Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4777

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
207481
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BY8889, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van verplichting tot stellen van zekerheid op grond van stamrechtovereenkomst. Primaire verweer (rechtsverwerking) faalt. Subsidiaire verweer (strijd met redelijkheid en billijkheid en misbruin van recht) slaagt, nu eiseres op dit verweer niet heeft geanticipeerd in de dagvaarding en aan haar, nadat zij niet ter comparitie was verschenen en geen akte heeft genomen, akte niet-dienen is verleend, zodat zij haar recht om te reageren op het subsidiaire verweer heeft verwerkt. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 207481 / HA ZA 10-2160

Vonnis van 3 augustus 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. P. Wessing te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. van Campen te Uden.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde]. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 januari 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 17 mei 2011

- de akte-niet-dienen aan de zijde van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de heer [betrokkene1], verder [betrokkene1] te noemen. Zij hebben samen een vennootschap onder firma geëxploiteerd. In 1987 heeft [eiseres] haar aandeel overgedragen aan [gedaagde]. Dit aandeel is gewaardeerd op fl. 154.477,00. Dit bedrag is gebruikt als koopsom voor lijfrentes die [eiseres] zal ontvangen op grond van een stamrechtovereenkomst. [betrokkene1] is thans statutair bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde].

2.2. [gedaagde]. heeft zich bij deze stamrechtovereenkomst van september 1987 verbonden om met ingang van 1 juli 2019 aan [eiseres] een jaarlijkse lijfrente ad fl.72.145,-- uit te keren. Ten behoeve van de heer [betrokkene1] is eveneens een stamrecht gevestigd, zulks voor een iets lagere lijfrente maar met een eerdere ingangsdatum.

Artikel 8 van de stamrechtovereenkomst luidt:

De gerechtigden tot de in deze akte bedongen lijfrente zijn bevoegd van de B.V. te vorderen, dat deze op eerste aanvrage en te hunner genoegen, persoonlijke of zakelijke zekerheid stelt voor de nakoming harer verplichtingen uit deze overeenkomst.

2.3. In 2004 zijn [eiseres] en [betrokkene1] gescheiden. Bij het echtscheidingsconvenant zijn de gevestigde stamrechten toegescheiden aan diegene op wiens naam ze zijn gesteld.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert [gedaagde]. te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot nakoming van hetgeen is bepaald in artikel 8 van de stamrechtovereenkomst en om nadere zekerheid te stellen in de vorm van een onherroepelijke bankgarantie ad € 250.000,00 ter zake het aan [eiseres] toegekende stamrecht, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde]. in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde]. voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde]. beroept zich in haar conclusie van antwoord primair op rechtsverwerking. Zij stelt dat [eiseres] haar rechten ter zake een zekerheidstelling heeft verspeeld door de kwestie jarenlang te laten rusten.

[gedaagde]. stelt dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiseres] haar aanspraak niet meer geldend zou maken. Ten tijde van de echtscheiding tussen [eiseres] en [betrokkene1] zou [eiseres] immers bij de notaris op 29 maart 2004 hebben aangegeven dat zij het volste vertrouwen had in de nakoming van de door [gedaagde]. verschuldigde aanspraken en dat zij het niet nodig vond dat [gedaagde]. hiervoor enige zekerheid zou stellen. In weerwil van deze nadere afspraak heeft [eiseres] jaren later, in 2006, alsnog om zekerheidstelling gevraagd, aldus [gedaagde].

[gedaagde]. stelt dat zij een alternatief voorstel heeft gedaan bij brief van 23 april 2007 en dat [eiseres] nimmer heeft gereageerd op dit voorstel, totdat zij bij brief van 15 juli 2010 weer om zekerheidstelling verzocht.

4.2. [eiseres] is in haar dagvaarding bij voorbaat ingegaan op dit verweer. Zij heeft betwist dat er tussen partijen afwijkende afspraken zijn gemaakt en/of dat sprake is van rechtsverwerking.

