Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0780

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
194867
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BY9671, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil met betrekking tot de wielerronde Eneco Tour (Benelux Toer). Hoofdsponsor Eneco heeft in strjid gehandeld met hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Toe-eigening door Eneco van de in de loop der jaren door de stichting Ronde van Nederland opgebouwde infrastructuur van de ronde van Nederland alsmede de door de stichting opgebouwde kennis, zonder daarvoor een vergoeding aan de stichting te willen betalen.

Vraag of Eneco en enkele Belgische vennootschappen als gevolg van een kort gedingvonnis dwangsommen hebben verbeurd wordt ontkennend beantwoord.

Volgt verwijzing naar schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 194867 / HA ZA 10-34

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING RONDE VAN NEDERLAND,

statutair gevestigd te Vught, kantoorhoudende te Heilig Landstichting,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAL CYCLING SPORTS ORGANISATIONS B.V.,

statutair gevestigd te Nijmegen, kantoorhoudende te Heilig Landstichting,

eiseressen,

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ENECO HOLDING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

2. de vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht

SPORTINEZ VZW,

gevestigd te Zichem, België,

gedaagde,

advocaat mr. D.P. Cras te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar Belgisch recht

BORA BVBA,

gevestigd te Tessenderlo, België,

gedaagde,

advocaat mr. D.P. Cras te Amsterdam,

4. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

GOLAZO SPORTS N.V.,

gevestigd te Paal-Beringen, België,

gedaagde,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam.

Partijen zullen hierna respectievelijk de stichting (eiseres sub 1), ICSO (eiseres sub 2), Eneco (gedaagde sub 1), BRRC - welke naam op 21 december 2007 is gewijzigd in Sportinez - (gedaagde sub 2), Bora (gedaagde sub 3) en Golazo (gedaagde sub 4) worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 mei 2010

- de akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis van de stichting en

ICSO

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 9 augustus 2010

- de antwoordakte van Eneco en Golazo

- het proces-verbaal van niet gehouden voortgezette comparitie na antwoord van 24 januari

2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tot en met 2004 werden in Nederland en België meerdaagse profwielerwedstrijden georganiseerd onder de namen Ronde van Nederland en Ronde van België. Deze nationale wielerwedstrijden werden georganiseerd met licenties van de landelijke wielerfederaties. De Ronde van Nederland werd sinds medio jaren ’70 van de vorige eeuw georganiseerd door de stichting en haar rechtsvoorganger en werd in week 34 van ieder kalenderjaar verreden. Eneco was vanaf 2001 als hoofdsponsor verbonden aan de Ronde van Nederland.

2.2. In 2004 heeft de overkoepelende internationale wielerfederatie Union Cycliste Internationale (hierna: UCI) het profwielrennen gereorganiseerd. Alle grote rondes (de Tour de France, de Ronde van Italië en de Ronde van Spanje), de wereldbekerwedstrijden en de wedstrijden buitencategorie werden samengevoegd in de zogeheten ProTour. De Ronde van Nederland en de Ronde van België konden ieder afzonderlijk geen deel gaan uitmaken van de ProTour. UCI heeft in dit kader bepaald dat een Benelux Tour wel deel zou kunnen uitmaken van de ProTour.

2.3. De voor deze Benelux Tour benodigde licentie is uiteindelijk door UCI verleend aan de stichting en de vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht Belgium Road Runners Club (hierna: BRRC). In de daartoe op 16 november 2004 tussen de stichting en BRRC gesloten licentieovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

Ondergetekenden:

Stichting Ronde van Nederland (…)

en

BRRC (…)

In aanmerking nemende dat:

• De partijen gezamenlijk een licentie zullen ontvangen voor het organiseren van een meerdaags evenement in de UCI Pro Tour;

• Dat dit evenement zal bestaan uit een meerdaagse wielerwedstrijd voor professionals in de Benelux;

• Dat deze licentie wordt verstrekt door de UCI (Union Cycliste Internationale).

Verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

Artikel 1 Eigendom van de licentie

De licentie is voor 50% eigendom van ieder der in deze overeenkomst betrokken partijen.

Artikel 2 Overdraagbaarheid van het eigendom van de licentie

Het eigendom van de licentie is door de partijen, noch geheel, noch gedeeltelijk overdraagbaar zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de wederpartij.

Artikel 3 Ondeelbaarheid

Het 50% eigendomsrecht van ieder der partijen is op geen enkele wijze deelbaar.

Artikel 4 Gebruik van de licentie

Het gebruik van de licentie wordt exclusief toegestaan aan een V.O.F. die wordt opgericht ten behoeve van de organisatie van het evenement waarvoor de licentie is bedoeld. Deze V.O.F. zal voor 50% eigendom zijn van Octagon CIS die hiertoe een overeenkomst heeft afgesloten met BRRC vzw, en voor 50% eigendom zijn van een door de Stichting Ronde van Nederland op te richten rechtspersoon.

Artikel 5 Verlenging van de licentie

De licentie zoals omschreven in de considerans heeft een geldigheidduur van vier jaren. Partijen zullen na deze periode opnieuw uitsluitend gezamenlijk een licentieaanvraag doen m.b.t. het onderhavige evenement, waarbij deze overeenkomst voor de periode waarvoor de nieuwe licentie wordt verleend zal worden verlengd.

Artikel 6 Bijzondere bepaling bij beëindiging van de overeenkomst

Indien Octagon CIS haar activiteiten binnen de V.O.F. staakt, of BRRC vzw deze overeenkomst wil beëindigen vervalt het eigendomsrecht op haar deel van de licentie aan de KBWB (Koninklijke Belgische Wielrijdersbond …).

