Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4444

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
197620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BP5379 en BQ2572. Verzekeringszaak. Verweer van IZA dat behandelkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat (Duitse) arts geen medisch specialist is, slaagt. Blijft over de vraag naar de doelmatigheid van de PET-CT-scan. Partijen mogen zich uitlaten over de in verband hiermee voorgenomen benoeming van een deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 197620 / HA ZA 10-466

Vonnis van 13 juli 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.M. Koopman te Alkmaar,

tegen

de coöperatie

VGZ-IZA-TRIAS U.A.,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en IZA worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 april 2011 (hierna: het tussenvonnis)

- de akte uitlating na interlocutoir vonnis van [eiseres]

- de antwoordakte van IZA.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen om [eiseres] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de na het vorige tussenvonnis door IZA ingenomen stelling dat [eiseres], gelet op artikel 14 van de polisvoorwaarden, geen aanspraak kan maken op vergoeding van de door dr. [arts1] uitgevoerde behandelingen omdat dr. [arts1] geen medisch specialist is. Daarnaast zijn beide partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenrapportage met betrekking tot de PET-CT scan voor het geval het vorenbedoelde verweer van IZA zou opgaan.

2.2. [eiseres] stelt in haar akte dat IZA zich er niet op kan beroepen dat zij op grond van artikel 14 van de polisvoorwaarden niet is gehouden tot uitkering van de medische kosten van [eiseres]. Daartoe voert [eiseres] aan dat de polisvoorwaarden geen aparte omschrijving of definitie van het begrip ‘medisch specialist’ geven, zodat het begrip ‘medisch specialistische zorg’ ruim moet worden geïnterpreteerd. Uit de polisvoorwaarden blijkt volgens [eiseres] niet dat pas sprake is van medisch specialistische zorg wanneer een arts aan bepaalde inschrijvingen of kwalificaties voldoet. [eiseres] acht het dan ook onbegrijpelijk waarom dr. [arts1] niet zou vallen onder de medisch specialistische zorg als omschreven in de polisvoorwaarden. [eiseres] stelt in dit verband nogmaals dat dr. [arts1] wel degelijk medisch specialist is. Daarnaast voert [eiseres] aan dat de PET-CT scan wel degelijk doelmatig is geweest voor haar behandeling, aangezien elke arts scans zal bestuderen om de beste behandeling te kunnen adviseren. De doelmatigheid van de scan moet volgens [eiseres] worden voorgelegd aan de te benoemen deskundige.

2.3. IZA blijft in haar antwoordakte bij haar stelling dat [eiseres] redelijkerwijs niet was aangewezen op de PET-CT scan voor de alternatieve behandeling door dr. [arts1]. IZA stelt dat zij daarom terecht een vergoeding voor die scan weigert. In plaats van benoeming van een dure deskundige zou volgens IZA het College voor Zorgverzekeringen kunnen worden gevraagd om een advies over de doelmatigheid van de PET-CT scan. IZA houdt daarnaast vol dat geen sprake is van medisch specialistische zorg als bedoeld in de polisvoorwaarden en dat de vergoeding van de kosten van dr. [arts1] niet onder de dekking van de verzekering valt.

2.4. Voor zover [eiseres] aanvoert dat dr. [arts1] wel degelijk een medisch specialist is, overweegt de rechtbank – nog daargelaten dat de akte uitlating blijkens het tussenvonnis niet diende om dit onderwerp opnieuw aan de orde te stellen – het volgende. De beslissing op dit punt in r.o. 2.4 van het tussenvonnis is een zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing. In bepaalde gevallen waarin een eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag is de rechter op grond van de eisen van een goede procesorde bevoegd de eindbeslissing te heroverwegen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553; LJN: BC2800). [eiseres] heeft in haar akte slechts herhaald wat zij op voormeld onderdeel eerder had aangevoerd. Die argumenten heeft de rechtbank al bij het nemen van haar eindbeslissing betrokken. Voor een heroverweging bestaat dan ook geen grond. Gebleven wordt bij wat op dit punt eerder is vastgesteld en overwogen.

