Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4764

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
218279
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BU3632
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BW0210, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vraag of het bestuur van Stichting Nationaal Zweefvliegcentrum Terlet (gedaagde sub 1) rechtsgeldig tot stand is gekomen. Voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 218279 / KG ZA 11-359

Vonnis in kort geding van 22 juli 2011

in de zaak van

de stichting

STICHTING BELANG ZWEEFVLIEGERS TERLET,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. P.D. Olden te Amsterdam.

tegen

1. de stichting

STICHTING NATIONAAL ZWEEFVLIEGCENTRUM TERLET,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. van Os te Lochem,

2. de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSE VERENIGING VOOR LUCHTVAART,

gevestigd te Woerden,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. Schnitker te Eindhoven.

Partijen zullen hierna respectievelijk SZT, SNZT en KNVvL genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tegen de verkeerde datum betekende dagvaarding met producties

- de producties van SNZT

- de vrijwillige verschijning van partijen

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van SZT

- de pleitnota van SNZT

- de pleitnota van KNVvL.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. KNVvL is de overkoepelende organisatie voor alle luchtsporten en luchtvaarthobby’s in Nederland.

2.2. SNZT heeft tot doel het zonder winstoogmerk exploiteren van het nationaal zweefvliegcentrum Terlet en het daarmee ter beschikking stellen van faciliteiten en het verlenen van organisatorische, materiële en/of financiële ondersteuning van onder meer het zweefvliegen.

2.3. SZT doet op zweefvliegcentrum Terlet op alle dagen dat het weer dat toelaat een zweefvliegbedrijf plaatsvinden. Onder leiding van instructeurs van SZT worden leerlingen opgeleid om te zweefvliegen, kunnen bevoegde zweefvliegers op zweefvliegtuigen van SZT zweefvliegen en kunnen privé-vliegers met eigen zweefvliegtuigen gebruik maken van de door SZT gehuurde vliegstrip en startmiddelen (lier en sleepvliegtuig). Bij SZT zijn in totaal ongeveer 400 zogenaamde deelnemers aangesloten.

2.4. SNZT heeft met SZT (per 1 januari 2003) drie huurovereenkomsten gesloten, op grond waarvan SNZT aan SZT heeft verhuurd:

- een onbebouwd terrein, waarop zich een L-strip bevindt (hierna: vliegstrip),

- twee opstallen (hangaar en garage), met uitzondering van twee hangaarstallingsplaatsen

(hierna: hangaar),

- kantoren in het gebouw de ‘Thermiekbel’ (hierna: kantoren).

2.5. Voornoemde huurovereenkomsten hebben, na verlengd te zijn na een eerste huurperiode van vijf jaar, een looptijd van 1 januari 2008 tot 1 januari 2013. Op grond van deze huurovereenkomsten heeft SNZT onderhoudsverplichtingen ten aanzien van de gehuurde zaken.

2.6. SZT heeft op grond van twee geldleenovereenkomsten in 2005 in totaal

€ 200.000,00 bij SNZT geleend.

2.7. Sinds 25 augustus 2008 heeft SZT geen huurbetalingen meer aan SNZT verricht. SZT heeft wel gebruik gemaakt van de door haar gehuurde faciliteiten.

2.8. Bij brief van 15 juni 2009 heeft SNZT de huurovereenkomst ten aanzien van de vliegstrip buitengerechtelijk ontbonden.

2.9. SNZT heeft in kort geding gevorderd dat SZT wordt verboden nog langer gebruik te maken van de vliegstrip alsook dat zij wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 62.0000,00. Bij vonnis van 22 december 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector civiel, deze vorderingen afgewezen.