2.4. Ter uitvoering van vorengenoemde licentieovereenkomst hebben de stichting en BRRC het exclusieve gebruiksrecht van de licentie via respectievelijk ICSO en (aanvankelijk Octagon CIS N.V. - thans geheten Golazo - en later vervangen door) Bora ingebracht in Eneco Tour Organisation V.O.F. (hierna: de VOF). Vennoten in de VOF zijn ICSO en Bora. Tot directeuren van de VOF zijn aangesteld, door ICSO de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en door Bora de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).

2.5. In de oprichtingsakte van de VOF (hierna: de VOF-overeenkomst), d.d. 4 maart 2005, is onder meer het volgende opgenomen:

4. Bepalingen vennootschap onder firma

Naam, doel

Artikel 1

1.1. De vennootschap treedt op onder de naam: V.O.F. ENECO Tour Organisation, hierna ook te noemen: de vennootschap.

1.2. De vennootschap heeft tot doel het voor gemeenschappelijke rekening exploiteren van een door de UCI verleende Pro Tour-licentie (deze licentie hierna te noemen: de licentie) rechtgevend op het organiseren van een wielerronde in de Benelux (deze wielerronde hierna te noemen: de wielerronde).

1.3. De licentie is verstrekt aan:

- de stichting (…)

- (…) BRRC

tezamen.

De vennootschap is op grond van een licentieovereenkomst gerechtigd tot het

exploiteren van de licentie.

Duur

Artikel 2

De vennootschap is met ingang van heden aangegaan voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van de licentie, eventuele verlengingen daaronder begrepen.

Inbreng

Artikel 3

3.1. Behalve werkkracht brengt elke vennoot in de vennootschap een kapitaalinbreng in

door éénmalige storting per vennoot van een bedrag groot éénhonderdduizend euro

(€ 100.000,00).

3.2. Aanvullende inbreng kan slechts met medewerking van de medevennoot geschieden en

dient schriftelijk te worden vastgelegd.

3.3. Ieder der vennoten is voor 50 procent (50%) in het vermogen der vennootschap

gerechtigd.

Ontbinding

Artikel 12

12.1 De vennootschap wordt ontbonden:

(…)

12.1.2 door opzegging door een vennoot indien, gelet op de gedragingen van de andere

vennoot, in redelijkheid van hem niet gevergd kan worden dat hij de

vennootschap voortzet;

12.1.3 door opzegging door een vennoot op andere gronden dan die hiervoor onder 2

genoemd;

(…)

12.1.6. indien de vennootschap geen houder meer is van de licentie.

12.2 Opzegging als bedoeld in lid 1 onder 2 dient schriftelijk plaats te vinden kan slechts

geschieden met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

Recht op voortzetting

Artikel 13

Indien de vennootschap ontbonden wordt doordat een van de in artikel 12 lid 1 onder 2 tot en met 5 genoemde omstandigheden zich voordoet ten aanzien van een der vennoten, heeft (…) de opzeggende vennoot in het geval als bedoeld in voormelde bepaling onder 2 het recht tot voortzetting van de activiteiten van de vennootschap overeenkomstig het in artikel 14 bepaalde.

Voortzetting, overneming en verblijving

Artikel 14

14.1 De vennoot aan wie het in artikel 13 bedoelde recht toekomt, moet binnen twee

maanden na de ontbinding schriftelijk meedelen aan de voormalige medevennoot of

diens rechtsopvolgers dat hij van het recht gebruik wil maken, op straffe van verval

van het recht.

14.2 Het recht houdt in om alleen of met anderen de activiteiten van de vennootschap voort

te zetten, onder de verplichting en met het recht alle tot het vennootschapsvermogen

behorende vermogensbestanddelen over te nemen, zich te laten toedelen of, wat de

schulden en rechtsverhoudingen betreft, voor zijn rekening te nemen en aan de andere

vennoot of diens rechtsopvolgers in geld uit te keren de waarde van diens aandeel in

dit vermogen.

14.3 Onder deze vermogensbestanddelen zijn begrepen die welke slechts in economische

zin in de vennootschap zijn ingebracht, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen

verzet.

14.4 De vennoot, die gebruik maakt van het recht tot voortzetting, kan het recht tot

overneming als bedoeld in lid 2 vervangen door het recht tot het (vertraagd)

verblijven van alle vermogensbestanddelen aan hem, mits een daarop gerichte

verklaring gelijktijdig wordt afgelegd met de mededeling als bedoeld in lid 1.

2.6. Op 15 maart 2005 is tussen de VOF en Eneco een sponsorovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

In aanmerking nemende:

• Dat de VOF de exploitatie van een licentie verwerft om een meerdaagse wielerwedstrijd voor Elite-renners met contract te organiseren in het kader van de UCI Pro Tour in de landen Nederland, België en Luxemburg, deze wedstrijd is hierna te noemen “ENECO Tour”;

• Dat zowel BRRC als Stichting RvN de exploitatie van de licentie aan geen enkele andere partij zullen toestaan dan de VOF, zowel tijdens de volledige duur van deze overeenkomst en indien ENECO gebruik maakt van haar recht de overeenkomst te verlengen, tot en met de einddatum van de periode waarvoor de overeenkomst wordt verlengd;

• Dat de eerste editie van de ENECO Tour georganiseerd wordt van 3 augustus 2005 tot en met 10 augustus 2005;

• Dat de volgende edities van de ENECO Tour zullen worden gehouden in augustus van het jaar, tenzij partijen met elkaar overeenkomen dat voor een andere periode wordt gekozen;

• Dat ENECO gebruik wenst te maken van de commerciële mogelijkheden die de VOF haar biedt;

• Dat ENECO als naamgever zal optreden tijdens de komende vier edities van de ENECO Tour;

• Dat partijen in dit kader met elkaar de volgende overeenkomst wensen te sluiten.

Verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

Artikel 1 Samenvatting

De VOF geeft het recht aan ENECO, welk recht door ENECO wordt aanvaard, om op te treden als enige titelsponsor en naamgever van de ENECO Tour, die met ingang van 2005 zal worden georganiseerd als onderdeel van de UCI Pro Tour.

Artikel 2 Duur van de overeenkomst en optie

2.1 De overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van vier edities van de ENECO Tour. Deze overeenkomst vangt aan op 1 januari 2005 en eindigt van rechtswege twee maanden na afloop van de ENECO Tour in het jaar 2008.

2.7. Als gevolg van een reeks van incidenten is de verhouding tussen de stichting, ICSO en [betrokkene 1] enerzijds en Bora, BRRC, [betrokkene 2] en Eneco anderzijds verstoord.

2.8. Bij brief van 11 augustus 2006 aan de directeuren van de VOF, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], heeft Eneco de sponsorovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. Vanwege het feit dat de start van de Eneco Tour 2006 - hierna zal telkens worden gesproken van Benelux Tour - voor de deur stond, heeft Eneco de opzegging van de sponsorovereenkomst vervolgens opgeschort tot 24 augustus 2006, onder de voorwaarde dat de VOF ervoor zou instaan dat [betrokkene 1] geen enkele officiële functie zou bekleden tijdens de Benelux Tour 2006. Op 14 augustus 2006 heeft Eneco deze voorwaarde ingetrokken.

2.9. Bij ongedateerde brief (waarvan de stichting en ICSO hebben gesteld deze op 2 november 2006 te hebben ontvangen) hebben Bora en BRRC de VOF-overeenkomst opgezegd op grond van artikel 12.1.2 van deze overeenkomst wegens de onhoudbaarheid van de samenwerking tussen partijen en in het bijzonder het gedrag van [betrokkene 1].

2.10. Op 6 november 2006 heeft ICSO de VOF-overeenkomst opgezegd, eveneens op grond van - kort gezegd - de gebrekkige samenwerking.

2.11. Eneco heeft op 8 december 2006 een verzoekschrift bij deze rechtbank ingediend strekkende tot het ontslag van [betrokkene 1] als bestuurder van de stichting en tot het treffen van voorlopige voorzieningen in het bestuur van de stichting. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2007 is [betrokkene 1] ontslagen als bestuurder van de stichting. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem van 17 juni 2008 is voornoemde beschikking vernietigd en zijn de verzoeken van Eneco alsnog afgewezen.

2.12. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 3 januari 2007 is onder meer het volgende overwogen, respectievelijk beslist.

4. De beoordeling

4.3. Voorop wordt gesteld dat op grond van de licentieovereenkomst (zie r.ov. 2.3.) de Pro-Tour licentie voor 50% eigendom is van zowel de stichting als BRRC (artikel 1), dat deze eigendom noch geheel, noch gedeeltelijk overdraagbaar is zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de ander (artikel 2), dat het 50% eigendomsrecht op geen enkele wijze deelbaar is (artikel 3) en dat het gebruik van de licentie exclusief wordt toegestaan aan een daartoe opgerichte VOF (artikel 4).

En uit de VOF-overeenkomst volgt dat de VOF tot doel heeft het voor gemeenschappelijke rekening exploiteren van een door UCI verleende Pro-Tour licentie op het organiseren van een wielerronde in de Benelux (artikel 1.2) en dat de VOF op grond van de licentie-overeenkomst gerechtigd is tot het exploiteren van die licentie (artikel 1.3).

De vennoten, ICSO en Bora, hebben aan beide directeuren van de VOF ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) volmacht verleend om de VOF te vertegenwoordigen, zodanig dat de directeuren steeds slechts gezamenlijk tot vertegenwoordiging zijn bevoegd (artikel 8.3).

4.4. Voor de beoordeling is voorts van belang dat partijen het erover eens zijn, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken, dat de licentiehouders niet zonder medewerking van de ander van (elkaars deel van) de Pro-Tour licentie gebruik mogen maken. Bovendien moet er in het kader van dit geding van worden uitgegaan dat als gevolg van de opzegging van de VOF-overeenkomst door Bora en BRRC deze overeenkomst op grond van het bepaalde in artikel 12.2 (zie 2.5.) eindigt op 2 februari 2007.

4.5. Het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien – leidt voorshands geoordeeld tot de conclusie dat de VOF, zolang zij bestaat, exclusief is gerechtigd tot het exploiteren van de licentie en dat zij derhalve het nodige mag doen met het oog op de organisatie van de Eneco Tour. Daarin brengt de opzegging door Bora en BRRC voor wat betreft de periode van de opzegtermijn geen verandering. Dit betekent dat het Bora en BRRC wel is toegestaan activiteiten gericht op de organisatie van de Eneco Tour in het kader van de VOF voort te zetten, maar niet om dergelijke activiteiten buiten het kader van de VOF te ontplooien. Daarbij zijn zij uiteraard gebonden aan de ter zake tussen partijen geldende contractuele verbintenissen.