4.3. De rechtbank oordeelt dat dit primaire bevrijdende verweer van [gedaagde]. faalt tegenover de bestrijding hiervan door [eiseres].

De gestelde uitlating van [eiseres] bij de notaris op 29 maart 2004 kan in redelijkheid niet worden opgevat als een afstand van vorderingsrecht zoals bedoeld in artikel 6:160 BW, noch kan deze uitlating in redelijkheid bij [gedaagde]. het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat [eiseres] ook in de toekomst haar aanspraak op zekerheidstelling nooit meer geldend zou maken. De omstandigheid dat [eiseres] op dat moment mogelijk geen behoefte had aan de thans verlangde zekerheid, betekent nog niet dat zij geacht kan worden definitief afstand te hebben gedaan van haar recht op zekerheidstelling. Die behoefte zal immers afhankelijk zijn van de omstandigheden, waaronder de kredietwaardigheid van [gedaagde]. en de betrokkenheid van [eiseres] bij deze onderneming, welke betrokkenheid haar in staat kan stellen om de solvabiliteit van de vennootschap in de gaten te houden.

4.4. In dit verband constateert de rechtbank dat de omstandigheden na 2004 zijn veranderd. [gedaagde]. stelt zelf dat sindsdien het dienstverband van [eiseres] bij een deelneming van [gedaagde]. is beëindigd. Voorts wijst [gedaagde]. er zelf op dat er momenteel slechts beperkte liquide middelen aanwezig zijn en dat gekozen is voor investeringen in onroerend goed in Thailand, waaruit wel verdiensten kunnen voortvloeien, maar die op dit moment nog niet renderen. Ter comparitie heeft [gedaagde]. een jaarrekening 2009 overgelegd, waaruit een grote terugloop in financiële vaste activa en een verder verslechterend bedrijfsresultaat blijken.

Dit een en ander maakt enerzijds een zekerheidstelling in de vorm van de gevorderde onherroepelijke bankgarantie problematisch, maar anderzijds de behoefte van [eiseres] aan enigerlei zekerheidstelling gerechtvaardigd.

4.5. Ook hetgeen [gedaagde]. overigens heeft aangevoerd is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [eiseres] haar recht op zekerheidstelling heeft verwerkt, in die zin dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [eiseres] alsnog zekerheidstelling verlangt.

4.6. Subsidiair stelt [gedaagde]. dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is en misbruik van recht oplevert dat [eiseres] een bankgarantie verlangt van € 250.000,00.

[gedaagde]. stelt dat een dergelijke bankgarantie hoge kosten met zich brengt en de continuïteit van haar onderneming schaadt. [gedaagde]. voorziet dat geplande investeringen niet zullen kunnen worden gedaan en de kosten van lopende projecten niet zullen kunnen worden betaald, met als gevolg dat activiteiten gestaakt moeten worden en het onroerend goed moet worden verkocht.

Hierbij stelt [gedaagde]. ook dat de hoogte van € 250.000,00 van de gevorderde zekerheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aangezien de koopsom in 2019 nooit de waarde van een dergelijk bedrag kan hebben behaald en een zekerheidstelling van bijna tien jaarlijkse lijfrentetermijnen disproportioneel en ongebruikelijk is.

[gedaagde]. beroept zich erop dat zij aan [eiseres] andere zekerheden heeft aangeboden in de vorm van storting van geld op een derdenrekening in combinatie met een pandrecht op een deel van de aandelen. [gedaagde]. geeft aan dat deze andere zekerheden in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zouden moeten volstaan.

