Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR1372

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
05/730374-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD voor afpersingen

Arnhem, 13 juli 2011 - De Rechtbank Arnhem heeft vandaag een 44-jarige man veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. De man had zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing in Beuningen en aan een voltooide afpersing van een taxichauffeur tijdens een ritje van Nijmegen naar Malden. De man was reeds vele malen eerder voor dergelijke delicten veroordeeld. Slachtoffers en getuigen durfden niet of nauwelijks te verklaren over verdachte uit angst voor zijn reactie.

De rechtbank acht een behandeling van verdachte noodzakelijk. In een inrichting voor stelselmatige daders zal verdachte worden gemotiveerd aan behandeling mee te werken en als hij niet meewerkt, blijft kale detentie over. De rechtbank is van oordeel dat een maatregel tot plaatsing in een dergelijke inrichting op dit moment de meest passende reactie is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/730374-11

Datum zitting : 29 juni 2011

Datum uitspraak : 13 juli 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 januari 2011 te Beuningen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich of

een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met voormeld oogmerk hij,

verdachte naar die [benadeelde partij] is gelopen en/of over die [benadeelde partij] stond gebogen en/of

met zijn, verdachtes vinger naar die [benadeelde partij] heeft gewezen en/of (met

stemverheffing) tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd: "je kunt me nu geld geven, of

je loopt maar mee naar buiten en dan lossen we het daar wel op" en/of "dit is

je laatste kans", althans woorden van dergelijke dreigende aard of strekking

heeft gebruikt en/of die [benadeelde partij] bij de keel, althans bij het lichaam heeft

vastgepakt en/of (vervolgens) heeft opgetild/van een stoel heeft getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 28 januari 2011 te Nijmegen en/of Malden, gemeente Heumen,

in een rijdende taxi op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan Taxibedrijf (taxibedrijf), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen een taxichauffeur, in dienst van dat taxibedrijf,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

die chauffeur een mes heeft laten zien en/of door de woorden: "ik schiet je

van een afstand zo door je kop" heeft gebruikt, althans woorden van dergelijke

dreigende aard of strekking en/of door zijn, verdachtes algehele manier van

praten en handelen een zodanige dreigende situatie heeft gecreëerd, waardoor

die chauffeur zich bedreigd heeft gevoeld ;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 29 juni 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van na te noemen bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten, die ook niet ter discussie staan, worden vastgesteld.

Verdachte heeft op 31 januari 2011 te Beuningen [benadeelde partij] bij de keel gepakt en van een stoel getrokken. Daarnaast heeft verdachte tegen die [benadeelde partij] gezegd: ‘"je kunt me nu geld geven, of je loopt maar mee naar buiten en dan lossen we het daar wel op" en "dit is je laatste kans".

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder feit 1 tenlastegelegde.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zijn eigen geld terugvroeg en dat het handelen daarom niet kan worden gekwalificeerd als een wederrechtelijke bevoordeling. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het causale verband ontbreekt tussen het gepleegde geweld en de wens van verdachte om het geld terug te krijgen. Verdachte heeft bij de politie immers verklaard dat hij boos was omdat iemand eten over hem heen had gegooid.

Subsidiair vraagt de verdediging zich af of [benadeelde partij] wel iets van de dwang heeft gevoeld en meer subsidiair heeft zij aangevoerd dat alleen het voltooide delict kan worden bewezen, omdat verdachte uiteindelijk wel zijn geld heeft gehad.

Beoordeling

Getuige [getuige1] heeft verklaard dat, toen hij met [benadeelde partij] [benadeelde partij] in de keuken was, [verdachte] (de rechtbank leest: verdachte) op een gegeven moment binnenkwam en hij [verdachte] toen hoorde zeggen: ‘He [benadeelde partij], ik krijg nog geld van jou’. [getuige1] zag dat [benadeelde partij] hierop wel zijn portemonnee uit zijn jas haalde, maar dat hij deze op zijn schoot neer legde. Hij hoorde dat verdachte vervolgens met stemverheffing zei: ‘Je kan me nu het geld geven of je loopt maar mee naar buiten en dan lossen we het daar wel op’. Hij zag dat verdachte daarbij een dreigende houding aannam. Hij zag dat [verdachte] over [benadeelde partij] heen boog en met zijn vinger naar [benadeelde partij] wees. Hij zag ook dat [verdachte] zijn wenkbrauwen fronste en erg boos keek. Vervolgens hoorde hij verdachte zeggen: ‘Dit is je laatste kans’. Toen [benadeelde partij] iets zei in de trant van ‘ik heb niets, je krijgt niets’, zag hij dat verdachte [benadeelde partij] bij zijn keel vastpakte en met zijn rechterhand de keel dichtkneep.