4.6. Uit de stukken en ter zitting is duidelijk geworden dat het zogenaamde Nederlandse deel van de Eneco Tour wordt georganiseerd door de stichting en/of ICSO en dat het zogenaamde Belgische deel wordt georganiseerd door Bora en/of BRRC. Bora en BRRC hebben aangegeven dat zij geen activiteiten in het kader van de Eneco Tour in Nederland ontplooien en dat zij dat ook niet van plan zijn zolang de VOF exclusief is gerechtigd om de licentie te exploiteren. Deze activiteiten van Bora en BRRC spelen zich dus uitsluitend af in België.

4.7. Een en ander leidt ertoe dat deze vordering van de stichting en ICSO zal worden

toegewezen voor zover deze ziet op een verbod op activiteiten buiten verband van de VOF en op activiteiten in Nederland binnen verband van de VOF, zolang als de VOF exclusief is gerechtigd om de licentie te exploiteren, een en ander zoals hierna aan te geven. Er bestaat geen aanleiding daarbij te bepalen dat het op te leggen verbod zal gelden tot ten minste 1 februari 2007 nu, in elk geval in theorie, dat exclusieve recht van de VOF ook voordien zou kunnen eindigen.

4.13. Met betrekking tot het tweede deel van deze vordering, kort gezegd een verbod

om vaste relaties van de stichting te benaderen, wordt het volgende overwogen. Bora en BRRC hebben niet betwist dat de stichting een licentie heeft voor het organiseren van de Ronde van Nederland, welke zij tot 2005 gedurende een reeks van jaren jaarlijks heeft georganiseerd. Het is zeer aannemelijk dat de stichting in al die jaren goede contacten heeft opgebouwd met gemeentebesturen, sponsoren en wielerploegen. De voorzieningenrechter acht het daarom alleszins gerechtvaardigd dat Bora en BRRC deze relaties niet (zonder toestemming van de stichting) benaderen, zodat dit deel van de vordering ook zal worden toegewezen.

ten aanzien van de vordering tegen Eneco

4.14. Deze vordering ziet op een verbod voor Eneco om toe te staan dat de licentie voor de organisatie van de Eneco Tour wordt geëxploiteerd door Bora en/of BRRC. De stichting en ICSO stellen dat Eneco onrechtmatig jegens hen handelt door te weigeren de rechten van de stichting en ICSO te respecteren. Bovendien maakt Eneco misbruik van de wanprestatie van Bora en BRRC.

4.15. Vaststaat dat Eneco als hoofdsponsor vanaf het ontstaan van de Eneco Tour nauw betrokken is geweest bij en op de hoogte is geweest van de samenwerking tussen de stichting en ICSO enerzijds en Bora en BRRC anderzijds. Eveneens staat vast dat Eneco thans niet meer verder wil met [betrokkene 1] als directeur van de VOF.

4.16. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het Bora en BRRC niet toegestaan de organisatie van de Eneco Tour buiten het verband van de VOF alleen voort te zetten. De vordering ziet op juist die situatie. Uit het vorenstaande volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat Eneco zich dient te onthouden van actieve bemoeienis met de exploitatie van de licentie buiten het verband van de VOF door Bora en/of BRRC. De vordering zal dan ook in die zin worden toegewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. verbiedt Bora en BRRC om direct of indirect activiteiten te ondernemen buiten verband van de VOF en om activiteiten in Nederland te ondernemen binnen verband van de VOF zolang als de VOF exclusief is gerechtigd om de licentie te exploiteren, voor zover die activiteiten kunnen worden opgevat als het exploiteren van de licentie tot het organiseren van de Eneco Tour;

5.2. verbiedt Bora en BRRC zich in Nederland bij belanghebbenden zoals

gemeentebesturen, sponsoren en wielerploegen te presenteren als partij die bevoegd zou

zijn om activiteiten te ondernemen die kunnen worden opgevat als het exploiteren van de

licentie tot het organiseren van de Eneco Tour, zolang de VOF exclusief gerechtigd is om

de Pro-Tour licentie te exploiteren;

5.3. veroordeelt Bora en BRRC om, ingeval zij na betekening van dit vonnis

bovenstaand verbod onder 5.1 en 5.2 overtreden, aan de stichting en ICSO een dwangsom te betalen van € 25.000,00 per overtreding, echter met een maximum van € 400.000,00;

5.7. verbiedt Eneco om actief bij te dragen aan de exploitatie van de licentie voor de organisatie van de Eneco Tour door Bora en BRRC buiten het verband van de VOF;

5.8. veroordeelt Eneco om ingeval zij na betekening van dit vonnis bovenstaand verbod onder 5.7. overtreedt, aan de stichting en ICSO een dwangsom te betalen van € 100.000,00 per overtreding, echter met een maximum van € 1.000.000,00;

2.13. Omdat als gevolg van de opzegging van de sponsorovereenkomst en de VOF-overeenkomst, alsmede het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 januari 2007 het organiseren van een Benelux Tour niet mogelijk was, zijn partijen in overleg getreden om hun onderlinge verhoudingen te normaliseren, teneinde de organisatie van de Benelux Tour 2007 en 2008 tot een goed einde te brengen. Daartoe hebben partijen een (ongedateerde) vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze luidt voor zover van belang als volgt:

Artikel 1 Ontbinding vennootschap onder firma

Als gevolg van de opzegging door Bora is de V.O.F. ontbonden. Bora trekt deze opzegging hierbij met terugwerkende kracht in. Voor zover dat niet mogelijk zou zijn, gaan Bora en ICSO hierbij met terugwerkende kracht tot de datum waarop de opzegging zijdens Bora effectief is geworden een nieuwe vennootschap onder firma aan onder dezelfde condities en met dezelfde rechten en verplichtingen van de vennoten van de V.O.F.

