Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR4401

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
05/700711-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het plegen van ontucht met een minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/700711-11

Datum zitting : 27 juli 2011

Datum uitspraak : 10 augustus 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. J.B.M. Nijhuis, advocaat te Beesd.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari

2010 tot en met 12 augustus 2010 te Opijnen, gemeente Neerijnen, (telkens)

met een aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde

minderjargige, te weten [slachtoffer], geboren op 13

september 2004, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het

opzettelijk ontuchtig - zakelijk weergegeven - :voornoemde [slachtoffer] zijn,

verdachtes, penis laten vastpakken en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] met

haar hand om/op zijn, verdachtes, penis op en neer gaande bewegingen te

laten maken;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 27 juli 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.B.M. Nijhuis, advocaat te Beesd.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

[benadeelde partij].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 1.237,10 en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn:

? Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 71-81; en

? Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 29; en

? Proces-verbaal van bevindingen, p. 46-49.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op één tijdstip in de periode van 1 februari 2010 tot en met 12 augustus 2010 te

Opijnen, gemeente Neerijnen, met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde

minderjarige, te weten [slachtoffer], geboren op 13

september 2004, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het

opzettelijk ontuchtig voornoemde [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis laten vastpakken en

(vervolgens) voornoemde [slachtoffer] met haar hand om/op zijn, verdachtes, penis op en neer

gaande bewegingen te laten maken;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

‘ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige’

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 22 april 2011; en

• een voorlichtingsrapport van reclassering Nederland Toezichtunit Arnhem, gedateerd 30 juni 2011, betreffende verdachte.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat met een geheel voorwaardelijke straf kan worden volstaan. Subsidiair is aangevoerd dat een verblijf in de gevangenis onevenredig zwaar is en is verzocht zo nodig een werkstraf op te leggen. De verdachte kan zich vinden in het advies van de reclassering.

Beoordeling

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft ontucht gepleegd met een minderjarig kind dat aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Verdachte was aanvankelijk als vrijwilliger, maar mettertijd als huisvriend, bij het slachtoffer en haar ouders over de vloer gekomen. Verdachte heeft zichzelf in de situatie gebracht dat het kind alleen bij hem thuis was en heeft vervolgens misbruik van deze situatie gemaakt. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte daarmee niet alleen misbruik heeft gemaakt van het in hem zowel door het kind als haar moeder gestelde vertrouwen en van het overwicht dat hij als volwassene op het slachtoffer, een vijfjarige meisje, had, maar dat hij tevens - enkel ter bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften - ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het zeer jonge slachtoffer. Het is algemeen bekend dat de gevolgen van seksuele contacten bij heel jonge kinderen ernstig en langdurig kunnen zijn. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat gezien de ernst van dit feit een deels onvoorwaardelijke sanctie geboden is. De rechtbank houdt hierbij, meer dan de officier van justitie, rekening met de financiële situatie van verdachte en het feit dat verdachte is niet eerder ter zake van zedendelicten veroordeeld. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke werkstraf naast een voorwaardelijke gevangenisstraf passend.

In het rapport van de reclassering staat beschreven dat het zorgelijk is dat verdachte op late leeftijd dit delict pleegt en dat een langdurige behandeling en toezicht door de reclassering noodzakelijk is. Ook de rechtbank acht het van belang dat verdachte behandeld wordt voorts, dat verdachte middels een forse voorwaardelijke straf ervan wordt weerhouden om in de toekomst opnieuw zedendelicten te plegen.

De rechtbank acht het van belang aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 1.237,10.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 1.237,10 en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgeegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Standpunt verdediging

De verdediging is van mening dat de vergelijking met de casus van de ANWB smartengeldgids niet volledig op gaat. Het is niet duidelijk geworden dat het slachtoffer door het delict nare dromen heeft gekregen en bovendien heeft zij er geen letsel aan over gehouden. De verdediging concludeert tot toewijzing van de helft van het gevorderde bedrag dan wel tot toewijzing van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag.

Beoordeling

De rechtbank beoordeelt de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] als volgt.

Voor zover de vordering strekt tot vergoeding van de materiële schade ten bedrage van € 87,10, is deze niet betwist door verdachte en komt deze de rechtbank gegrond voor. De rechtbank zal de vordering in zoverre toewijzen.

Voor zover de vordering strekt tot vergoeding van de immateriële schade ten bedrage van

€ 1.150,- overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat [benadeelde partij] door hetgeen haar is aangedaan psychische gevolgen heeft ondervonden en dat zij uit dien hoofde aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade. Dat de psychische gevolgen uitsluitend of in beslissende mate zijn veroorzaakt door het delict is echter onvoldoende vast komen te staan. Daarvoor is nader onderzoek noodzakelijk hetgeen tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden.

De rechtbank is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 412,90 ter zake van immateriële schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Voor de toewijsbare deel van de vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 24c, 36f, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderd twintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 2 (twee) uren, zijnde 1 (een) dag hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Hiertoe dient hij zich binnen 14 dagen volgend op het onherroepelijke vonnis zich melden bij Reclassering Arnhem op telefoonnummer 026-3555333. Hierna moet hij zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode (maar maximaal twee jaar) blijven melden zo lang en frequent als de reclassering dit nodig acht;

veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek in een forensische polikliniek Kairos of soortgelijke instelling, voor zo lang als en voor zover als de reclassering dit nodig acht;

en voorts dient veroordeelde zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de hiermee verband houdende (nadere) aanwijzingen van de reclassering, voor zover en voor zolang dat door de reclassering wenselijk of noodzakelijk wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde partij], wonende te Tiel, te betalen € 500,- (zegge vijfhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding ad € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te Tiel, te betalen € 500,-, (zegge vijfhonderd euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door mrs. J.M.J.M. Doon, voorzitter, H.P.M. Kester-Bik en N.K. van den Dungen-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C.E. Marechal, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 augustus 2011.