Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR1679

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
210757 / 210758
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BR5100, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis afwijzing SSR: geen instelling in de zin van artikel 48 WCK

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

rekestnummers: 210757/FT-RK 11.71 en 210758/FT-RK 11.72 ck

nummers verklaringen: TIE0211100013 en TIE0211100048

uitspraakdatum: 6 juni 2011

afwijzing schuldsaneringsregeling

[verzoekers],

beide wonende te [adres]

hierna te noemen verzoekers,

1. De feiten en het verloop van de procedure

1.1. Verzoekers hebben op 13 januari 2011 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.2. De verzoekschriften zijn behandeld ter terechtzitting van 30 mei 2011. Daarbij zijn verzoekers gehoord. Grip heeft namens verzoekers ter terechtzitting ook het woord gevoerd.

De verzoekschriften voldoen aan de daaraan gestelde eisen.

1.4. De totale schuldenlast van verzoekers bedraagt € 27.826,97.

2. De overwegingen

2.1. Op grond van art. 288 lid 2 sub b van de Faillissementswet (Fw) dient het verzoek van verzoekers te worden afgewezen als de poging tot buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 van de wet op het consumentenkrediet (WCK).

2.2. De rechtbank stelt vast dat niet de gemeente, maar Grip Schuldhulpverlening de schuldregeling heeft uitgevoerd. Dat heeft zij naar eigen zeggen niet in opdracht van de gemeente gedaan, maar in opdracht van verzoekers. Verder staat vast dat Grip geen persoon of instelling is in de zin van art. 48 lid 1 sub d WCK, omdat geen AmvB tot stand is gekomen op grond waarvan instellingen zijn aangewezen schuldbemiddeling uit te voeren.

Art. 48 lid 1 sub b WCK

2.3. Grip stelt dat zij wel degelijk valt onder art. 48 lid 1 sub b WCK omdat het verzoek door de gemeente Tiel is ingediend bij de rechtbank. Grip gaat daarbij echter voorbij aan de imperatieve afwijzingsgrond dat niet alleen het verzoek door een bevoegde instantie moet worden ingediend, maar dat daarnaast ook de minnelijke schuldregeling dient te worden uitgevoerd door een bevoegde instantie. Vast staat dat de gemeente het minnelijk traject niet heeft verzorgd. Dit argument gaat dus niet op.

Art. 48 lid 1 sub c WCK

2.4. Grip stelt verder dat zij de schuldhulpverlening om niet heeft uitgevoerd, waardoor zij op grond van art. 48 lid 1 sub b bevoegd was de minnelijke schuldregeling uit te voeren. Zij heeft namelijk de kosten van haar bemiddeling niet aan verzoekers maar aan de werkgever van Van Zwam in rekening gebracht. Daarmee staat echter naar het oordeel van de rechtbank al vast dat zij de diensten niet om niet heeft verleend. Weliswaar zijn de kosten niet aan verzoekers in rekening gebracht, maar dat doet niet af aan het feit dat Grip wel degelijk betaald is voor haar werkzaamheden.De rechtbank verwijst hier ook naar een aarest van het Hof Arnhem van 10 april 2008, LJN BD3935, waarin het Hof onder meer als volgt heeft overwogen:

‘In dat verband geldt bovendien dat geen sprake is van schuldbemiddeling ‘om niet’ indien de kosten daarvan door derden (in plaats van de bemiddelden zelf) gedragen worden. De bedoeling van de wetgever – te weten: ‘de wens te voorkomen dat schuldenaren zich zouden laten bijstaan door malafide of onkundige schuldhulpbemiddelingsbureaus’ (MvA Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29 942, C, p. 12) – zou op onaanvaardbare wijze doorkruist worden indien dergelijke bureaus zich aan de ingevolge artikel 288 lid 2 onder b Fw jo. 48 lid 1 onder d WCK te stellen eisen zouden kunnen ontrekken door hetzij de kosten van schuldbemiddeling vergoed te krijgen onder de noemer van (parallel lopend) budgetbeheer, hetzij die kosten van derden te ontvangen, hetzij (in een incidenteel geval) die werkzaamheden om niet te verrichten. Dat de WCK schuldbemiddeling om niet (als activiteit) toestaat, neemt derhalve niet weg dat de instellingen die schuldbemiddeling uitvoeren ervoor moeten zorgen dat zij als “persoon of instelling” aan de eisen van artikel 48 lid 1 sub b, c of d moeten voldoen, wil hun voorwerk ook kwalificeren als een poging bedoeld in artikel 288 lid 2

onder b Fw.’

2.5. Grip stelt nog dat zij beschikt over certificaten en dat het voor de rechtbank in dit geval dus mogelijk is om na te gaan of Grip voldoende gekwailficeerd is om de schuldbemiddeling uit te voeren. De Hoge Raad heeft echter in een vergelijkbare zaak onder meer overwogen:

Van de rechter kan (…) niet worden gevergd dat deze in elk concreet geval waarin de voorafgaande schuldbemiddeling is verricht door een persoon of instantie die niet valt onder art. 48 lid 1, onder b, c of d, onderzoekt of die bemiddeling van voldoende kwaliteit is geweest. (Hoge Raad 5 november 2010, LJN: BN8060)

De rechtbank is mede daarom van oordeel dat het feit dat Grip beschikt over NEN-certificaten niet maakt dat zij bevoegd is om schuldbemiddeling uit te voeren in de zin van art. 288 lid 2 sub b Fw. nu het niet de bedoeling is dat de rechtbank van elke schuldbemiddelaar onderzoekt of deze voldoet aan de kwaliteitseisen.

2.6. Grip stelt tenslotte nog dat de gemeente de verklaring schuldsanering als bedoeld in art. 285 lid 1 sub f Fw heeft gegeven en dat deze verklaring ertoe leidt dat de rechtbank kan aannemen dat het buitenwettelijk schuldbemiddelingstraject correct is verlopen. Zij wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2010, LJN BN8056, waarin art. 285 lid 1 sub f Fw in ruime zin wordt uitgelegd zodat deze verklaring ook door een advocaat kan worden gegeven.

2.7. De rechtbank volgt deze redenering van Grip niet. In de eerste plaats betreft het hier niet de verklaring schuldsanering maar het gehele minnelijk schuldbemiddelingstraject. Dat dient, volgens de wetgever, met waarborgen te zijn omkleed en die waarborgen zijn slechts verzekerd indien wordt voldaan aan art. 48 lid 1 WCK. In de tweede plaats is een advocaat aangewezen in art. 48 lid 1 WCK om het minnelijk traject uit te voeren en is het beroep van advocaat reeds op grond van de wet, onder meer de Advocatenwet, met waarborgen omkleed, ook waar het de financiën van de cliënt betreft. Een en ander maakt dat de rechtbank van oordeel is dat Grip niet voldoet aan het bepaalde in art. 48 lid 1 WCK en dat zij derhalve niet de bevoegde instantie was die het minnelijk traject kon uitvoeren.

2.8. Dat voor Grip grote belangen op het spel staan heeft de rechtbank hierbij in ogenschouw genomen, maar dit kan niet afdoen aan het bovenstaande.

2.9. Het voorgaande betekent dat verzoekers niet hebben voldaan aan het bepaalde in art. 288 lid 1 sub b Fw en dat de rechtbank het verzoek moet afwijzen. De wet biedt geen ruimte voor een toetsing naar redelijkheid nu dit een imperatieve afwijzingsgrond vormt.

3. De beslissing

3.1 De rechtbank

Wijst de verzoeken af.

Gewezen door mr. S.H. Bokx- Boom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

Verzoekers hebben gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het recht van hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.