2.10. Vervolgens heeft SNZT in een procedure voor de kantonrechter te Arnhem betaling gevorderd van de achterstallige huur, ontbinding van de huurovereenkomsten met betrekking tot de kantoorruimten en de hangaar en een verklaring voor recht dat de door haar ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de vliegstrip geldig was. Voorts heeft SNZT terugbetaling van de door haar verstrekte leningen gevorderd. SZT heeft zich beroepen op haar recht om de huurbetalingen op te schorten in verband met achterstallig onderhoud aan het gehuurde. Daartoe heeft zij reconventionele vorderingen ingesteld.

2.11. De kantonrechter heeft op 18 april 2011 een uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis gewezen (hierna: het vonnis van de kantonrechter van 18 april 2011).

Daarin heeft de kantonrechter, voor zover van belang, de tussen partijen bestaande huurovereenkomsten betreffende de hangaar en de kantoorruimte en de twee geldleenovereenkomsten ontbonden en SZT veroordeeld om de hangaar, de kantoorruimte en de vliegstrip binnen twee maanden en drie dagen na betekening van het vonnis te verlaten en te ontruimen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden. Voorts heeft de kantonrechter SZT veroordeeld tot betaling van, kort gezegd, € 191.966,68 aan achterstallige huur, € 6.330,55 per maand als gebruiksvergoeding en € 183.243,53 ter terugbetaling van de lening, vermeerderd met renten en kosten.

2.12. Voornoemd vonnis is op 21 april 2011 aan SZT betekend, zodat uiterlijk op

24 juni 2011 de ontruimingsbescherming eindigde en SZT de gehuurde zaken - de hangaar, de kantoorruimte en de vliegstrip - diende te ontruimen.

2.13. Bij brief van 7 mei 2011 heeft SZT aan SNZT verzocht om de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 18 april 2011 op te schorten hangende het nog in te stellen hoger beroep tegen dat vonnis.

2.14. SNZT heeft daarmee niet ingestemd. SNZT heeft SZT in de periode van 9 tot en met 12 mei 2011 verhinderd gebruik te maken van de vliegstrip. SZT heeft daarop in kort geding onder meer nakoming van de ontruimingsbescherming gevorderd. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 20 mei 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector civiel, deze vordering toegewezen en onder meer SNZT bevolen zich te onthouden van iedere gedraging waardoor het gebruik door SZT van de hangaar, de kantoorruimte en de vliegstrip wordt belemmerd of op enige wijze het vliegbedrijf van SZT wordt belemmerd gedurende de periode van ontruimingsbescherming, welke zal eindigen op 24 juni 2011, onder de voorwaarde dat SZT op bepaalde data een maandelijkse vergoeding van € 6.330,55 zou betalen.

2.15. Bij appeldagvaarding van 23 mei 2011 heeft SZT bij het gerechtshof te Arnhem hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 18 april 2011. Daarnaast heeft SZT een incidentele vordering ex artikel 351 Rv tot schorsing van de tenuitvoer¬legging van het vonnis van de kantonrechter van 18 april 2011 ingediend.

2.16. De mondelinge behandeling van het incident tot schorsing bij het hof te Arnhem zal naar verwachting plaats vinden in september of oktober 2011.

2.17. SNZT is niet bereid de executie van het vonnis van de kantonrechter van

18 april 2011 op te schorten totdat door het hof te Arnhem in hoger beroep is beslist.

2.18. Een groep gebruikers (deelnemers van SZT) heeft zich verenigd in een belangenvereniging onder de naam Vereniging Belangen SZT Vliegers (VBSV) om de belangen van de SZT deelnemers te behartigen. Op 7 juni 2011 is deze vereniging officieel opgericht.

2.19. Bij brief van 6 juni 2011 aan KNVvL heeft SZT, mede namens VBSV, voorstellen gedaan voor een doorstart. SZT heeft in die brief haar herstructure¬rings¬plannen toegelicht teneinde te komen tot een voortzetting van het SZT-vliegbedrijf zonder een faillissement van SZT. In het door SZT geschetste overlevingsplan, opgenomen in een aan SNZT gerichte brief van 16 juni 2011, heeft SZT aangegeven bereid te zijn haar activiteiten over te dragen aan VBSV.

