Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0798

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
159170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaringszaak, hoofdelijke aansprakelijkheid voor schade; onderlinge verhouding art. 6:10 BW causaliteitsmaatstaf art. 6:101 BW; billijkheidscorrectie. Onherroepelijk gewezen strafvonnis levert dwingend bewijs op, behoudens tegenbewijs (art. 161 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 159170 / HA ZA 07-1274

Vonnis in vrijwaring van 22 juni 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. C.W. Langereis te Zevenaar,

tegen

[gedaagden]

Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en tezamen als [gedaagde sub 1] c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de drie conclusies van antwoord van gedaagden 1 tot en met 3

- de conclusie van repliek

- de twee conclusies van dupliek van gedaagden 1 en 2.

- de pleitaantekeningen van mr. Langereis voornoemd en mr. M.J.J.E. Stassen namens gedaagde 2.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 17 november 2003 is [slachtoffer], de dochter van [ouders van slachtoffer] (hierna te noemen: [ouders van slachtoffer].) door wurging om het leven gebracht, waarna haar lichaam in brand is gestoken. Haar lichaam was hierdoor dermate verminkt dat identificatie slechts mogelijk was aan de hand van gebitsgegevens.

2.2. [gedaagde sub 1] is bij onherroepelijk geworden arrest van het hof te Arnhem van 27 april 2005 veroordeeld voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer], alsmede het medeplegen van een lijk verbranden en wegvoeren met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar.

[gedaagde sub 2] is bij onherroepelijk geworden arrest van het hof te Arnhem van 3 december 2004 veroordeeld voor het medeplegen van moord op [slachtoffer], alsmede het medeplegen van een lijk verbranden en wegvoeren met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar met tbs.

[gedaagde sub 3] is bij onherroepelijk geworden arrest van het hof te Arnhem van 3 december 2004 veroordeeld voor het medeplegen van moord op [slachtoffer], alsmede het medeplegen van een lijk verbranden en wegvoeren met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar.

[eiseres] is bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Arnhem van 19 oktober 2004 veroordeeld wegens het opzettelijk nalaten op een tijdstip waarop het misdrijf nog kan worden voorkomen, tijdig kennis te geven hetzij aan de ambtenaren van justitie of politie, hetzij aan de bedreigde van kennis die werd gedragen van een voornemen tot het plegen van moord, terwijl het misdrijf is gevolgd. Zij is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vier jaar.

2.3 [ouders van slachtoffer]. hebben in de hoofdzaak (151409/HA ZA 07-152) gevorderd, kort gezegd, dat [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de immateriële en materiële schade die zij hebben geleden en lijden ten gevolge van de dood van hun dochter [slachtoffer] die slachtoffer is geworden van het onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres].

2.4 Bij eindvonnis van 13 april 2011 heeft de rechtbank in de hoofdzaak, kort gezegd, voor recht verklaard dat [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [ouders van slachtoffer]. ten gevolge van het misdrijf van 17 november 2003 geleden en te lijden materiële en immateriële schade, en [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [ouders van slachtoffer]. van de geleden en te lijden materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.5 Bij hetzelfde vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [ouders van slachtoffer]. in verband met het overlijden van [slachtoffer] geleden schade als bedoeld in artikel 6:108 BW en [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [ouders van slachtoffer]. van deze schade, nader op te maken bij staat en op te maken volgens de wet.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - samengevat - dat [gedaagde sub 1] c.s. worden veroordeeld om aan [eiseres] te betalen al hetgeen waartoe [eiseres] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de kosten van de vrijwaring.

3.2. [gedaagde sub 1] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Gelet op het door de rechtbank gewezen eindvonnis van 13 april 2011 in de hoofdzaak tussen [ouders van slachtoffer]. enerzijds en [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] anderzijds, dient in deze vrijwaringszaak tot uitgangspunt te worden genomen dat [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [ouders van slachtoffer]. in verband met het overlijden van [slachtoffer] geleden schade als bedoeld in artikel 6:108 BW.

4.2 Artikel 6:102 lid 1 BW bepaalt dat indien op ieder van twee of meer personen een verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade, zij dan hoofdelijk zijn verbonden. Voor de bepaling van hetgeen deze personen krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. De maatstaf van artikel 6:101 BW brengt mee dat de schade over de hoofdelijk aansprakelijke personen dient te worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (de causaliteitsmaatstaf), met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (billijkheidscorrectie).

4.3 Voor de toepassing van deze maatstaf is dus in de eerste plaats van belang in hoeverre de enerzijds aan [gedaagde sub 1] c.s. en anderzijds aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden aan de door [ouders van slachtoffer]. geleden overlijdensschade hebben bijgedragen. Hierbij is van belang dat op grond van artikel 161 Rv geldt dat een onherroepelijk gewezen strafvonnis dwingend bewijs oplevert van de daarin bewezen feiten, behoudens tegenbewijs.