Getuige [getuige2] heeft eveneens verklaard dat zij hoorde dat [verdachte] tegen een cliënt zei dat hij zijn geld terug wilde hebben. Zij hoorde dat deze cliënt dit niet wilde geven en zag dat [verdachte] deze cliënt naar de keel greep met zijn hand en dat hij de keel ook dichtkneep. Zij zag ook dat verdachte deze cliënt van de stoel aftrok en omhoog trok, terwijl hij de keel dichtkneep.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte geweld en bedreiging met geweld heeft gepleegd met het oogmerk om verdachte te dwingen geld aan hem af te geven.

Dat verdachte heeft verklaard dat hij boos was, omdat iemand eten over hem heen had gegooid, doet daar niets aan af. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging dat het causale verband tussen het gepleegde geweld en verdachtes wens het geld van [benadeelde partij] terug te krijgen ontbreekt.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte niet wederrechtelijk is bevoordeeld, nu hij immers zijn eigen geld terugvroeg. Geld, waar hij recht op had.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Wederrechtelijke bevoordeling in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht moet, naar het oordeel van de rechtbank, ruim worden opgevat. Iedere verbetering van positie valt hieronder, mits het voordeel economische waarde heeft. Verdachtes positie is door het daadwerkelijk verkrijgen van het geld verbeterd ten opzichte van de positie die hij had vóór dat hij het geld afdwong. De rechtbank verwerpt het verweer.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat geen poging afpersing kan worden bewezen, nu verdachte uiteindelijk zijn geld heeft gekregen en er dus sprake is van een voltooid delict.

De rechtbank merkt hierover op dat [benadeelde partij] in eerste instantie geen geld aan verdachte heeft afgegeven, ook niet na de bedreiging met geweld en het geweld door verdachte. Daarmee kan de poging tot afpersing worden bewezen.

Dat verdachte het bedrag, waar hij naar eigen zeggen ook recht op had, uiteindelijk wel kreeg, doet daar niets aan af.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 31 januari 2011 te Beuningen,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich of

een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [benadeelde partij], met voormeld oogmerk hij,

verdachte naar die [benadeelde partij] is gelopen en/of over die [benadeelde partij] stond gebogen en

met zijn, verdachtes vinger naar die [benadeelde partij] heeft gewezen en (met

stemverheffing) tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd: "je kunt me nu geld geven, of

je loopt maar mee naar buiten en dan lossen we het daar wel op" en "dit is

je laatste kans", en die [benadeelde partij] bij de keel, althans bij het lichaam heeft

vastgepakt en (vervolgens) heeft opgetild/van een stoel heeft getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2

De feiten

Op grond van na te noemen bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten, die ook niet ter discussie staan, worden vastgesteld.

Verdachte bevond zich op 28 januari 2011 in een taxi van Taxibedrijf (taxibedrijf). Met de taxi is hij opgepikt bij bakkerij [bakkerij1] te Nijmegen en vervolgens is hij naar bakkerij (bakkerij3) te Malden gebracht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder feit 2 tenlastegelegde, bij gebrek aan objectief ondersteunend bewijs. Volgens de verdediging is het de verklaring van verdachte tegenover de verklaring van de taxichauffeur en dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Beoordeling

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Verdachte heeft zich op 28 januari 2011 rond 2.00 uur ’s nachts naar bakkerij [bakkerij1] begeven. Bakker [bakkerij1] heeft hierover verklaard dat [verdachte] zich bij de achterdeur van de bakker had gemeld en dat hij om geld had gevraagd. Toen [bakkerij1] dit weigerde, had verdachte gedreigd om zijn familie wat aan te doen en de boel in de fik te komen steken. Hij had hierbij flink op de muur geslagen. Vervolgens had [verdachte] gevraagd naar [betrokkene]. [bakkerij1] had hierop gezegd dat hij dan in Malden of Molenhoek moest zijn en hij had hierop een taxi voor verdachte besteld. Met deze taxi was [verdachte] vervolgens vertrokken.

