Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR1674

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-05-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
11/792 en 793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking afwijzing voorlopige voorziening 287 lid 4 FW voorkoming gijzeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

rekestnummer: Rek 11/792 en 793

uitspraakdatum: 23 mei 2011

Voorlopige voorziening artikel 287 lid 4 Faillissementswet

in de zaak van [verzoekers],

beiden wonende te [woonplaats],

nader te noemen

verzoekers.

1. De gang van zaken en het verzoek

1.1 Bij vijf brieven van 1 februari 2011 heeft de Politie Gelderland-Midden verzoekster bericht dat haar diverse beschikkingen (CJIB-boetes) zijn opgelegd voor een totaalbedrag van € 401,26 en haar aangezegd dat bij niet voldoen van deze boetes in opdracht van de Officier van Justitie zal worden overgegaan tot gijzeling van verzoekster op grond van artikel 28 WAHV.

1.2 Bij drie brieven van 1 februari 2011 en bij brief van 21 maart 2011 heeft de Politie Gelderland-Midden verzoeker bericht dat hem diverse beschikkingen (CJIB-boetes) zijn opgelegd voor een totaalbedrag van € 523,13 en hem aangezegd dat bij niet voldoen van deze boetes in opdracht van de Officier van Justitie zal worden overgegaan tot gijzeling van verzoeker op grond van artikel 28 WAHV.

1.3 Bij brief van 30 maart 2011 heeft de Politie Gelderland-Midden verzoekster laten weten dat bij onherroepelijk vonnis van 14 april 2010, haar een boete is opgelegd door de kantonrechter te Nijmegen ad € 450,- (thans € 558,-) of negen dagen vervangende hechtenis en dat, indien verzoekster deze boete niet betaalt, de politie in opdracht van de Officier van Justitie het vonnis ten uitvoer zal leggen en verzoekster zal arresteren en insluiten.

1.4 Op 18 mei 2011 hebben verzoekers een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Verzoekers hebben op 20 mei 2011 gevraagd om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet ter voorkoming van een gijzeling van verzoekster op 24 mei 2011.

1.5 Het verzoek is ter zitting van deze rechtbank op 23 mei 2011 behandeld. Verzoekers zijn ter terechtzitting gehoord. Namens de gemeente Nijmegen en het Centraal Justitieel Incasso Bureau is niemand verschenen.

2. De standpunten van partijen

2.1 Verzoekers hebben ter zitting meegedeeld dat op 19 mei 2011 de politie bij hun voor de deur stond om verzoekster negen dagen te gijzelen voor diverse boetes. Volgens verzoekers kon de gijzeling alleen voorkomen worden als per direct een bedrag van € 738,- betaald zou worden.

2.2 Verzoekers hebben voorts ter zitting meegedeeld dat er sprake is van budgetbeheer, maar dat de boetes niet door de budgetbeheerder betaald kunnen worden. Verzoekers hebben tevens verklaard dat zij geen opvang voor hun drie kinderen hebben indien verzoekster gegijzeld zal worden. Verzoeker moet namelijk gewoon naar zijn werk, anders komt zijn baan op het spel te staan.

2.3 Ten slotte hebben verzoekers verklaard dat zij nimmer bij de kantonrechter zijn verschenen en ook geen beslissing van de kantonrechter hebben ontvangen. Volgens verzoekers heeft het vonnis van de kantonrechter van 14 april 2010 te maken met het feit dat zij hun auto, die uit de verzekering genomen was, gedurende drie weken aan de openbare weg hadden laten staan.

2.4 Er zijn geen standpunten van het CJIB en/of de Politie bekend.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat er sprake is van een spoedeisende situatie als

bedoeld in het vierde lid van artikel 287 lid 4 Faillissementswet, nu de politie heeft aangegeven verzoekster op 24 mei a.s. in detentie te zullen nemen.

3.2 De rechtbank stelt voorts vast dat er in deze zaak twee soorten boetes verschuldigd zijn, te weten diverse boetes die opgelegd zijn in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en een veroordelend vonnis van de kantonrechter te Nijmegen van 14 april 2011, dat volgens de brief van de politie Gelderland-Midden onherroepelijk is geworden.

3.3 De vraag is of verzoekster dreigt te worden gegijzeld op grond van artikel 28 WAHV, want alleen ter afwending van dit dwangmiddel kan een voorlopige voorziening worden getroffen. Op grond van artikel 28 WAHV kan de Officier van Justitie, indien niet of niet volledig verhaal heeft plaatsgevonden, bij de kantonrechter van de rechtbank een vordering instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor een administratieve sanctie is opgelegd het dwangmiddel gijzeling toe passen van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd. Door de gijzeling zal echter de boete niet komen te vervallen.

3.4 Verzoekers hebben desgevraagd ter zitting verklaard dat bij hun weten geen machtiging door de kantonrechter is gegeven tot gijzeling van verzoekster; voor een dergelijke zitting is verzoekster ook nooit uitgenodigd.

3.5 De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er geen gijzeling op de voet van artikel 28 WAHV dreigt, maar dat de Officier van Justitie wil overgaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 14 april 2010. In dat kader is er geen plaats voor het treffen van een voorlopige voorziening, aangezien het niet gaat om een dwangmiddel om betaling af te dwingen maar om de tenuitvoerlegging van een rechterlijk vonnis dat blijkbaar onherroepelijk is. Bovendien gaat het hier om vervangende hechtenis en zal door die tenuitvoerlegging de boete ook komen te vervallen, zodat er in het licht van de noodzakelijk geachte sanering van schulden geen contra-indicatie is. De rechtbank zal dan ook de verzoeken afwijzen.

3.6 Op de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal bij afzonderlijke uitspraak op 30 mei 2011 worden beslist.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1 wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. Vaessen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 23 mei 2011.

Door de verzoekesr en door de in de procedure verschenen belanghebbenden kan het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.