2.20. Bij afzonderlijke brieven van 9 juni 2011 aan SNZT en KNVvL heeft VBSV zich voorgesteld aan SNZT en KNVvL en verschillende voorstellen gedaan voor een doorstart van het vliegbedrijf van SZT zonder faillissement van SZT. Die voorstellen zijn in de verdere correspondentie nader toegelicht door VBSV.

2.21. Het door SZT en VBSV voorgestelde overlevingsplan wordt niet gesteund door SNZT en KNVvL. SNZT heeft bij e-mail van 18 juni 2011 de voorstellen van VBSV afgewezen.

2.22. Bij brief van 16 maart 2011 heeft KNVvL aan SNZT de herbenoeming van het zittende bestuur van SNZT bevestigd. Deze brief vermeldt:

Hierbij bevestig ik de benoeming van het bestuur van SNZT, zoals besloten in de vergadering van het Hoofdbestuur van KNVvL op 16 februari 2011.

Deze benoeming is in lijn met de statuten van SNZT, artikel 5.1.

Als leden zijn benoemd:

[leden]

2.23. In de hiervoor onder 2.19 genoemde brief van 6 juni 2011 heeft SZT aan KNVvL voorts onder meer verzocht om in te grijpen op bestuurlijk niveau bij SNZT door zo spoedig mogelijk ervoor zorg te dragen dat de bestuurders van SNZT op legitieme wijze worden benoemd met inachtneming van het bindend voordrachtsrecht van SZT. Daartoe heeft SZT twee kandidaat-bestuurders, te weten de heren [kandidaat1] en [kandidaat2], voor benoeming in het bestuur van SNZT voorgedragen.

2.24. KNVvL heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven. Als reactie op de deze brief heeft het dagelijks bestuur van KNVvL op 10 juni 2011 aan het hoofdbestuur van KNVvL een interne notitie geschreven, die ook doorgestuurd is aan SZT. Deze notitie omvat onder meer het volgende:

Enkele opmerkingen over de herbenoeming van het SNZT-bestuur door het Hoofdbestuur van de KNVvL.

In de statuten van SNZT is bepaald dat de bestuurders aangesteld worden door het Hoofdbestuur van de KNVvL. Later is in een convenant onder andere beschreven hoe de bestuurders van SNZT gekozen worden. Dit convenant is echter op enkele onderdelen strijdig met de statuten en mede daarom niet rechtgeldig. Dat het Hoofdbestuur met de nodige zorg en aandacht gekomen is tot de aanstelling van het huidige bestuur van SNZT blijkt onder andere uit de samenstelling van het bestuur. Hierin is een brede vertegenwoordiging van de verschillende gebruikers van Terlet terug te vinden. Meer specifiek zijn [naam voorzitter] (voorzitter) en [naam penningmeester] (penningmeester) op voordracht van SZT in het bestuur van SNZT benoemd. De herbenoeming van het bestuur is bevestigd in de Hoofdbestuursvergadering van 6 februari 2011.

2.25. In de statuten van SNZT is over het bestuur van de stichting onder meer het volgende opgenomen:

artikel 5.1

Het bestuur van de stichting bestaat uit een voorzitter, een secretaris, een penningmeester en twee leden, allen te benoemen en te ontslaan door het hoofdbestuur van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL). Kandidaten kunnen worden voorgedragen door personen en groeperingen, overeen te komen tussen de stichting en de KNVvL. (…)

artikel 5.3

De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van drie jaar; zij kunnen tweemaal voor een zelfde periode worden herbenoemd.

