelde de dader en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid kan beschouwen. De schade behoort dan niet tot de risicosfeer van de opdrachtgever. Uit de vermelde wetsgeschiedenis kan voorts worden afgeleid dat de in art. 6:171 BW voorkomende woorden: ‘werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf’ een belangrijke beperking inhouden. Alleen het geval van degene die aan de bedrijfsuitoefening zelf van de opdrachtgever deelneemt, valt eronder. Het artikel berust op de gedachte dat de eenheid die een onderneming naar buiten vormt, behoort mee te brengen dat een buitenstaander die schade lijdt en voor wie niet is te onderkennen of deze schade is te wijten aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, zich aan deze onderneming kan houden. (HR 21 december 2001, NJ 2002, 75, rov. 3.5). Dit laatste brengt echter niet mee dat de bepaling toepassing zou missen in een geval waarin het de benadeelde duidelijk is dat de schade is veroorzaakt door een fout van een niet-ondergeschikte (HR 18 juni 2010, NJ 2010, 389, rov. 4.1.2).

4.9 De vraag is of de door Oudt Zwanenburg en Koop verrichte sloopwerkzaamheden respectievelijk het plaatsen van damwanden, de uitvoering van grondwerk, sanering en bronbemaling, zijn uitgevoerd in de uitoefening van het bedrijf van MBB. Uit de stellingen van MBB blijkt dat zij een ontwikkelings- en aannemersbedrijf heeft dat actief is in de nieuwbouw en renovatie van woningen en utiliteitsbouw. [betrokkene1] heeft aanvankelijk MBB opgedragen om zorg te dragen voor de gehele realisatie van het appartementencomplex. Naast de door [betrokkene1] aan MBB opgedragen sloopwerkzaamheden en het plaatsen van damwanden, de uitvoering van grondwerk, sanering en bronbemaling, was het aanvankelijk immers ook de bedoeling dat MBB de daarop volgende resterende bouwwerkzaamheden voor haar rekening zou nemen. Dit blijkt uit de overeenkomst van 22 maart 2006 tussen [betrokkene1] en Klok Bouw, waarbij laatstgenoemde zich bereid verklaard de resterende “verplichtingen van MBB over te nemen”.

In aanmerking genomen dat MBB als aannemer zich toelegt op onder meer de nieuwbouw van woningen en utiliteitsbouw, kon voor een objectieve buitenstaander (zoals [eiser]) niet kenbaar zijn dat MBB zich niet bezig houdt met de door haar aan Oudt Zwanenburg en Koop opgedragen sloopwerkzaamheden, het plaatsen van damwanden, de uitvoering van grondwerk, sanering en bronbemaling. De omstandigheid dat de door de onderaannemers uitgevoerde werkzaamheden niet tot de specialismen van MBB behoren en MBB in voorkomend geval daartoe altijd onderaannemers inschakelt, leidt er niet toe dat deze werkzaamheden niet in de uitoefening van het bedrijf van MBB zijn verricht. In de parlementaire geschiedenis, Boek 6, p. 719, is in dit verband het volgende opgemerkt:

“Door de toenemende specialisatie komt het steeds meer voor dat ondernemingen bij de uitoefening van hun bedrijf personen die niet aan hen ondergeschikt zijn inschakelen om een deel van de bedrijfshandelingen te verrichten. Het onderhavige artikel bepaalt nu dat, indien de aldus ingeschakelde personen of hun ondergeschikten onrechtmatig schade toebrengen bij de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden, ook de onderneming jegens de benadeelde aansprakelijk kan zijn, behoudens verhaal op de opdrachtnemer. (…)

De genoemde aansprakelijkheid van de onderneming bestaat alleen indien zij werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf doet verrichten door een niet aan haar ondergeschikte opdrachtnemer. Zo is de bouwonderneming krachtens het onderhavige artikel aansprakelijk als zij een gedeelte van de bouwwerkzaamheden door onderaannemers en hun ondergeschikten doet verrichten en bij die werkzaamheden onrechtmatig aan derden schade wordt toegebracht. (…)”.

