Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR3347

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/809
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet investeren in jongeren (WIJ). Uit artikel 42 lid 1 WIJ volgt dat de inkomensvoorziening kan worden ingetrokken terwijl het werkleeraanbod doorloopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/809

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 28 juni 2011

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.E.L.TH. Balkema,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 februari 2011.

2. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit heeft verweerder het recht op uitkering ingevolge de Wet investeren in jongeren (hierna: de WIJ) van eiser met ingang van 11 oktober 2010 beëindigd en vanaf 4 oktober 2010 ingetrokken.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 12 mei 2011. Namens eiser is daar verschenen, mr. Balkema, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

3.1. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten. Eiser heeft vanaf 1 juli 2010 recht op een werkleeraanbod bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de WIJ. Tevens ontving eiser een inkomensvoorziening bedoeld in artikel 24 van die wet. In het kader van het werkleeraanbod is eiser met ingang van 20 juli 2010 aangemeld bij het Arbeids- en trainingscentrum (ATC). Op die datum is eiser daar niet verschenen. Nadat eiser vakantie heeft gehad is afgesproken dat hij op 20 september 2010 aan het werk zou gaan bij het ATC. Op die datum is eiser echter weer niet verschenen. De inkomensvoorziening is bij besluit van verweerder van 20 september 2010 opgeschort. Omdat eiser op 21 september 2010 weer op zijn werkplek is verschenen, is die opschorting opgeheven. Op 23 september 2010 is eiser niet verschenen op een afspraak bij de bedrijfsarts. Op 30 september 2010 heeft eiser een gesprek gehad bij de bedrijfsarts, die hem, met inachtneming van beperkingen ten aanzien van tillen en bukken, in staat acht om te werken bij het ATC. Eiser is die dag niet meer bij het ATC verschenen, omdat hij zijn huisarts wilde bezoeken. Daarop is met eiser afgesproken, dat hij zich de daaropvolgende dag, 1 oktober 2010, met een briefje van de huisarts bij het ATC zou melden. Eiser is niet verschenen. Ook op 4 oktober 2010 heeft verweerder vastgesteld dat eiser ongeoorloofd afwezig was. Nadat eiser een nieuwe aanvraag heeft ingediend is getracht hem aan het werk te helpen via Hartmann uitzendbureau. In dat kader is hij ook weer niet verschenen op een tweetal afspraken. Op 14 juli 2010, 26 juli 2010, 2 september 2010 en 6 september 2010 is eiser bij verzuimcontroles niet thuis aangetroffen. Op 22 september 2010 is eiser in eerste instantie bij de verzuimcontrole niet thuis aangetroffen. Daarna kwam hij aanlopen, waarna hij aangaf naar de arts te zijn geweest.

Eiser heeft bovenstaande feiten niet gemotiveerd weersproken.

3.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit de hierboven vermelde feiten blijkt dat eiser ondubbelzinnig de verplichtingen zoals vermeld in hoofdstuk 5 van de WIJ niet wil nakomen. Daarom is verweerder overgegaan tot beëindiging van de inkomensvoorziening met ingang van 11 oktober 2010 op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 45 van de WIJ en intrekking over de periode van 4 oktober tot 10 oktober 2010 op grond van artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ.

3.3. Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Op zijn stellingen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

Ten aanzien van de intrekking en het niet uitbetalen vakantiegeld

3.4. Verweerder heeft de intrekking van de inkomensvoorziening gebaseerd op artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ. Naar het oordeel van de rechtbank biedt genoemde bepaling in dit geval geen bevoegdheidsgrondslag voor de intrekking van de inkomensvoorziening. Zoals blijkt uit de toelichting bij artikel 40, derde lid, van de WIJ is de toepassing van onderdeel b, beperkt tot die gevallen waarin door een fout van het college teveel aan inkomensvoorziening of ten onrechte inkomensvoorziening is verstrekt en waarin de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Genoemde situatie doet zich hier niet voor.

Het voorgaande brengt mee dat het besluit in zoverre berust op een onjuiste wettelijke grondslag. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder niet heeft beslist op het bezwaar van eiser tegen het niet betalen van zijn vakantiegeld zodat het besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank zal het besluit, voor zover dat ziet op de intrekking, dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond.

3.5. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluitonderdelen in stand te laten en overweegt daaromtrent als volgt.

Nu verweerder ingevolge artikel 24 van de WIJ bevoegd is een inkomensvoorziening te verlenen aan de jongere die een werkleeraanbod heeft aangevraagd, moet verweerder eveneens bevoegd worden geacht over te gaan tot intrekking van deze inkomensvoorziening wanneer de jongere niet of niet langer recht heeft op die voorziening. Naar het oordeel van de rechtbank staat daaraan niet in de weg dat in de WIJ geen specifieke bepaling is opgenomen op grond waarvan de inkomensvoorziening in gevallen als deze kan worden ingetrokken.

