Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4430

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
211171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident tot opheffing schorsende werking van verzet tegen dwangbevel. Rechtbank heft op grond van art. 5:26 lid 4 Awb (oud) de schorsende werking van het verzet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 211172 / HA ZA 11-127

Vonnis in incident van 13 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NACCO MATERIALS HANDLING B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NIJMEGEN,

zetelend te Nijmegen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

behandelend advocaat mr. T.H. Liebregts te Nijmegen

Partijen zullen hierna Nacco en de gemeente worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 maart 2010,

- de akte van de zijde van Nacco van 23 februari 2011,

- de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot opheffing schorsing,

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Nacco heeft bij dagvaarding van 26 maart 2010 gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat het verzet van Nacco tegen het dwangbevel van 18 maart 2010, betekend op 25 maart 2010, gegrond is en dat zij dat dwangbevel buiten werking stelt met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

2.2. Nacco heeft het volgende aan deze vordering ten grondslag gelegd. De gemeente heeft haar bij besluit van 22 september 2008 op straffe van verbeurte van een dwangsom gelast haar bedrijfsgebouwen aan de Nijverheidsweg 19-35 in overeenstemming te brengen met het Bouwbesluit 2003. Tegen dat besluit heeft Nacco bezwaar gemaakt op 31 oktober 2008. Dat bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 18 juni 2009. Tegen dat besluit heeft Nacco beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem. Ten tijde van dagvaarding in het onderhavige verzet (uitgebracht op 26 maart 2010 tegen de zitting van 9 februari 2011) had de rechtbank nog geen uitspraak gedaan in het beroep. Nacco heeft betoogd dat de gemeente geen dwangsommen kan innen zolang het besluit niet onherroepelijk is.

2.3. De gemeente heeft (op 1 juni 2011) een incident geopend en gevorderd dat de rechtbank de schorsende werking van het verzet opheft. Zij heeft daartoe gesteld dat de Raad van State in zijn uitspraak in hoger beroep van 6 april 2011 de aangevallen uitspraak heeft bevestigd en de gevolgen daarvan volledig in stand heeft gelaten. De gemeente acht het in het kader van een effectieve en doelmatige rechtshandhaving niet wenselijk dat de bevoegdheid tot invordering nog langer geschorst blijft. Volgens haar is het instellen van verzet in de gegeven omstandigheden alleen een middel om de inning van dwangsommen te vertragen. Zij doet een beroep op artikel 5:26 lid 4 Awb (oud).

2.4. Nacco heeft zich in het incident gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.5. De rechtbank oordeelt als volgt. Sinds 1 juli 2009 is in de Awb een nieuw stelsel van invordering van verbeurde bestuurlijke dwangsommen van kracht geworden (art. 5:35, 5:37-5:39 Awb). Bij de rechtsbescherming daartegen is in beginsel geen plaats meer weggelegd voor de burgerlijke rechter (art. 5:26 Awb oud is vervallen). Op het onderhavige geval is evenwel nog de oude wet van toepassing. De overtreding die heeft geleid tot het opleggen van dwangsommen dateert immers van voor 22 september 2008, derhalve van voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel (artikel IV van de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb, Stb. 265).

2.6. Nu de gemeente gemotiveerd om de opheffing van de schorsende werking van het verzet heeft verzocht en Nacco zich terzake aan het oordeel van de rechtbank heeft gerefereerd, zal de rechtbank op grond van artikel 5:26 lid 4 Awb (oud) de schorsende werking van het verzet opheffen.

2.7. Nacco wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de kosten van het incident.

3. De beoordeling in de hoofdzaak

3.1. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarvoor wordt een half uur uitgetrokken.

3.2. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3.3. De partij die een beroep wil doen op stukken die nog niet in het geding zijn gebracht, moet deze stukken uiterlijk twee weken voor de zitting toesturen aan de rechtbank en aan de wederpartij.

3.4. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

3.5. Alle beslissingen worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

heft op de schorsende werking van het verzet, ingesteld bij dagvaarding van 26 maart 2010;

veroordeelt Nacco in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van de gemeente begroot op € 452,- aan salaris voor de advocaat;

in de hoofdzaak (verzet)

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. F.J. de Vries in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 juli 2011 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2011, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

wijst partijen er op dat voor de zitting een half uur zal worden uitgetrokken,

bepaalt dat de in de overwegingen opgevraagde informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.

coll.: CLB