Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4445

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
192869
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BM8537 en BQ2996. Vordering tot schadevergoeding. Wegens toerekenbare tekortkoming afgewezen omdat gedaagde in de brief van eiseres geen ingebrekestelling met betrekking tot haar verplichting op grond van de koopovereenkomst heeft hoeven lezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 192869 / HA ZA 09-2118

Vonnis van 20 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BROERSMA TRANSPORTDIENSTEN B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

eiseres,

advocaat mr. P.J.A. Plattel te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TDG B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. de Waal te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Broersma en TDG genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 april 2011

- de akte houdende uitlating van Broersma

- de antwoordakte van TDG.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Het geschil heeft zich inmiddels toegespitst op de meest subsidiaire grondslag van Broersma’s vordering, tekortkoming van TDG die daarin bestaat dat zij niet voor vervangende transportovereenkomsten heeft gezorgd (tussenvonnis van 20 april 2011 onder 2.16 e.v.). Daarbij is van belang of Broersma, zoals zij stelt, TDG heeft gesommeerd er zorg voor te dragen dat Broersma de beoogde omzet alsnog kon realiseren. Het gaat er dus in verband met deze gestelde tekortkoming om vast te stellen of TDG een verplichting had om voor vervangende transportovereenkomsten te zorgen, of zij deze niet of niet behoorlijk nakwam en of zij terzake in gebreke is gesteld. Is niet aan deze vereisten voldaan, dan kan er geen sprake zijn van schadevergoeding terzake van een toerekenbare tekortkoming.

2.2. Broersma betoogt ter toelichting op deze meest subsidiaire grondslag van haar vordering thans het volgende. Bij brief van 22 april 2009 liet TDG Broersma weten dat de laatste klant waarmee Broersma het bedrag van € 1.000.000,00 nog kon terugverdienen, Heinz, had afgehaakt. Hieruit leidde Broersma af dat de overeenkomst van 12 februari 2008 volgens TDG uitgewerkt was. TDG moest zich echter op grond van art. 11.5 van de koopovereenkomst van 15 mei 2007 samen met Broersma ‘inspannen (om) gezamenlijk nieuwe klanten te acquireren (…)’. Op deze verplichting, stelt Broersma, slaat de ingebrekestelling van 29 april 2009. TDG heeft zich geen moment ingespannen in de hier bedoelde zin.

2.3. Dat de brief van 29 april 2009 een ingebrekestelling in de hier bedoelde zin inhoudt, heeft TDG niet zo begrepen of kunnen begrijpen, stelt TDG. Broersma voert niet aan hoe TDG het anders dan uit de tekst van de brief had moeten begrijpen.

2.4. De rechtbank stelt vast dat de brief van 29 april 2009 de koopovereenkomst van 15 mei 2007 noemt, maar niet de specifieke bepaling van art. 11.5 daarvan. De koopovereenkomst noemt Broersma slechts in de brief om direct daarna aan te geven dat er een nadere overeenkomst is aangegaan, die op 12 februari 2008 getekend is. Uit de brief van 22 april 2009 van TDG leidt Broersma af, zo vervolgt zij, dat de in de nadere overeenkomst voorspelde omzet niet voor de laatste distributiedag, 5 juni 2009, zal worden behaald. Broersma geeft aan de toegezegde compensatie te willen ontvangen en daarna volgt de zin:

Voor zover nodig stel ik u dan ook in gebreke en in de gelegenheid om alsnog ervoor zorg te dragen dat de betreffende omzet door mijn cliënte kan worden behaald binnen de gestelde termijn.

2.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan in redelijkheid niet van TDG worden verwacht dat zij hierin een ingebrekestelling met betrekking tot haar verplichting ex art. 11.5 van de koopovereenkomst van 15 mei 2007 leest. De geciteerde zin slaat in de context van de brief van 29 april 2009 uitsluitend op omzet, welk woord alleen gebruikt wordt in verband met de nadere overeenkomst die op 12 februari 2008 is getekend. Deze omzet is gekoppeld aan de gestelde termijn, waarvan alleen sprake is in verband met die nadere overeenkomst, namelijk de tot 5 juni 2009 lopende termijn. Art. 11.5 van de koopovereenkomst gaat over inspanning, samenwerking en acquisitie en bevat geen termijn.

2.6. Het onder 2.3 bedoelde verweer van TDG gaat dus op. De brief van 29 april 2009 bevat geen ingebrekestelling ten aanzien van de verplichting ex art. 11.5 van de koopovereenkomst, nog daargelaten de vraag of deze verplichting op 29 april 2009 nog onverkort bestond.

2.7. De slotsom is dat niet aan de onder 2.1 hierboven bedoelde vereisten is voldaan. De vordering van Broersma moet dan ook worden afgewezen.

2.8. Broersma zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van TDG worden begroot op:

- griffierecht € 4.938,00

- getuigenkosten 500,00

- salaris advocaat 10.320,00 (4,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 15.758,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt Broersma in de proceskosten, aan de zijde van TDG tot op heden begroot op € 15.758,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2011.