3.6. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de inkomensvoorziening is ingetrokken omdat volgens verweerder ondubbelzinnig is gebleken dat eiser de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod en dan met name de verplichting mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling, niet is nagekomen.

3.7. Anders dan door eiser is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 42, eerste lid, van de WIJ volgt dat de inkomensvoorziening kan worden ingetrokken terwijl het werkleeraanbod doorloopt. Immers, in de hiervoor genoemde bepaling staan de gevallen vermeld waarin de jongere niet langer recht heeft op inkomensvoorziening zonder dat daaraan gevolgen worden verbonden voor het werkleeraanbod.

3.8. De vraag die voorts moet worden beantwoord is of uit houding en gedragingen van eiser ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid, onder c, gelezen in samenhang met artikel 45, aanhef en onder d, van de WIJ). De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Uit de in rechtsoverweging 3.1. vermelde feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat eiser niet bereid was zijn verplichtingen na te komen. Zo is eiser enkele malen niet verschenen bij het ATC, is hij zonder nader bericht niet verschenen op een afspraak bij de bedrijfsarts en is hij meerdere malen niet thuis aangetroffen bij verzuimcontroles. De rechtbank is van oordeel dat dit eiser kan worden verweten nu aangenomen moet worden dat hij op de hoogte was van zijn verplichtingen en hij bovendien arbeidsgeschikt was verklaard voor het werk bij het ATC. Het moet er dus voor worden gehouden dat eiser willens en wetens de uitvoering van het werkleeraanbod heeft gefrustreerd. Het gevolg hiervan is dat eiser geen recht heeft op een inkomensvoorziening zodat verweerder bevoegd was deze inkomensvoorziening in te trekken.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt van eiser dat verweerder eerst de inkomensvoorziening had moeten opschorten alvorens tot intrekking over te gaan. Volgens de toelichting bij artikel 40, eerste lid, van de WIJ is de opschorting van de inkomensvoorziening bedoeld voor die gevallen waarin de jongere bepaalde gegevens te laat aanlevert of onvoldoende meewerkt aan het onderzoek van het college of de jongere recht heeft op een werkleeraanbod (TK 2008-2009, 31 775, nr. 3, blz 46). Een dergelijk geval doet zich hier niet voor, aangezien het recht van eiser op een werkleeraanbod reeds was vastgesteld maar eiser in gebreke bleef aan de verplichtingen uit hoofde van dat werkleeraanbod te voldoen. De rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid niet tot intrekking heeft kunnen overgaan.

3.9. Zoals blijkt uit de gedingstukken heeft verweerder het vakantiegeld overgemaakt aan de beslaglegger. Nu niet bestreden is dat er beslag was gelegd op eisers uitkering, was verweerder verplicht het deel van de uitkering boven de beslagvrije voet over te maken aan de beslaglegger. Nu eveneens niet is gebleken dat verweerder meer heeft ingehouden dan het deel van de uitkering boven de beslagvrije voet heeft verweerder een juiste beslissing genomen.

Ten aanzien van de beëindiging

3.10. Nu ondubbelzinnig is gebleken dat eiser zijn verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod niet wilde nakomen, had eiser gelet op het bepaalde in artikel 42, eerste lid, onder c, gelezen in samenhang met artikel 45, aanhef en onder d, van de WIJ geen recht op een inkomensvoorziening. De rechtbank ziet evenmin reden om aan te nemen dat verweerder, alvorens de inkomensvoorziening te beëindigen, een maatregel bedoeld in artikel 41 van de WIJ had moeten opleggen. Verweerder was daartoe niet gehouden, nu ondubbelzinnig is gebleken dat eiser zijn verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod niet wilde nakomen en in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ uitdrukkelijk is bepaald dat de jongere in dat geval geen recht heeft op een inkomensvoorziening. Van een verlaging bij wege van maatregel kan in een zodanig geval dan ook geen sprake zijn. Door de inkomensvoorziening op grond van de hierboven vermelde bepalingen te beëindigen, heeft verweerder dan ook een juiste beslissing genomen.

Slotoverwegingen en proceskosten

3.11. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de inkomensvoorziening en voor zover daarin niet is beslist op het bezwaar tegen het niet betalen van het vakantiegeld. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluitonderdelen in stand te laten.

3.12. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor vergoeding van de door eiser gemaakte kosten in de bezwaarprocedure. Ingevolge artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

3.13. De rechtbank acht wel termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

3.14. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, en mr. J.A. van Schagen en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2011.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 28 juni 2011