ICSO verbindt zich binnen vijf werkdagen na ondersteuning van de Overeenkomst de heer [betrokkene 3] te benoemen als directeur van de vennootschap onder firma. De heer [betrokkene 1] zal gedurende de duur van de VOF geen functie als directeur van de VOF vervullen.

Bora verbindt zich binnen vijf werkdagen na ondertekening van de Overeenkomst de heer [betrok[betrokkene 2] te benoemen als directeur van de vennootschap onder firma.

Artikel 2 [betrokkene 1] van [betrokkene 4]

[betrokkene 1] zal zich inzetten voor de organisatie van de Eneco Tour 2007.

[betrokkene 1] respecteert de beschikking van 30 januari 2007, gegeven door de Rechtbank te Arnhem met zaaknummer 149490 / KV RK 06-1509, evenwel met dien verstande dat hij gebruik zal maken van het recht tegen deze beschikking beroep in te stellen bij het Gerechtshof te Arnhem.

ENECO Holding B.V. behoudt zich het recht voor eveneens tegen de beschikking beroep in te stellen.

[betrokkene 1] zal het daarheen leiden dat het door hem in te stellen beroep niet eerder bij het Gerechtshof te Arnhem zal dienen dan nadat de Eneco Tour 2007 heeft plaatsgevonden.

[betrokkene 1] zal zich inzetten voor de organisatie van de Eneco Tour 2007. Daarbij zal [betrokkene 1] in de luwte opereren (en derhalve niet op de voorgrond treden).

Bora en BRRC verbinden zich en staan ervoor in dat de heer B. [betrokkene 4] op geen enkele wijze betrokken zal zijn bij de (organisatie van) Eneco Tour.

2.14. Bij brief van 24 december 2007 heeft de heer [ ] [betrokkene 4], directeur a.i. Public Affairs en Corporate Communicatie van Eneco, onder meer het volgende aan de VOF bericht:

Conform hetgeen is overeengekomen in de huidige sponsorovereenkomst tussen ENECO Energie N.V. en de VOF ENECO Tour Organisation, stellen wij u hierbij officieel op de hoogte dat wij voornemens zijn om ook na de editie van de ENECO Tour in 2008 in principe verbonden te blijven aan een wielerevenement onder deze naam. Deze intentie staat onder het voorbehoud, dat de voorbereiding en het verloop van de editie 2008 eenzelfde goed organisatorisch verloop zullen kennen als de ENECO Tour van 2007.

2.15. Bij brief van 22 april 2008 heeft de heer J[betrokkene 5], directeur Public Affairs & Corporate Communications van Eneco (hierna: [betrokkene 5]), onder meer het volgende aan de VOF bericht.

Wij hebben vorig jaar en dit jaar eerder gesproken over het vervolg dat Eneco wenst te geven aan de sponsorovereenkomst met de VOF Eneco Organisation (VOF) van 15 maart 2005 (Sponsorovereenkomst).

De Sponsorovereenkomst duurt in beginsel voort tot twee maanden na afloop van de Eneco Tour van 2008. Mijn voorganger [ ] [betrokkene 4] heeft op 24 december 2007 een brief gestuurd aan de licentiehouders, de Stichting Ronde van Nederland (Stichting) en BRRC, waarin hij mededeelde dat Eneco de intentie heeft ook in de toekomst een wielerronde volgens het format van de Eneco Tour te blijven sponsoren.

Eneco heeft na uitvoerig beraad besloten niet door te gaan met de sponsoring van de Eneco Tour op basis van de huidige organisatiestructuur. Eneco wenst in de plaats daarvan zelf een aanvraag in te dienen voor een eigen licentie, die recht geeft op de organisatie van de Eneco Tour in de periode na 2008 in een nieuwe structuur.

(…)

Voor wat betreft de Eneco Tour van dit jaar zal Eneco de sponsoring zoals overeengekomen in de Sponsorovereenkomst in beginsel voortzetten, mits de organisatie daarvan per omgaande wordt opgepakt en zonder verdere problemen wordt voortgezet. Eneco zal zich inzetten om de Eneco Tour 2008 tot een succes te maken. Eneco hoopt en verwacht ook van de VOF en haar partners dat zij zich zullen inzetten om de Tour in 2008 tot een succes te maken.

2.16. Bij brief van 15 mei 2008 heeft [betrokkene 5] onder meer het volgende aan [betrokkene 1] bericht:

De bespreking met de heer [betrokkene 4] en de heer [betrokkene 6] van WSM betreft niet de Eneco Tour 2008 maar de periode vanaf 2009. Zoals ik in mijn brief van 22 april jl. heb laten weten en ook tijdens de zitting van 24 april jl. is medegedeeld, onderzoekt Eneco de mogelijkheden om een aanvraag in te dienen bij de UCI voor een eigen licentie, die recht geeft op de organisatie van de Eneco Tour in de periode na 2008. De gesprekken met onder andere de heren [betrokkene 4] en [betrokkene 6] hebben daarop betrekking.

2.17. Eneco heeft op 9 juli 2008 bij UCI een aanvraag voor een ProTour licentie 2009 ingediend. Het daarvoor gebruikte stuk, een zogenaamd ‘UCI Protour 2009 licence application form for event organisers’, luidt onder meer als volgt.