2.26. In het convenant tussen KNVvL (de Vereniging) en SNZT (de Stichting) inzake de verzelfstandiging van het Nationaal Zweefvliegcentrum Terlet, gesloten op 25 november 1994 (hierna: het scheidingsconvenant van 25 november 1994) is over het bestuur van de stichting, voor zover van belang, het volgende overeengekomen:

Artikel 7

Met betrekking tot het bestuur van de Stichting

(…)

artikel 7 lid 2

Kandidaten voor het bestuurslidmaatschap kunnen, voor zover nodig in goed overleg met het bestuur van de Stichting, worden gesteld door:

- het hoofdbestuur van de Vereniging: één;

- het bestuur van de KNVvL-afdeling Zweefvliegen: één;

- het bestuur van de Stichting: drie, waarvan één aan te wijzen door, maar niet uit het

personeel van het NZC.

Het hoofdbestuur zal zodanige kandidaturen als bindend beschouwen.

2.27. In een brief van 6 mei 2001 over het bestuur van SNZT heeft [naam voormalig voorzitter], voormalig voorzitter van SNZT, aan KNVvL onder meer het volgende geschreven:

Het scheidingsconvenant (gesloten tussen de KNVvL en de SNZT) stelt dat bestuursleden worden voorgedragen door de KNVvL (1), de Afdeling Zweefvliegen (1) en het bestuur van de SNZT

(3 waarvan 1 op voordracht van maar niet zijnde lid van het personeel), en dat de voordrachten bindend zijn. Bestuursleden worden benoemd voor 3 jaar. (…)

Op Terlet is sedert begin 2000 een nieuwe situatie ontstaan.

De SNZT beheert het terrein en de vliegoperatie wordt gedaan door de gebruikers verenigingen GeZC, SZT en CCT. De laatste 2 zijn nieuw.

In gesprekken met de gebruikersverengingen is gebleken, en ze hebben dat ook schriftelijk te kennen gegeven, dat deze van mening zijn dat in deze nieuwe situatie het bestuur van de SNZT op een andere manier moet worden samengesteld:

Een onafhankelijke voorzitter, 2 leden voorgedragen door de VZT [vzr: bedoeld wordt SZT] en 1 lid voorgedragen door de GeZC en de CCT elk. (De voorzitter zou dus door de KNVvL voorgedragen kunnen worden). Men onderschrijft het principe dat voorgedragen leden niet namens hun achterban in het bestuur zitten en dat het bestuur collectief verantwoordelijk is voor het reilen en zeilen van de SNZT.

Het bestuur van de SNZT, een van de partijen in het scheidingsconvenant, billijkt deze opstelling. (…) Zweefvliegend Nederland is met de GeZC, de SZT en met name de CCT die een combinatie is van 4 clubs in het westen van Nederland, ruim vertegenwoordigd bij het voordragen.

2.28. In het bestuursverslag van SNZT over het jaar 2001 is onder meer het volgende opgenomen:

Bestuur: Vanwege de veranderde opzet op Terlet leek het gewenst te komen tot een samenstelling van het bestuur van de Stichting. Met de KNVvL (die formeel bestuursleden benoemt en ontheft) en de gebruikers werd in het voorjaar overeengekomen dat voortaan bestuursleden als volgt genomineerd zouden worden: KNVvL: voorzitter. SZT: 2 leden. GeZC: 1 lid. CCT: 1 lid.

2.29. KNVvL (de Vereniging) en SNZT (de Stichting) hebben het scheidingsconvenant van 25 november 1994 aangepast aan de ontwikkelingen die binnen KNVvL en SNZT sinds het sluiten van het convenant hebben plaatsgehad. Deze wijzigingen zijn neergelegd in een overeenkomst tussen KNVvL en SNZT van december 2003 (hierna: de overeenkomst van december 2003), welke overeenkomst, voor zover van belang, het volgende vermeldt:

Artikel 2

Met betrekking tot wijziging van het Convenant van 25 november 1994 gesloten tussen de Vereniging en de Stichting

Partijen komen overeen het Convenant als volgt te wijzigen danwel aan te vullen:

(…)

4. Artikel 7 lid 2:

De bestaande tekst wordt vervangen door:

Kandidaten voor het bestuurslidmaatschap kunnen, voor zover nodig in overleg met het bestuur van de Stichting, worden gesteld door

- het hoofdbestuur van de Vereniging: één;

- het bestuur van de Stichting belang Zweefvliegers Terlet: twee;

- de besturen van de in de CCT verenigde zweefvliegclubs gezamenlijk: één;

- het bestuur van de Gelderse Zweefvlieg Club: één.