4.4 Ten aanzien van [gedaagde sub 1] c.s. is bewezen verklaard dat zij, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, op of omstreeks 17 november 2003 opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven hebben beroofd hierin bestaande dat na kalm beraad en rustig overleg zij [slachtoffer] in een auto hebben doen plaatsnemen met [gedaagde sub 1] c.s. en zij vervolgens de keel/hals van [slachtoffer] met hun handen en een touw hebben dichtgeknepen, waarna zij is overleden, waarna vervolgens [gedaagde sub 1] c.s. haar stoffelijk overschot hebben verbrand. Geen van de partijen heeft in dit geding relevante feiten en omstandigheden gesteld die, na bewijslevering, tot ontzenuwing kunnen leiden van deze in de strafzaken ten aanzien van [gedaagde sub 1] c.s. bewezen verklaarde feiten. Voornoemde in de strafzaken tegen [gedaagde sub 1] c.s. bewezen verklaarde feiten hebben in dit geding dan ook als vaststaand te gelden.

4.5 Ten aanzien van [eiseres] is bewezen verklaard dat zij, zakelijk weergegeven voor zover hier van belang, in of omstreeks de periode van oktober 2003 tot en met 17 november 2003 kennis droeg van een voornemen tot moord op [slachtoffer] en dat zij heeft nagelaten op een tijdstip waarop het plegen van die moord nog kon worden voorkomen daarvan kennis te geven aan een politie- of justitieambtenaar of aan [slachtoffer]. Op grond van dit dwingende bewijs staat, behoudens tegenbewijs, dus vast, dat [eiseres] (via [gedaagde sub 2]) op de hoogte was van plannen om [slachtoffer] te vermoorden en dat [eiseres] daar niets mee heeft gedaan en daarover heeft gezwegen tegen [slachtoffer] en politie en justitie.

4.6 [eiseres] heeft tegenbewijs aangeboden. In dat verband voert zij aan dat zij ten onrechte is veroordeeld door de rechtbank en dat zij, zo blijkt ook uit het overgelegde advies van de geraadpleegde professor [B], goede kansen op vrijspraak zou hebben gehad in hoger beroep wegens ten onrechte bewezenverklaring door de rechtbank van de in het ten laste gelegde besloten liggende opzet. Dit betoog, dat er in de kern op lijkt neer te komen dat artikel 161 Rv geen dwingend bewijs oplevert nu [eiseres] goede kansen had in appel in welk geval een veroordeling mogelijkerwijs van de baan zou zijn geweest, gaat niet op. Het heeft [eiseres] vrijgestaan hoger beroep aan te tekenen tegen de strafrechtelijke veroordeling. Nu zij dit heeft nagelaten is sprake van een onherroepelijk strafvonnis waaraan in de civiele procedure de betekenis toekomt die artikel 161 Rv daaraan verbindt. De vraag of een hoger beroep tegen het strafvonnis kans van slagen zou hebben gehad, speelt daarbij geen rol. [eiseres] heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander bewijsoordeel zouden kunnen leiden en evenmin aangegeven op welk nieuw bewijsmateriaal zij zich wil beroepen dat nog niet in het bewijsoordeel van de strafrechter is meegewogen. Voor toelating tot tegenbewijs is daarom geen grond. Daarmee staan de in de strafzaak van [eiseres] bewezen verklaarde feiten in dit geding vast.

4.7 Laatstbedoelde vaststaande feiten gelden in het kader van de maatstaf van artikel 6:102 lid 2 BW, in verbinding met artikel 6:101 BW als aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden. [eiseres] stelt dat deze feiten niet hebben bijgedragen aan de door [ouders van slachtoffer]. geleden overlijdensschade. Volgens [eiseres] zou [gedaagde sub 2] in een gesprek met haar en haar reclasseringsmedewerkster hebben verklaard dat [slachtoffer] hoe dan ook door hem vermoord zou zijn, ook al was [eiseres] naar de politie gestapt.