Event Owner:

Entity name: Eneco B.V.

(…)

Duly represented by:

Name: [ ]

Surname: [betrokkene 5]

Actual Event Organizer:

Name: Golazo Sports N.V.

(…)

Duly represented by:

Name: [ ]

Surname: [betrokkene 2]

(…)

Other intermediary:

Name: WSM Worldwide Sports management B.V.

(…)

Duly represented by;

Name: [ ]

Surname: [betrokkene 6]

2.18. Op 3 augustus 2008 heeft [betrokkene 1] namens het bestuur van de stichting een persbericht uitgegeven. Daarin is onder meer het volgende opgenomen.

De Stichting Ronde van Nederland heeft bij de UCI een licentie aangevraagd voor de Benelux Tour in ProTour verband voor de jaren 2009 – 2012.

Daarmee eindigt na zeven jaren de samenwerking met Eneco. De Stichting zal ook met een andere Belgische partner gaan samenwerken.

2.19. De licentiecommissie van UCI heeft vervolgens op 4 december 2008 een ProTour licentie verleend aan Eneco voor een periode van vier jaren, van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012.

2.20. Daarop heeft de stichting de afwijzing van haar licentieaanvraag onder toewijzing van de licentie aan Eneco aangevochten bij het Court of Arbitration for Sport (hierna: CAS) te Lausanne, Zwitserland. Bij brief van 22 december 2008 heeft de stichting haar ‘statement of appeal’ ingediend bij CAS. Op 22 januari 2009 heeft UCI haar ‘written response’ ingediend. Ten slotte heeft Eneco op 1 februari 2009 haar ‘statement of defence’ ingediend. Daarna zijn nog gevolgd de ‘written pleadings’ van de stichting (2 september 2009), de ‘additional written observations’ van de stichting (5 oktober 2009) en de ‘written response to additional written observations’ van Eneco (19 oktober 2009).

2.21. Gerechtsdeurwaarder E.B.H. Verdult heeft op verzoek van de stichting en ICSO op

15 september 2008 aan Eneco bevel gedaan om binnen twee dagen een bedrag van

€ 400.000,00 aan verbeurde dwangsommen te betalen ten behoeve van de stichting en ICSO. In dit dwangbevel is onder meer het volgende opgenomen.

dat rekwiranten hebben moeten constateren dat gerekwireerde zelf de licentie heeft aangevraagd voor de organisatie van de Tour 2009 en tevens gerekwireerde overleg heeft gevoerd met Bora om alleen afspraken te maken over de organisatie van de Tour 2009, waardoor gerekwireerde tweemaal in strijd handelt met het verbod en gerekwireerde aldus aan ieder van de rekwiranten een dwangsom verbeurd voor de som van € 200.000,00;

2.22. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 oktober 2008 is op vordering van Eneco onder meer de tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis van 3 januari 2007 door de stichting, ICSO en [betrokkene 1] geschorst, totdat onherroepelijk vast is komen te staan dat Eneco de dwangsommen moet voldoen. De stichting, ICSO en [betrokkene 1] hebben hoger beroep ingesteld tegen het kort gedingvonnis van 21 oktober 2008.

2.23. Bij brief van 31 december 2008 heeft de advocaat van de stichting en ICSO onder meer het volgende aan Bora en BRRC bericht:

8. Doordat Golazo Sports N.V. (te vereenzelvigen met Bora en BRRC) tezamen met Eneco een licentie aan heeft gevraagd voor het wielerevenement ter zake waarvan op 16 november 2004 een licentieovereenkomst werd gesloten, handelt Bora B.V.B.A. in strijd met artikel 5 van de licentieovereenkomst. Door deze sommeer ik u namens mijn cliënte mij binnen vijf werkdagen na heden schriftelijk te bevestigen dat u uw acitiveiten ten behoeve van de organisatie van de wielerronde waarvoor aan Eneco een licentie is verstrekt, zult staken en gestaakt zult houden, bij gebreke waarvan ik cliënte zal adviseren rechtsmaatregelen te treffen. Tevens stel ik u hierbij namens cliënte aansprakelijk voor alle schade die zij als gevolg van uw toerekenbare niet-nakoming lijdt.

9. Bovendien moet mijn cliënte vaststellen dat Golazo en Bora/BRRC systematisch de contacten van mijn cliënte benaderen om hen te interesseren voor het wielerevenement. Het gaat daarbij onder meer om start- en finishplaatsen waarmee mijn cliënte al sinds jaar en dag contacten onderhoudt. U trekt op deze onrechtmatige wijze profijt van de goodwill die mijn cliënte in meer dan 40 jaren heeft opgebouwd. Hierbij sommeer ik u namens mijn cliënte uw handelwijze te staken,bij gebreke waarvan ik cliënte zal adviseren rechtsmaatregelen te treffen.

10. Ik wijs erop dat de Voorzieningenrechter in Arnhem in zijn vonnis van 3 januari 2007 Bora en BRRC heeft verboden om vaste relaties die de stichting onderhoudt met de gemeentebesturen, sponsoren en wielerploegen, systematisch direct of indirect te benaderen ter zake een door hen te organiseren wielerronde (zie vonnis, petitum sub 5.5). Op overtreding van het verbod is een dwangsom van € 25.000,00 gesteld.