Het hoofdbestuur van de Vereniging zal zodanige kandidaturen als bindend beschouwen.

2.30. Op verzoek van SZT is aan haar op 20 juni 2011 voorlopige surseance van betaling verleend met benoeming van mr. E.R. Looyen als bewindvoerder. De bewindvoerder heeft SZT toestemming verleend voor het voeren van de onderhavige procedure.

3. Het geschil

3.1. SZT vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(A) KNVvL gebiedt binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de heren [kandidaat1] en [kandidaat2] te benoemen tot leden van het bestuur van SNZT in plaats van de heren [naam voorzitter] en [naam penningmeester] en een kopie van het hiertoe strekkende besluit te verstrekken aan SNZT en de te benoemen kandidaat-bestuurders;

(B) SNZT gebiedt binnen twee dagen nadat het onder (A) gevorderde gebod heeft geleid tot wijziging van de samenstelling van haar bestuur en SNZT hiervan in kennis is gesteld, de wijzigingen op de daartoe geëigende wijze te doen inschrijven in het handelsregister van de Kamers van Koophandel en de benoemingen te gehengen en te gedogen;

(C) bepaalt dat SNZT en KNVvL hoofdelijk een niet verrekenbare dwangsom verbeuren van € 50.000,00 voor iedere overtreding van de geboden onder (A) en (B) en van

€ 50.000,00 voor iedere dag dat zodanige overtreding voortduurt met een maximum van € 500.000,00;

(D) bepaalt dat indien SNZT en KNVvL ondanks het verbeuren van dwangsommen tot het hieraan te verbinden maximum voortgaan met het overtreden van de onder (A) en (B) te geven geboden, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van het onder (A) bedoelde benoemingsbesluit en SZT op de voet van datzelfde artikel zal zijn gemachtigd om de aldus benoemde bestuurders op de daartoe geëigende wijze te doen inschrijven in het handelsregister van de Kamers van Koophandel;

(E) SNZT en KNVvL veroordeelt in de proceskosten.

3.2. SZT stelt dat het huidige bestuur van SNZT niet rechtsgeldig volgens de statuten van SNZT en de tussen partijen geldende afspraken over de benoeming van het bestuur van SNZT tot stand is gekomen. Daartoe stelt zij dat zij het recht heeft om twee van de vijf bestuursleden van SNZT bindend voor benoeming door KNVvL voor te dragen, welk recht door KNVvL en SNZT is geschonden, omdat in het huidige bestuur van SNZT geen door haar voorgedragen bestuursleden zitting hebben. Volgens SZT is haar recht van bindende voordracht formeel vastgelegd in de overeenkomst van december 2003 tussen KNVvL en SNZT. In die overeenkomst hebben zij SZT het bindend voordrachtsrecht toegekend, welk recht door SZT is aanvaard. SZT maakt aanspraak op nakoming van dat voordrachtsrecht uit die overeenkomst door benoeming van de door haar voorgedragen twee personen in het bestuur van SNZT in plaats van de huidige bestuurders T. [naam voorzitter] en S. [naam penningmeester], die in het verleden op haar voordracht waren benoemd en van wie de zittingstermijn van drie jaar is verstreken.

3.3. SZT stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vorderingen. Daartoe stelt zij dat zij door de ingezette ramkoers van (het huidige bestuur van) SNZT thans in surseance van betaling verkeert en op de rand staat van een faillissement, dat enkel eventueel nog kan worden voorkomen met de door haar gewenste bestuurswijziging van SNZT. SZT krijgt met deze bestuurswijziging de mogelijkheid om de besluitvorming binnen het bestuur van SNZT te beïnvloeden en hoopt zo op een constructief overleg tussen haar en SNZT teneinde de onderlinge geschillen alsnog op te lossen.