4.8 Aldus stelt [eiseres] dat geen sprake is van causaal verband tussen het vaststaande onrechtmatig handelen van [eiseres] en de dood van [slac[ouders van slachtoffer]. De hier aan de orde zijnde norm - neergelegd in artikel 136 Sr - komt er op neer dat degene die kennis draagt van een - in dit geval - voorgenomen moord hiervan tijdig, voordat de moord is gepleegd, kennis moet geven aan de ambtenaren van politie en justitie of aan de bedreigde zelf. Deze norm beoogt specifiek te beschermen tegen de verwezenlijking van het voornemen waarvan men kennis draagt, in dit geval moord. Uitgangspunt is dan ook dat indien [eiseres] destijds [slachtoffer] en/of de politie tijdig van de voorgenomen moord op de hoogte had gesteld, maatregelen genomen hadden kunnen worden die uitvoering van de moord hadden verijdeld. In dit geding rust op [eiseres] de stelplicht en bewijslast van de aan haar eis ten grondslag gelegde stelling dat het causaal verband tussen haar nalaten en de moord ontbreekt. Zoals uit het navolgende zal blijken, kan echter in het midden blijven of dit causaal verband bestaat. Aangezien het bewijs daarvan niet ter zake dienend is, zal aan [eiseres] geen bewijsopdracht worden verstrekt.

4.9 Zoals hiervoor is overwogen, dient bepaald te worden in welke mate de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (de causaliteitsmaatstaf), met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (billijkheidscorrectie). De rechtbank is van oordeel dat - veronderstellenderwijs uitgaande van causaal verband tussen het nalaten van [eiseres] en de moord - niet vastgesteld hoeft te worden in welke mate de aan [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, omdat in dit geval vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten de billijkheid vereist dat in de rechtsverhouding tussen [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] de gehele door [ouders van slachtoffer]. geleden overlijdensschade voor rekening van [gedaagde sub 1] c.s. dient te komen. Het handelen van [gedaagde sub 1] c.s. bestaat uit het plegen van een weerzinwekkende moord. [slachtoffer] is op 17 november 2003 nietsvermoedend met [gedaagde sub 1] c.s. een autoritje gaan maken waarna zij vervolgens langdurig is gewurgd doordat met handen en een touw haar hals/keel werd dichtgeknepen. Na een doodsstrijd die mogelijk een half uur heeft geduurd hebben [gedaagde sub 1] c.s., nadat [slachtoffer] was overleden, haar lichaam weggevoerd, met benzine overgoten en in brand gestoken waardoor het gruwelijk werd verminkt. [eiseres] valt te verwijten dat zij kennis droeg van een voornemen tot moord op [slachtoffer] en dat zij heeft nagelaten daarvan tijdig kennis te geven aan een politie- of justitieambtenaar of aan [slachtoffer]. Weliswaar is zij hiervoor strafrechtelijk veroordeeld tot vier maanden voorwaardelijke jeugddetentie en heeft zij daarmee tevens onrechtmatig gehandeld jegens [ouders van slachtoffer]., maar deze aan [eiseres] verweten gedragingen zijn qua aard en ernst van een geheel andere orde dan de door [gedaagde sub 1] c.s. gepleegde moord. [eiseres] heeft op geen enkele wijze deelgenomen aan de hiervoor beschreven door [gedaagde sub 1] c.s. feitelijk uitgevoerde gewelddadige handelingen welke rechtstreeks hebben geleid tot de dood van [slachtoffer].

4.10 Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] voor de door [ouders van slachtoffer]. geleden overlijdensschade, brengt het voorgaande voor de onderlinge verhouding tussen [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] mee dat [eiseres] niet aan deze schuld hoeft bij te dragen. Dit betekent dat voor zover [eiseres] in verband met haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens [ouders van slachtoffer]. enig bedrag heeft voldaan of nog zal voldoen, zij het aldus betaalde op de voet van artikel 6:10 lid 2 BW op [gedaagde sub 1] c.s. kan verhalen. Aangezien de hieruit voortvloeiende aansprakelijkheid geen hoofdelijke is, kan [eiseres] ieder van [gedaagde sub 1] aanspreken tot het ten hoogste één-derde van deze totale schuld.

4.11 [gedaagde sub 1] c.s. zullen worden veroordeeld om – ter zake van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] voor de door [ouders van slachtoffer]. geleden overlijdensschade – aan [eiseres] te betalen al hetgeen van deze schuld ten laste van [eiseres] is gedelgd, met dien verstande dat ieder van [gedaagde sub 1] c.s. niet gehouden is aan [eiseres] meer te betalen dan één-derde van voornoemde schuld.

4.12 [gedaagde sub 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op:

- dagvaarding € 252,93 (3 x € 84,31)

- salaris advocaat € 1.808,00 (4 punten × tarief II à € 452,00)

Totaal € 2.060,93.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om – ter zake van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. en [eiseres] voor de door [ouders van slachtoffer]. geleden overlijdensschade – aan [eiseres] te betalen al hetgeen van deze schuld ten laste van [eiseres] is gedelgd, met dien verstande dat ieder van [gedaagde sub 1] c.s. niet gehouden is aan [eiseres] meer te betalen dan één-derde van voornoemde schuld,

5.2 veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.060,93, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. C.M.E. Lagarde en mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.