4.10 MBB heeft ter onderbouwing van haar verweer dat geen sprake is van werkzaamheden in de uitoefening van haar bedrijf verder verwezen naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 februari 2011, LJN BP 6445. In die zaak ging het echter om de aansprakelijkheid van de inlener jegens de werknemer voor de door laatstgenoemde geleden schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden (artikel 7:658 lid 4 BW). De beide maatstaven van artikel 7:658 lid 4 en 6:171 BW zijn echter niet zonder meer vergelijkbaar en uitwisselbaar. Zoals ook blijkt uit de in dit arrest geciteerde parlementaire geschiedenis achtte de wetgever invoering van lid 4 van artikel 7:658 BW wenselijk omdat degene die zijn zorgverplichtingen niet nakomt op gelijke voet aansprakelijk behoort te zijn voor de schade van zowel zijn eigen werknemers als die van anderen die bij hem werkzaam zijn. In deze ratio is ook de beperking gelegen dat op grond van artikel 7:658 lid 4 BW geen aansprakelijkheid bestaat voor de door een werknemer geleden schade in de uitoefening van werkzaamheden die niet tot de normale bedrijfsactiviteiten van de inlener behoren. In dat kader kan van belang zijn of de desbetreffende werkzaamheden mede door de eigen werknemers van de inlener worden verricht of dat, bijvoorbeeld omdat het om specialistische werkzaamheden gaat, de inlener hiervoor uitsluitend derden inschakelt. In zoverre is de maatstaf van artikel 6:171 BW ruimer omdat op grond van die bepaling een opdrachtgever onder omstandigheden ook aansprakelijk kan zijn jegens derden voor schade ten gevolge van fouten van niet-ondergeschikten bij het uitvoeren van werkzaamheden die niet door de eigen werknemers van de opdrachtgever worden uitgevoerd. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW is voldoende indien deze werkzaamheden zijn uitgevoerd in de uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever. Zoals hiervoor is overwogen dienen de aan de onderaannemers Oudt Zwanenburg en Koop opgedragen werkzaamheden te worden aangemerkt als werkzaamheden uitgevoerd in de uitoefening van het bedrijf van hoofdaannemer MBB. Het verweer van MBB dat de sloopwerkzaamheden en het plaatsen van damwanden, de uitvoering van grondwerk, sanering en bronbemaling niet zijn uitgevoerd in de uitoefening van haar bedrijf in de zin van artikel 6:171 BW, dient dan ook te worden verworpen.

4.11 [eiser] stelt dat de door MBB, dan wel haar onderaannemers uitgevoerde werkzaamheden onzorgvuldig zijn uitgevoerd. Uit de door Hanselman Taxaties uitgevoerde vooropnames blijkt volgens [eiser] dat het pand voorafgaand aan de sloop- en bouwwerkzaamheden in goede staat verkeerde, zodat alle nadien geconstateerde gebreken het gevolg zijn van deze werkzaamheden. [eiser] stelt verder dat de verzakking van en scheurvorming in het pand is begonnen nadat bij de sloop in 2002 een waterafvoerleiding op het bouwperceel is verwijderd en het pand van [eiser] daarop niet meer kon afwateren. De schade ten gevolge van verzakking en scheurvorming is verder toegenomen nadat medio 2007 de bouwwerkzaamheden zijn begonnen. In juli 2007 heeft het intrillen van damwanden op korte afstand van het pand van [eiser] plaatsgevonden. In augustus 2007 is ten behoeve van de bouw begonnen met bronbemaling waardoor de grondwaterstand met meters is verlaagd. [eiser] heeft daartoe verwezen naar de bevindingen van Crawford. De aldus ontstane schade was gelet op de aard van de uit te voeren werkzaamheden en het naastgelegen pand van [eiser] voorzienbaar voor MBB. Bovendien heeft MBB voorafgaand en gedurende de uitvoering van de sloop- en bouwwerkzaamheden onvoldoende onderzoek verricht om het ontstaan van schade aan het pand van [eiser] te voorkomen.

4.12 MBB betwist dat de door haar ingeschakelde onderaannemers onzorgvuldig hebben gehandeld en dat deze werkzaamheden de oorzaak zijn van de gestelde schade aan het pand van [eiser]. MBB heeft daartoe verwezen naar de bevindingen van Vanderwal & Joosten. Verder betwist MBB de omvang van de gestelde schade. De schade kan worden hersteld door de zogeheten deep injection methode in plaats van de veel kostbaardere traditionele methode van herstel.