3.4. SNZT en KNVvL voeren verweer.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang van SZT vloeit in voldoende mate voort uit haar stellingen en standpunten.

4.2. De grondslag van de vorderingen van SZT is, kort samengevat, dat er tussen partijen een voordrachtsrecht van SZT is overeengekomen, op grond waarvan SZT twee van de vijf bestuursleden van SNZT bindend kan voordragen voor benoeming door KNVvL.

4.3. Tussen partijen is allereerst in geschil of aan SZT een dergelijk bindend voordrachtsrecht toekomt.

4.4. In de statuten van SNZT is in artikel 5.1 vastgelegd dat het bestuur van SNZT, bestaande uit vijf bestuursleden, benoemd en ontslagen wordt door (het hoofdbestuur van) KNVvL en dat kandidaat-bestuursleden kunnen worden voorgedragen door personen en groeperingen, overeen te komen tussen SNZT en KNVvL.

4.5. Deze bepaling in de statuten is in de loop van de tijd nader ingevuld door SNZT

en KNVvL. In het scheidingsconvenant van 25 november 1994 hebben zij in artikel 7.2 vastgelegd door wie kandidaten voor het bestuurslidmaatschap van SNZT kunnen worden voorgedragen voor benoeming door KNVvL. SNZT en KNVvL hebben vervolgens dit convenant gewijzigd en aangepast aan de ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden.

Deze wijzigingen en aanpassingen zijn neergelegd in de overeenkomst van december 2003 tussen SNZT en KNVvL. In deze overeenkomst is ook de benoemingsprocedure/voor¬drachts¬¬regeling van de bestuursleden van SNZT ex artikel 7.2 van het scheidingsconvenant gewijzigd in de zin dat de tekst van dat artikellid is vervangen door de in de feiten onder 2.29 opgenomen tekst.

4.6. Uit de wijziging van de voordrachtsregeling in deze overeenkomst blijkt dat SZT, in goed overleg met SNZT, twee kandidaat-bestuursleden voor het bestuurslidmaatschap van SNZT kan voordragen en dat KNVvL een zodanige voordracht als bindend beschouwt. Het voordrachtsrecht dat in deze overeenkomst aan SZT is toegekend, is te kwalificeren als een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW dat in de overeenkomst door SNZT en KNVvL ten gunste van SZT is overeengekomen. Niet is weersproken dat SZT dat derden¬beding heeft aanvaard, zodat ervan uit moet worden gegaan dat SZT rechten kan ontlenen aan die tussen SNZT en KNVvL gesloten overeenkomst en dus jegens hen aanspraak kan maken op naleving van het daarin aan haar verleende voordrachtsrecht. De enkele omstandigheid dat deze overeenkomst niet is ondertekend doet daar niet aan af, nu niet, althans onvoldoende onderbouwd is gesteld dat die overeenkomst niet tot stand is gekomen. Ook in de brief van 6 mei 2001 van de voormalige voorzitter van SNZT aan KNVvL en in het bestuursverslag van SNZT over het jaar 2001 is steun te vinden voor het standpunt van SZT dat haar een voordrachtsrecht toekomt bij de benoeming van twee bestuursleden in het bestuur van SNZT.

4.7. Voorshands moet dan ook worden geoordeeld dat SZT het recht heeft om twee kandidaat-bestuursleden voor benoeming in het bestuur van SNZT voor te dragen aan KNVvL, welke voordracht in beginsel bindend is voor KNVvL. In beginsel, omdat volgens de statuten van SNZT en de daarop volgende overeenkomst van december 2003 voor de gebondenheid van KNVvL aan de voordracht van de kandidaat-bestuursleden door SZT is vereist dat die voordracht “in goed overleg met het bestuur van SNZT” is gedaan. Van dat voordrachtsrecht is in het verleden ook gebruik gemaakt door SZT, laatstelijk in 2008 bij de voordracht van de heren [naam voorzitter] en [naam penningmeester], die toen ook door KNVvL zijn benoemd in het bestuur van SNZT, zodat in dit kort geding ervan kan worden uitgegaan dat partijen ook daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven aan het voordrachtsrecht van SZT.