De taxichauffeur, die door [bakkerij1] was opgebeld voor een ritje, heeft over die taxirit verklaard dat hij in de nacht van 27 januari 2011 op vrijdag 28 januari 2011 als taxichauffeur bij winkelcentrum ‘De Notenhout’ een passagier in heeft laten stappen. In de auto vertelde de passagier dat hij naar de Molenhoek moest, naar ene [betrokkene], die hem nog 5 ton schuldig was. De passagier vertelde verder, dat hij net 20 jaar vast gezeten had voor moord op zijn vrouw. De taxichauffeur verklaarde dat de passagier constant met een mes zat te spelen en dat hij kogelgaten had laten zien in zijn lijf en ook snijwonden. Daarnaast maakte de passagier opmerkingen als ‘ik schiet je van een afstand zo in je kop’ en vertelde hij dat hij de bakkerij [bakkerij2] in de fik zou steken. De taxichauffeur verklaarde dat de passagier op een gegeven moment naar de portemonnee van de taxichauffeur vroeg en dat hij vroeg hoeveel geld hij had. De taxichauffeur liet toen zijn portemonnee zien en die werd door de passagier afgepakt. In de portemonnee zat 30 euro. De taxichauffeur verklaarde dat hij aansluitend, op aanwijzen van de passagier, naar bakkerij [bakkerij3] te Malden gereden is, waar de passagier is uitgestapt en de taxichauffeur is weggereden.

[eigenaar taxibedrijf], eigenaar van Taxibedrijf [taxibedrijf] Nijmegen verklaarde dat in de nacht van 28 januari 2011 een chauffeur, die bij hem in dienst is, bedreigd was en van zijn ritten-/wisselgeld was beroofd. [eigenaar taxibedrijf] verklaarde: ‘Afgelopen nacht, 28 januari 2011, omstreeks 03.30 uur werd ik in mijn slaap gewekt doordat een chauffeur mij belde. Deze chauffeur vertelde onsamenhangend, alsof hij in paniek was, dat hij was overvallen door een grote man, zeker 2 meter lengte, vol met tattoos en hij had kogelgatenlittekens bij de grote man gezien. Volgens de chauffeur had de grote man verteld dat hij zijn vrouw had vermoord, dat zijn dochter in het kanaal was verdronken en dat er iets met een brand was geweest.’ [eigenaar taxibedrijf] verklaarde dat hij daarop naar de plek ging waar de chauffeur zich volgens eigen zeggen zou bevinden en dat hij daar toen de taxi met de taxichauffeur erin zag staan. De chauffeur had alle portieren vergrendeld en had hem verteld dat hij zijn passagier bij bakkerij [bakkerij3] te Malden had afgezet.

[eigenaar taxibedrijf] ging daarop naar bakkerij [bakkerij3] om te kijken of hij deze man vol met tattoos zou vinden. Bij bakkerij [bakkerij3] trof hij twee personen aan en nadat hij hen gevraagd had of zij een grote man met tatoeages hadden gezien, antwoordden beide personen dat ze niets met die persoon te maken wilde hebben.

Door de politie is op 28 januari 2011 een onderzoek ingesteld en daarbij is men naar bakkerij [bakkerij3] te Malden gegaan om te vragen of daar diezelfde nacht een persoon het bedrijf binnen was gelopen, welke daar niet thuis hoorde. Een medewerker antwoordde daarop dat hij wel een man had gezien die daar niet thuis hoorde en dat dit omstreeks 04.30 uur was. De medewerker omschreef de man als een man met een stevig postuur, opvallend dikke buik en dikke nek, blank huidskleur, tussen de 40 en 50 jaar oud. De man had gevraagd naar [betrokkene].