11. Mijn cliënte moet constateren dat u onder meer Sittard-Geleen, Roermond en Amersfoort heeft benaderd. Mijn cliënte kan bewijzen dat deze steden tot haar vaste relaties behoren. Hierbij deel ik u dan ook mede dat Bora B.V.B.A. een bedrag van € 75.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd. Door deze verzoek ik u, voor zoveel nodig onder sommatie, dit bedrag binnen vijf werkdagen na heden over te maken (…).

2.24. Op 24 juni 2009 heeft de advocaat van de stichting Bora en BRRC nogmaals gesommeerd een bedrag van € 75.000,00 aan dwangsommen te voldoen.

2.25. Bij arrest van het gerechtshof Arnhem van 29 september 2009 is het kort gedingvonnis van 21 oktober 2008 bekrachtigd. Daarbij is onder meer het volgende overwogen:

4.6. Uit de bewoordingen van het aan Bora en BRRC in het vonnis van 3 januari 2007

opgelegde verbod “activiteiten te ondernemen buiten het verband van de VOF en om activiteiten in Nederland te ondernemen binnen het verband van de VOF zolang als de VOF exclusief gerechtigd is om de licentie te exploiteren”, in samenhang bezien met de aan dat verbod ten grondslag liggende rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.7 valt af te leiden dat het tot Bora en BRRC gerichte verbod in tijd is beperkt, namelijk zolang de VOF exclusief gerechtigd is om de licentie te exploiteren. Het hof verwerpt de stelling van de stichting en ICSO dat met ‘de licentie’ niet alleen gedoeld wordt op de bestaande, maar ook op toekomstige licenties. Die stelling vindt immers geen steun in de inhoud van het vonnis van 3 januari 2007. Daarin wordt met ‘de licentie’ duidelijk verwezen naar de door UCI (Union Cycliste Internationale) afgegeven Pro-Tour licentie welke onderwerp is van de licentieovereenkomst en worden eventuele toekomstige licenties in het geheel niet genoemd. De (primaire) vordering leidend tot voormeld verbod was ook (slechts) gebaseerd op de stelling dat Bora en BRRC in strijd met de oprichtingsakte van de VOF hadden aangekondigd de organisatie van de Eneco Tour 2007 zonder de stichting te zullen voortzetten, met gebruikmaking van het deel van de licentie dat toebehoort aan de stichting. De voorzieningenrechter had de vordering blijkens het vonnis van 3 januari 2007 ook in die zin begrepen.

Het tot Eneco gerichte verbod “om actief bij te dragen aan de exploitatie van de licentie voor de organisatie van de Eneco Tour door Bora en BRRC buiten het verband van de VOF” is blijkens rov. 4.15 en 4.16 van dat vonnis gebaseerd op het feit dat het Bora en BRRC niet is toegestaan de organisatie van de Eneco Tour buiten het verband van de VOF alleen voort te zetten, in samenhang bezien met Eneco’s betrokkenheid bij en bekendheid met de samenwerking tussen de stichting en ICSO enerzijds en Bora en BRRC anderzijds. Derhalve kan niet worden aangenomen dat de voorzieningenrechter heeft beoogd Eneco een verbod op te leggen dat voor een langere periode zou gelden dan het verbod dat is opgelegd aan Bora en BRRC (te weten zolang als de VOF exclusief gerechtigd was om de licentie te exploiteren). Nu tussen partijen vaststaat dat de onderhavige licentie slechts zag op de organisatie van de Eneco Tour voor de periode 2005 tot en met 2008, en de VOF (die volgens beide partijen ingevolge artikel 12.1.6 van haar oprichtingsakte is ontbonden) na de Eneco Tour van 2008 dus geen exclusief recht op exploitatie daarvan meer kon doen gelden, acht het hof – gelet op hetgeen het hiervoor omtrent het beoogde doel van de veroordeling in het vonnis van 3 januari 2007 heeft overwogen – voorshands aannemelijk dat de aanvraag van een eigen licentie voor de organisatie van de Tour van 2009 en overleg met Bora over de organisatie van de Tour van 2009 niet onder het aan Eneco opgelegde verbod valt. Het feit dat dit gebeurde voordat de licentie over de periode 2005-2008 was geëxpireerd maakt dat niet anders.

2.26. CAS heeft op 29 maart 2010 uitspraak gedaan in het beroep van de stichting tegen de beslissing van UCI tot toewijzing van de licentieaanvraag aan Eneco en tot afwijzing van de licentieaanvraag van de stichting. CAS heeft de stichting niet-ontvankelijk verklaard respectievelijk het beroep op inhoudelijke gronden verworpen. CAS heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

120. Regarding the question of the admissibility of the appeal against the decision that

granted the licence to Eneco, Article 2.15.227 UCIR clearly provides that an

applicant may not appeal against a decision of the Licence Commission

regarding another applicant.

121. Such formulation is perfectly clear and does not leave any space for further interpretation. Considering that the Appellant has no standing to sue, its request regarding Eneco’s application must therefore be dismissed.

124. The concept of ownership has to be understood in the context of the UCIR, in particular Articles 2.15.189 ff according to which the licence is granted solely to the owner of the event (Article 2.15.189) and if the owner of the event is not the actual organiser of the event, the event owner must inform the UCI and indicate in his licence application the exact identity of the actual organiser or of any other intermediary (Article 2.15.190).

125. In other words, the owner of the event has to be considered as opposed to the material organiser of the event and possibly to other intermediaries. The owner is the person or body who takes the initiative and the responsibility of the event and in particular who has the TV rights and the marketing rights. He may either organise the event himself or prefer to delegate the organisation to a material organiser.