4.8. De vraag is nu of dit voordrachtsrecht is geschonden en of SZT op grond van dit voordrachtsrecht kan eisen dat de samenstelling van het bestuur van SNZT wordt gewijzigd. Te dien aanzien stelt SZT primair dat alle vijf bestuursleden van SNZT die in het handels¬register van de Kamers van Koophandel als bestuurder van SNZT staan ingeschreven, langer dan de maximale statutaire zittingstermijn van drie jaar bestuurslid zijn, zonder dat er een herbenoeming van deze bestuursleden heeft plaatsgevonden. Volgens SZT ontbreekt het huidige bestuur van SNZT reeds daardoor legitimiteit en moet er zo snel mogelijk in overeenstemming met de statuten van SNZT en de tussen partijen geldende afspraken over de benoeming van bestuursleden een nieuw rechtsgeldig bestuur worden benoemd.

4.9. De voorzieningenrechter overweegt dat vast staat dat alle vijf bestuursleden van het huidige bestuur van SNZT, waaronder de heren [naam voorzitter] en [naam penningmeester] die in 2008 op voordracht van SZT zijn benoemd, meer dan drie jaar geleden zijn benoemd en dus thans langer dan drie jaar in functie zijn als bestuurslid van SNZT. De statuten van SNZT bepalen in artikel 5.3 dat bestuursleden worden benoemd voor een periode van drie jaar, maar ook dat zij tweemaal voor eenzelfde periode van drie jaar kunnen worden herbenoemd.

4.10. Partijen verschillen van mening over de vraag of de zittende bestuursleden van SNZT wel (tijdig) zijn herbenoemd. Te dien aanzien echter hebben SNZT en KNVvL onvoldoende weersproken gesteld dat alle zittende bestuursleden van SNZT, die voor het eerst meer dan drie jaar geleden zijn benoemd, in de vergadering van het hoofdbestuur van KNVvL op 16 februari 2011 zijn herbenoemd voor een nieuwe zittingstermijn van drie jaar.

Ter onderbouwing is de brief van 16 maart 2011 van KNVvL aan SNZT overgelegd waarin het herbenoemingsbesluit van KNVvL van 16 februari 2011 is bevestigd. Gelet hierop zal in het vervolg van dit vonnis van het bestaan van dat herbenoemingsbesluit worden uitgegaan, zodat voorshands voldoende vast staat dat het zittende bestuur van SNZT tijdig is herbenoemd door KNVvL.

4.11. Vervolgens stelt SZT dat de herbenoeming van de zittende bestuursleden niet rechtsgeldig is omdat bij die herbenoeming haar voordrachtsrecht is geschonden, doordat haar niet is toegestaan bij die herbenoeming twee (nieuwe) bestuursleden voor te dragen. SNZT en KNVvL betwisten dat SZT ook een voordrachtsrecht heeft bij een herbenoeming van de zittende bestuursleden.

