Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR2024

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
198646
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GIBO stelt in de hoofdzaak in conventie dat zij werkzaamheden voor de administratie van gedaagde heeft verricht. Zij vordert betaling van een aantal declaraties. Gedaagde betoogt van haar kant dat er sprake is geweest van een aantal tekortkomingen aan de zijde van GIBO. Een daarvan is dat zij niet of onjuist zou hebben geadviseerd over de afkoop van een lijfrente in 2006. Haar vordering in reconventie in de hoofdzaak grondt gedaagde op de hier bedoelde tekortkomingen.

De lijfrente is volgens gedaagde bij AEGON afgekocht, waarbij GIBO zou hebben nagelaten op de consequenties daarvan, in het bijzonder het in rekening brengen van revisierente, te wijzen. Had GIBO behoorlijk geadviseerd, stelt gedaagde dan zou er van afkoop geen sprake zijn geweest.

GIBO vordert in incident ex art. 843 a Rv dat gedaagde de bescheiden die hier bedoeld zijn, overlegt. Gedaagde voert als verweer onder meer aan dat het een lijfrenteverzekering betrof tussen AEGON en gedaagde in privé en dat de gevraagde stukken niet een rechtsbetrekking betreffen waarbij GIBO partij was. Zij concludeert tot afwijzing van de vordering.

De rechtbank acht het standpunt van gedaagde juist.

In de hoofdzaak wordt GIBO in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op een brief van AEGON.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 198646 / HA ZA 10-634

Vonnis in incident van 6 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GIBO ACCOUNTANTS EN ADVISEURS B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. D. IJsveld te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagden] ADVOCATEN B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R.J. Verweij te Nijmegen.

Partijen zullen hierna GIBO en [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 oktober 2010

- het proces-verbaal van de op 4 april 2011 gehouden comparitie van partijen

- de akte in het incident ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van [gedaagde in conventie / verweerster in het incident].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling

in het incident

2.1. GIBO stelt in de hoofdzaak in conventie dat zij werkzaamheden voor de administratie van [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] heeft verricht. Zij vordert betaling van een aantal declaraties. [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] betoogt van haar kant dat er sprake is geweest van een aantal tekortkomingen aan de zijde van GIBO. Een daarvan is dat zij niet of onjuist zou hebben geadviseerd over de afkoop van een lijfrente in 2006. Haar vordering in reconventie in de hoofdzaak grondt [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] op de hier bedoelde tekortkomingen.

2.2. De lijfrente is volgens [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] bij AEGON afgekocht, waarbij GIBO zou hebben nagelaten op de consequenties daarvan, in het bijzonder het in rekening brengen van revisierente, te wijzen. Had GIBO behoorlijk geadviseerd, stelt [gedaagde in conventie / verweerster in het incident], dan zou er van afkoop geen sprake zijn geweest.

2.3. Bij antwoord in reconventie in de hoofdzaak voert GIBO ten aanzien van de verweten nalatigheid in de advisering over de afkoop van de lijfrente onder meer – subsidiair – het volgende aan. De zorgplicht van een verzekeringsmaatschappij – dus ook AEGON – tegenover de verzekeringnemer brengt mee dat zij bij een verzoek om afkoop de verzekeringnemer wijst op de gevolgen van de afkoop, waaronder de revisierente. ‘Dat betekent’, betoogt GIBO, ‘dat de heer [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] ook uit andere hoofde bekend had kunnen zijn met de verschuldigde revisierente. Op grond van art. 843a Rv is [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] gehouden bescheiden – meer in het bijzonder de correspondentie met AEGON aangaande de afkoop – in rechte over te leggen en voor zover noodzakelijk vordert GIBO dat hier dan ook uitdrukkelijk.’

2.4. GIBO vordert dus dat [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] de bescheiden die hier bedoeld zijn, overlegt. [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] voert als verweer onder meer aan dat het een lijfrenteverzekering betrof tussen AEGON en de heer [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] in privé en dat de gevraagde stukken niet een rechtsbetrekking betreffen waarbij GIBO partij was. Zij concludeert tot afwijzing van de vordering.

2.5. De rechtbank acht het standpunt van [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] juist. Art. 843a Rv betreft bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin de verzoeker of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. De stukken waarom het hier gaat, betreffen een rechtsbetrekking tussen de heer [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] in privé – dat voeren beide partijen aan – en AEGON. Niet alleen is GIBO zelf daarbij geen partij, ook haar wederpartij [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] is dat niet, zodat ook niet langs die weg geredeneerd kan worden dat de stukken bescheiden zijn aangaande de rechtsbetrekking tussen GIBO en [gedaagde in conventie / verweerster in het incident].

2.6. De vraag die hier niet aan de orde is, maar in de hoofdzaak wel beantwoord zal moeten worden, is wie van partijen informatie moet verschaffen ter onderbouwing van GIBO’s verweer in reconventie dat AEGON moet hebben gewaarschuwd voor de revisierente bij afkoop. De nu voorliggende incidentele vordering is niet het middel om tot beantwoording van die vraag te komen.

2.7. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.

2.8. GIBO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

in de hoofdzaak

2.9. Nu [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] ter informatie van GIBO een brief van AEGON heeft overgelegd, die GIBO mogelijk ertoe brengt haar standpunt nader te bepalen, zal de rechtbank in de hoofdzaak GIBO in de gelegenheid stellen op deze brief te reageren bij akte.

2.10. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt GIBO in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde in conventie / verweerster in het incident] tot op heden begroot op € 226,00,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 juli 2011 voor het nemen van een akte door GIBO over hetgeen is vermeld onder 2.9, waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,

3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.