2.5. De stelling van [eiseres], dat in de verzekeringsvoorwaarden geen aparte omschrijving of definitie van het begrip ‘medisch specialist’ wordt genoemd, is onjuist. IZA wijst terecht op artikel 1, onder 51, van de verzekeringsvoorwaarden, waar een begripsomschrijving staat van de term ‘medisch specialist’. Het standpunt van [eiseres] dat het begrip ‘medisch specialistische zorg’ in artikel 14 van de verzekeringsvoorwaarden wegens het ontbreken van een definitie ruim moet worden uitgelegd, wordt gezien het voorgaande verworpen. Gelet hierop en aangezien de rechtbank in het tussenvonnis heeft beslist dat dr. [arts1] geen medisch specialist in de zin van de polisvoorwaarden is, slaagt het verweer van IZA dat zij op grond van artikel 14 van de polisvoorwaarden de kosten voor de behandeling door dr. [arts1] niet hoeft te vergoeden. Dit deel van de vordering ligt dan ook voor afwijzing gereed.

2.6. Ten aanzien van de PET-CT scan stelt [eiseres] dat een deskundige zal moeten beoordelen of deze scan doelmatig is geweest voor haar behandeling. De rechtbank overweegt dat partijen zich in een eerder stadium van de procedure al hebben uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige, in zoverre dat zij beide specialisten van het Máxima Medisch Centrum te Veldhoven hebben genoemd. De rechtbank heeft deze specialisten telefonisch benaderd, maar zij hebben allebei te kennen gegeven dat zij niet over het vereiste specialisme beschikken. De rechtbank heeft daarop contact opgenomen met een andere deskundige, namelijk mevrouw prof. dr. [arts2], werkzaam op de afdeling medische oncologie van Maastricht Universitair Medisch Centrum te Maastricht. Deze deskundige heeft desgevraagd aan de rechtbank meegedeeld in staat en bereid te zijn het bedoelde onderzoek te verrichten. De rechtbank is daarom voornemens om tot benoeming van deze deskundige over te gaan, maar zal eerst partijen nog in de gelegenheid stellen om zich over de benoeming van deze deskundige uit te laten. De rechtbank acht benoeming van twee deskundigen – zoals voorgesteld door partijen – niet opportuun, omdat de ervaring leert dat dit vrijwel steeds tot benoeming van een derde leidt. Benoeming van drie deskundigen acht de rechtbank onnodig tijdrovend en financieel disproportioneel in verband met het belang van het onderdeel van de vordering waarop het onderzoek betrekking heeft.

2.7. De rechtbank gaat met het voorgaande voorbij aan de suggestie van IZA in haar laatste akte om advies te vragen aan het College voor Zorgverzekeringen. Nu een zorgverzekeraar – IZA – partij is in de procedure, ligt het immers niet voor de hand om aan die instantie advies te vragen.

2.8. De rechtbank heeft in r.o. 4.13 van het tussenvonnis van 2 februari 2011 al vragen geformuleerd die aan een te benoemen deskundige zouden moeten worden voorgelegd. Beide partijen hebben in hun akte na dat tussenvonnis kenbaar gemaakt dat zij tegen die vraagstelling geen bezwaar hebben en hebben daarbij zelf geen nadere vragen voorgesteld. De vragen aan de deskundige zullen dan ook – na herformulering, omdat de aanvankelijke vragen over hyperthermie en dendritische celtherapie gelet op de beslissing in r.o. 2.5 niet langer relevant zijn – luiden als volgt:

1) Is in het kader van het gebruikelijkheidscriterium als omschreven in r.o. 4.12 van het tussenvonnis van 2 februari 2011 de PET-CT scan zoals uitgevoerd bij [eiseres] zinvol als onderdeel van en/of voorbereiding op hyperthermie en/of dendritische celtherapie?

2) Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.9. Aan de hand van de opgave van de deskundige wordt het voorschot op haar loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 600,00 inclusief btw. Dit bedrag zal, gezien artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, te zijner tijd ter griffie moeten worden gedeponeerd door [eiseres].

2.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 juli 2011 voor het nemen van aktes door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de voorgenomen benoeming van prof. dr. [arts2] als deskundige,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.

Coll.: JC