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de taxichauffeur op belangrijke punten wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Naast het verloop van de taxirit, wat wordt ondersteund door getuigen, zijn bijzondere details daarbij: de naam van [betrokkene], waar verdachte volgens verschillende getuigen naar zou hebben gevraagd, de bedreiging met het ‘in de fik steken van bakkerij [bakkerij2]’, die in de verklaring van bakker [bakkerij1] en in de verklaring van de taxichauffeur naar voren komt, en de verklaring van de taxichauffeur over het zien van kogelgatenlittekens, die past bij de verklaring van verdachte dat hij een litteken op zijn borst/buik heeft. Dat dit litteken volgens verdachte veroorzaakt zou zijn door prikkeldraad, neemt niet weg dat hij tegen de taxichauffeur kan hebben gezegd dat dit kogelgatenlittekens betroffen.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat bewezen word geacht dat:

2.

hij op 28 januari 2011 te Nijmegen en Malden, gemeente Heumen,

in een rijdende taxi op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, toebehorende aan Taxibedrijf [taxibedrijf], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een taxichauffeur, in dienst van dat taxibedrijf,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te

maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte

die chauffeur een mes heeft laten zien en door de woorden: "ik schiet je

van een afstand zo door je kop" heeft gebruikt, en door zijn, verdachtes algehele manier van praten en handelen een zodanige dreigende situatie heeft gecreëerd, waardoor

die chauffeur zich bedreigd heeft gevoeld ;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

‘poging tot afpersing’

Ten aanzien van feit 2:

‘afpersing’

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 26 mei 2011;

• een (beknopt) reclasseringsadvies van IrisZorg, gedateerd 25 maart 2011, betreffende verdachte;

• een reclasseringsadvies van IrisZorg, gedateerd 7 juni 2011, betreffende verdachte;

• een pro justitia rapport van [psychiater], psychiater, gedateerd 20 juni 2011, betreffende verdachte; en

• een pro justitia rapport van [psycholoog], psycholoog, gedateerd 24 juni 2011, betreffende verdachte.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich bij een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de reclassering en de psycholoog en psychiater. Wel heeft de verdediging de rechtbank gevraagd, bij oplegging van de ISD-maatregel, gebruik te maken van haar bevoegdheid om te bepalen dat de voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op duur van de ISD-maatregel.

Beoordeling

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing en aan een voltooide afpersing. Als verdachte zijn zin niet krijgt of hem iets niet zint, gebruikt hij zijn uitstraling, grootte en kracht om mensen te dwingen iets te doen. Verdachte laat zich door niets of niemand weerhouden.

Uit het dossier komt heel duidelijk naar voren dat slachtoffers en getuigen niet of nauwelijks durven te verklaren over verdachte uit angst voor zijn reactie. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk. Temeer ook nu hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.

Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt voorts dat verdachte reeds eerder ter zake van afpersing is veroordeeld.

De rechtbank overweegt dat in beginsel de ernst van de feiten een gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigen. De rechtbank is echter ook van oordeel dat verdachte behandeling nodig heeft om het recidiverisico zo veel mogelijk te verlagen. Dit blijkt ook uit de hierboven genoemde rapportages.

In een inrichting voor stelselmatige daders zal verdachte worden gemotiveerd aan behandeling mee te werken en als hij niet meewerkt, blijft kale detentie over. De rechtbank is van oordeel dat een maatregel tot plaatsing in een dergelijke inrichting op dit moment de meest passende reactie is.

De rechtbank stelt vast dat aan de in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan.

De bewezen verklaarde door verdachte begane strafbare feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Verdachte, die blijkens het genoemde uittreksel uit de Justitiële Documentatie reeds vele malen is veroordeeld voor diverse strafbare feiten, is in de vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld. De onderhavige misdrijven zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze sancties.

Er moet voorts ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit de hierboven genoemde reclasseringsadviezen van IrisZorg volgt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

Naar het oordeel van de rechtbank eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de ISD-maatregel. De maatregel strekt er toe de maatschappij te beveiligen en de kans op herhaling van het plegen van misdrijven door verdachte te verkleinen, mede door de verslaving van verdachte aan verdovende middelen te behandelen.

De verdediging heeft de rechtbank gevraagd de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten af te trekken van de duur van de maatregel. De rechtbank zal dit niet doen. Gelet op de ernst van de feiten en de tijd die waarschijnlijk nodig zal zijn om een mogelijke behandeling van de grond te krijgen, is de rechtbank van oordeel dat de volle twee jaren ten uitvoer gelegd moeten worden. Zij zal daarom de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, niet in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mrs. H.P.M. Kester-Bik (voorzitter), J.M. Hamaker en M.A.E. Somsen,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juli 2011.