4.13 Uitgangspunt is dat van degene die bouwwerkzaamheden gaat verrichten de nodige zorgvuldigheid mag worden verwacht om het ontstaan van schade aan de eigendommen van derden te voorkomen. Bij het bepalen van de mate van zorgvuldigheid die in een concreet geval onder meer ten opzichte van de eigenaren van buurpercelen kan worden gevergd, spelen een rol: de voorzienbaarheid van de schade, het voeren van overleg met omwonenden teneinde mogelijke risico's op het spoor te komen, het verrichten van onderzoek, de praktische mogelijkheden om voorzorgsmaatregelen te treffen en de eventuele bijzondere kwetsbaarheid van het buurperceel (vgl. HR 9 maart 1973, NJ 1973, 464; HR 21 april 2000, NJ 2000, 564).

4.14 Aangezien [eiser] als omwonende met betrekking tot de uitvoering van de bouw van het appartementencomplex als een buitenstaander heeft te gelden, kunnen aan de stelplicht van [eiser] geen hoge eisen worden gesteld. [eiser] heeft immers geen inzicht in wie van de betrokken aannemers (MBB, Oudt Zwanenburg, Koop en Van Halteren Infra) welke plannen heeft gemaakt en door wie en op welke wijze daaraan uitvoering is gegeven. Volgens [eiser] is hij sinds de aanvang van de werkzaamheden geconfronteerd met scheurvorming in en verzakking van zijn pand, hetgeen hij met name toeschrijft aan de sloop van de bestaande bebouwing, het intrillen van de damwanden en de grondbemaling. [eiser] heeft verwezen naar het onder 2.16 geciteerde rapport van Crawford, waarin onder meer staat:

“Door trillingen van de sloop en bouwwerkzaamheden zijn scheuren in diverse wanden en plafonds ontstaan. Door de bronbemaling is grondwater onttrokken waardoor een wijziging is ontstaan in de grondsamenstelling. Dit heeft gevolgen gehad voor fundatie van de erker en de garage die hierdoor zijn verzakt. Tevens was de bestrating aan de achterzijde van de woning volledig verzakt.”

Volgens MBB is de gestelde schade aan het pand van [eiser] niet ontstaan ten gevolge van het onzorgvuldig uitvoeren van de in haar opdracht uitgevoerde werkzaamheden. Zij heeft daartoe verwezen naar het onder 2.19 geciteerde rapport van Vanderwal & Joosten, waarin onder meer staat:

“Naar onze mening heeft een grondwaterstandverlaging door de bouw niet bijgedragen aan de verergering c.q. toename van het aantal geconstateerde gebreken. (…)

Uit de vooropname van 2002 blijkt dat zich reeds vóór de sloop van de bestaande bebouwing diverse constructieve gebreken voordeden in het pand van de heer [eiser]. Naar onze mening is in het verleden (zonder invloeden van sloopwerkzaamheden) sprake geweest van een bepaalde zakking van het pand, welk proces de afgelopen jaren zich gewoon voortgezet heeft.(…)

Wij constateren dat het overgrote deel van de geclaimde gebreken al opgenomen is in de vooropname.”

4.15 Gelet op deze elkaar tegensprekende rapporten is vooralsnog onduidelijk of de gestelde schade aan het pand van [eiser] is veroorzaakt door de wijze waarop de door [betrokkene1] aan MBB opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd. Voor de beoordeling daarvan acht de rechtbank het daarom aangewezen een deskundigenbericht te gelasten. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat MBB als aannemer die bij de bouw van het appartementencomplex was betrokken alle door de deskundige benodigde bescheiden en overige gegevens met betrekking tot dit bouwproject aan de deskundige ter hand zal stellen. Tijdens de comparitie is namens MBB verklaart dat onder meer het intrillen van de damwanden en de grondwaterstanden is gemonitord en dat deze gegevens desgewenst aan de deskundige ter beschikking kunnen worden gesteld.

4.16 [eiser] heeft schadevergoeding gevorderd op te maken bij staat. [eiser] heeft echter in de dagvaarding, onder 7, zijn schade aan de hand van door hem overgelegde offertes begroot op € 182.116,40. Volgens [eiser] is hij eerst na ontvangst van deze schadevergoeding in staat om opdracht te geven voor herstelwerkzaamheden. In verband met het tijdsverloop kan de prijs zijn veranderd. Ook kan sprake zijn van meer- of minderwerk, aldus [eiser].