4.12. De vraag is derhalve of het voordrachtsrecht van SZT niet alleen ziet op de benoeming van nieuwe bestuursleden van SNZT, maar ook op de herbenoeming van de zittende bestuurleden van SNZT, waarvan in de onderhavige zaak sprake is. Die vraag dient vooralsnog ontkennend te worden beantwoord. Uit de statuten van SNZT in samenhang met de overeenkomst van december 2003 en uit alle andere stukken waarop SZT zich beroept blijkt niet dat het voordrachtsrecht van SZT ook betrekking zou hebben op de herbenoeming van de zittende bestuursleden van SNZT. Van belang is dat het in de statuten van SNZT vastgelegde systeem van herbenoeming slechts een beperkte herbenoemings¬mogelijkheid biedt van tweemaal voor een periode van drie jaar. Voorts is door SZT niet, althans onvoldoende gesteld dat destijds bij de invulling van de voordrachtsregeling van artikel 5.1 van de statuten van SNZT door partijen is besproken en overeengekomen dat het voor¬drachts¬¬recht van SZT en de andere betrokkenen bij de benoeming van nieuwe bestuursleden van SNZT ook zou zien op een eventuele herbenoeming van de zittende bestuursleden van SNZT. Het beroep van SZT op overeenkomstige toepassing van de regels in boek 2 van het BW voor (her)benoeming van commissarissen van een structuurvennootschap faalt, nu het hier gaat om een andersoortige rechtspersoon en een andersoortig orgaan met andere taken en bevoegdheden, terwijl overigens SZT dat beroep onvoldoende heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat SZT naast een voordrachtsrecht bij de benoeming van nieuwe bestuursleden van SNZT niet tevens een voordrachtsrecht toekomt bij de herbenoeming van de zittende bestuurleden van SNZT. Dit betekent dat vooralsnog geconcludeerd moet worden dat de zittende bestuursleden van SNZT op 16 februari 2011 rechtsgeldig zijn herbenoemd door KNVvL, zodat niet gezegd kan worden dat het huidige bestuur van SNZT niet rechtsgeldig volgens de statuten van SNZT en de tussen partijen geldende afspraken over de benoeming van het bestuur van SNZT tot stand is gekomen.

4.13. Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat in het huidige herbenoemde bestuur van SNZT twee bestuursleden zitten die drie jaar geleden op voordracht van SZT zijn benoemd, te weten de heren [naam voorzitter] en [naam penningmeester]. Het betreft bestuursleden met gewichtige functies, te weten de voorzitter en de penningmeester, zulks in een bestuur van slechts vijf leden. Op de samenstelling van dit bestuur is daardoor door SZT, weliswaar niet direct bij de herbenoeming zelf maar indirect bij de eerste benoeming, belangrijke invloed uitgeoefend. Daarmee is aan de geest en strekking van het voordrachtsrecht - dat gebruikers van het zweefvlieg¬centrum Terlet invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van het bestuur van SNZT - voldaan, waarbij moet worden opgemerkt dat SZT wel een belangrijke, maar zeker niet de enige gebruiker is van het zweefvliegcentrum Terlet. Het feit dat deze twee belangrijke bestuursleden in het verleden hebben meebesloten op een wijze die SZT onwelgevallig is, doet daar niet aan af. Zij zitten immers in het bestuur van SNZT niet namens SZT en zijn ook geen vertegenwoordigers van SZT. Zij dienen hun taak als bestuurders van SNZT vrij, zelfstandig en naar eigen inzicht, op eigen verantwoordelijkheid en in het belang van SNZT en alle gebruikers van het zweefvliegcentrum Terlet - en dus niet alleen in het belang van (de deelnemers van) SZT - uit te oefenen.

4.14. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd doet gelet op het beperkte toetsingskader van dit kort geding, dat enkel ziet op de formaliteiten rond de (her)benoeming van het bestuur van SNZT, niet ter zake en zal om die reden buiten beschouwing worden gelaten.

4.15. Gelet op al het hiervoor overwogene komen de vorderingen van SZT niet voor toewijzing in aanmerking.

4.16. SZT zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van SNZT en KNVvL. De kosten aan de zijde van SNZT en KNVvL worden elk afzonderlijk begroot op:

- griffierecht € 560,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.376,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt SZT in de proceskosten van SNZT, tot op heden begroot op € 1.376,00,

5.3. veroordeelt SZT in de proceskosten van KNVvL, tot op heden begroot op € 1.376,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 22 juli 2011.