4.7. Op deze subsidiaire verweren heeft [eiseres] niet geanticipeerd in haar dagvaarding. De rechtbank zal de aan deze bevrijdende verweren ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden als onweersproken en daarmee als ten processe vast staand moeten aannemen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.8. Na de conclusie van antwoord van [gedaagde]. heeft de rechtbank een comparitie van partijen bevolen. Bij deze comparitie zijn [eiseres] en haar advocaat niet verschenen. De behandelend rechter heeft toen gebeld met het kantoor van de advocaat van [eiseres] en door diens secretaresse is tegen de rechter gezegd dat de comparitie wel in zijn agenda stond, maar dat hij niet te bereiken was en dat zij niet wist waarom hij en zijn cliënte niet waren verschenen. Daarna heeft de rechter gesproken met een kantoorgenoot van de advocaat van [eiseres] en deze kantoorgenoot heeft gezegd dat sprake moet zijn geweest van miscommunicatie bij de overdracht van het dossier (binnen hetzelfde kantoor). De kantoorgenoot heeft om uitstel van de comparitie verzocht. Hiertegen hadden [gedaagde]. en haar advocaat, die wel waren verschenen, bezwaar en de rechter heeft geen uitstel verleend, omdat hiervoor geen geldige reden bestond. Er was immers geen sprake van een klemmende reden, laat staan van overmacht, waardoor [eiseres] niet kon verschijnen.

4.9. Vervolgens heeft de rechter besloten dat [gedaagde]. en haar advocaat het woord konden voeren, waarna de comparitie is gesloten en de zaak op de rol van vier weken later is geplaatst voor de indiening van een akte aan de zijde van [eiseres], waarbij [eiseres] zou kunnen reageren op de verklaring en de nadere productie van [gedaagde]. Aan [eiseres] is een afschrift van het proces-verbaal toegestuurd.

4.10. Op de daarvoor bepaalde roldatum heeft [eiseres] echter geen akte ingediend en aan haar is toen door de rolrechter akte-niet-dienen verleend. Dit was een eindbeslissing, waarop de rechter in deze aanleg niet kan terugkomen, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan niet is gebleken.

4.11. Op grond van artikel 133 lid 4 Rv heeft deze rolbeslissing tot gevolg dat aan de zijde van [eiseres] het recht is vervallen om in deze aanleg te reageren op de stellingen in de conclusie van antwoord en ter comparitie, voor zover zij daarop niet reeds had geanticipeerd op basis van haar substantiëringsplicht van artikel 111 lid 3 Rv.

4.12. De feiten en omstandigheden, die op deze wijze zijn komen vast te staan, kunnen het rechtsgevolg, dat [gedaagde]. daaraan verbindt, dragen, in aanmerking nemende dat in der partijen stamrechtovereenkomst wel is opgenomen dat [eiseres] aanspraak heeft op zekerheidstelling, maar niet dat deze zou moeten bestaan uit een onherroepelijke bankgarantie, laat staan uit een onherroepelijke bankgarantie voor het bedrag van € 250.000,00. De vorm en de omvang van de zekerheidstelling zijn destijds niet tussen partijen overeengekomen, zijnde gesteld noch gebleken dat hierover tussen partijen is gesproken ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst. Partijen hebben omtrent die vorm en omvang van de zekerheid ook nadien, toen hierover wel werd gesproken en geschreven, geen wilsovereenstemming bereikt. Dit betekent dat deze leemte in de overeenkomst moet worden ingevuld aan de hand van de beginselen van de redelijkheid en billijkheid, waarbij ook betekenis moet worden toegekend aan hetgeen gebruikelijk is op dit gebied. Niet weersproken is dat deze beginselen in de omstandigheden van dit geval aan de geëiste vorm en omvang van de zekerheidstelling in de weg staan.

[eiseres] heeft op grond van de stamrechtovereenkomst wel aanspraak op enigerlei zekerheidstelling, maar wat zij vordert gaat te ver en haar petitum biedt geen ruimte voor een minder vergaande veroordeling.

4.13. Dit heeft tot gevolg dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde]. worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- griffierecht 560,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 4.560,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde]. tot op heden begroot op EUR 4.560,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2011.