4.17 Volgens vaste rechtspraak begroot de rechter, indien hij een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, in beginsel de schade in zijn vonnis voor zover hem dit mogelijk is, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. Eerst als deze begroting niet mogelijk is spreekt hij een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit (vgl. HR 16 april 2010, RvdW 2010, 539, rov. 3.5.4). De door [eiser] aangevoerde redenen – mogelijk toekomstige prijsveranderingen en meer- of minderwerk – leiden er niet toe dat begroting van de geleden schade in de onderhavige procedure niet mogelijk is. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de te benoemen deskundige tevens vragen voor te leggen met betrekking tot de omvang van de schade. Aangezien tussen partijen in geschil is op welke wijze de schade aan het pand van [eiser] dient te worden hersteld – de zogeheten deep injection methode of de veel kostbaardere traditionele methode van herstel – zal deze kwestie tevens aan de deskundige worden voorgelegd.

4.18 De rechtbank overweegt een bouwkundige als deskundige te benoemen en deze de volgende vraagstelling voor te leggen:

1. Is de uitvoering van de in opdracht van MBB verrichte werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van het appartementencomplex – bestaande uit sloopwerkzaamheden, het plaatsen van damwanden, de uitvoering van grondwerk, sanering en bronbemaling – naar uw oordeel geweest zoals dat van een zorgvuldig handelend en vakbekwaam aannemer mocht worden verwacht? Wilt u daarbij aangeven of gelet op de feitelijke situatie op het bouwperceel en het perceel van [eiser] destijds en de aard van de verrichte werkzaamheden:

a. het ontstaan van schade aan het pand van [eiser] voor MBB en/of haar onderaannemers voorzienbaar was?

b. MBB of haar onderaannemers destijds meer of ander onderzoek had dienen te verrichten naar de mogelijke schadelijke gevolgen van deze werkzaamheden?

c. MBB of haar onderaannemers meer of andere voorzorgsmaatregelen had behoren te nemen?

d. er sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid van het pand van [eiser]?

2. Zo u tot de conclusie komt dat sprake is van onzorgvuldig handelen van MBB of de door haar ingeschakelde onderaannemers, wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven:

a. Welke gebreken constateert u in de huidige situatie aan het pand van [eiser]?

b. Welke van de huidige gebreken aan het pand van [eiser] kunnen naar uw oordeel worden toegeschreven aan het onzorgvuldig handelen van MBB of haar onderaannemers?

c. Welke van de huidige gebreken aan het pand bestonden naar uw mening reeds voor aanvang van de uitvoering van de werkzaamheden of zouden op enig moment ook zijn ontstaan bij een adequate uitvoering van die werkzaamheden? Kunt u daarbij een indicatie geven op welke termijn en in welke mate dit dan het geval zou zijn (geweest)?

3a. Welke maatregelen dienen te worden genomen om de ten gevolge van de werkzaamheden ontstane gebreken aan het pand van [eiser] te herstellen? Op welk bedrag begroot u de kosten van deze herstelmaatregelen?

b. Kan de schade aan het pand van [eiser] worden hersteld door middel van de in het rapport van Crawford omschreven zogeheten Deep Injection methode? Zo ja, is deze methode van herstel ook passend nu de kelder van het pand bestemd is voor de opslag van wijnen? En welke kosten zijn met deze methode van herstel gemoeid?

4. Heeft u eventueel opmerkingen die anderszins voor de beoordeling van deze casus van belang kunnen zijn?

4.19 De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door beide partijen, waarbij partijen de gelegenheid hebben zich over de deze vraagstelling uit te laten.

4.20 Tijdens de comparitie zijn partijen het erover eens geworden om in deze zaak dezelfde deskundigen te benaderen die door deze rechtbank zijn benoemd ten behoeve van een voorlopig deskundigenbericht in het kader van een geschil tussen MBB en twee bewoners van de [adres] naar aanleiding van hetzelfde bouwproject. Deze deskundigen zijn de heer [deskundige1] van expertisebureau Lengkeek, Laarman en De Hosson en de heren [deskundige2]r en [deskundige3] van Fugro. Aangezien nadere gegevens van deze deskundigen ontbreken, wordt MBB verzocht deze informatie bij voornoemde akte in het geding te brengen.

4.21 Reeds nu wordt overwogen dat [eiser] op grond van art. 195 Rv. de aangewezen partij is om het voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenbericht te voldoen.

4.22 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 verwijst de zaak naar de rol van 10 augustus 2011 voor het nemen van een akte door beide partijen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.19;

5.2 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.