126. In the present case, there was no Benelux Tour up to 2004 and therefore no owner. From 2005 to 2008, the Appellant and BRRC were the co-owners of the Eneco Tour which implemented the Benelux Tour concept, each with a 50% share. VOF, the joint venture made by ICSO and Bora, was the material organiser.

129. The Panel considers that the interpretation made by the Appellant of the concept of ownership cannot be followed for the reasons above. Indeed, if such reasoning was followed, it would create against all reasonableness and fairness a situation of monopoly in favour of the first “owner”, i.e. organiser, of an event for all the subsequent events and the whole procedure of licence application would be meaningless.

3. Het geschil

3.1. De stichting en ICSO vorderen na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat Eneco in strijd heeft gehandeld met het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 3 januari 2007, meer specifiek met het door de voorzieningenrechter in onderdeel 5.7 opgelegde verbod, als gevolg waarvan Eneco dwangsommen heeft verbeurd aan zowel de stichting als ICSO elk voor een bedrag van € 200.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van het dwangbevel, zijnde 18 september 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de datum der algehele voldoening,

2. voor recht verklaart dat BRRC en Bora in strijd hebben gehandeld met het aan hen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 3 januari 2007 in onderdeel 5.5 opgelegde verbod, op grond waarvan zij hoofdelijk - des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn gekweten - aan de stichting dwangsommen hebben verbeurd voor een bedrag van € 175.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 150.000,00 daarvan vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

3. Eneco, BRRC, Bora en Golazo verbiedt de vaste relaties die de stichting onderhoudt met gemeentebesturen, sponsoren, wielerploegen, toeleveranciers en dergelijke, direct of indirect te benaderen ter zake een door hen te organiseren wielerronde, op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding van dit verbod, met een maximum van € 6.000.000,00,

4. voor recht verklaart dat Eneco onrechtmatig heeft gehandeld jegens de stichting en ICSO door primair inbreuk te maken op de rechten van de stichting en ICSO, althans subsidiair jegens hen te handelen in strijd met hetgeen krachtens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, met veroordeling van Eneco tot vergoeding van de door de stichting en ICSO geleden schade, nader op te maken bij staat,

5. voor recht verklaart dat Golazo onrechtmatig heeft gehandeld jegens de stichting en ICSO, primair door inbreuk te maken op de rechten van de stichting en ICSO ter zake de Benelux Tour, althans subsidiair door jegens de stichting en ICSO te handelen in strijd met hetgeen krachtens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, primair en subsidiair met veroordeling van Golazo tot vergoeding van de door de stichting en ICSO geleden schade, nader op te maken bij staat,

6. voor recht verklaart dat BRRC toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens de stichting door met Eneco een ProTour licentie aan te vragen voor de Benelux Tour, met veroordeling tot vergoeding van de door de stichting dientengevolge geleden schade, nader op te maken bij staat,

7. Eneco, BRRC, Bora en Golazo veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. De stichting en ICSO leggen de navolgende stellingen aan hun vorderingen ten grondslag, die hierna bij de beoordeling, voor zover van belang, nader zullen worden besproken:

- Eneco heeft in strijd gehandeld met het in het vonnis van de voorzieningenrechter van 3

januari 2007 in onderdeel 5.7 opgenomen verbod en aldus aan zowel de stichting als ICSO

dwangsommen verbeurd,

- Bora en BRRC hebben in strijd gehandeld met het in het vonnis van de

voorzieningenrechter van 3 januari 2007 in onderdeel 5.5 opgenomen verbod en aldus aan

zowel de stichting als ICSO dwangsommen verbeurd. Daarbij dienen de handelingen van

Golazo in het kader van de organisatie van de Benelux Tour 2009 als handelingen van

BRRC en/of Bora te worden beschouwd, aangezien Golazo met BRRC en/of Bora dient te

worden vereenzelvigd,

- Eneco heeft zich de rechten van de stichting/ICSO op de Benelux Tour toegeëigend, dan

wel daarop inbreuk gemaakt, althans in strijd gehandeld met hetgeen haar volgens

ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, hetgeen een onrechtmatige

daad jegens de stichting/ICSO oplevert,

- Golazo heeft eveneens inbreuk gemaakt op de rechten van de stichting en ICSO ter zake

van de Benelux Tour, althans zij heeft in strijd gehandeld met de maatschappelijke

betamelijkheid, hetgeen een onrechtmatige daad jegens de stichting en ICSO oplevert.

Omdat Golazo v ereenzelvigd dient te worden met Bora en BRRC, is eveneens sprake van

een onrechtmatige daad van Bora en BRRC jegens de stichting,

- BRRC is toerekenbaar tekortgeschoten jegens de stichting, nu zij in strijd met artikel 5 van

de licentieovereenkomst niet gezamenlijk met de stichting een nieuwe licentie voor de

Benelux Tour heeft aangevraagd. Subsidiair heeft Golazo onrechtmatig jegens de stichting

gehandeld door misbruik te maken van identiteitsverschil.

3.3. Eneco, BRRC, Bora en Golazo voeren gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Nu BRRC, Bora en Golazo rechtspersonen naar Belgisch recht zijn, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van de stichting en ICSO kennis te nemen. Voor zover de vorderingen zien op een verklaring voor recht dat BRRC en Bora in strijd hebben gehandeld met het aan hen door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 3 januari 2007 opgelegde verbod, en, in het verlengde daarvan, op de (eventuele) vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsommen, vloeit de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voort uit artikel 49 EEX-Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Tenuitvoerlegging van een beslissing houdende veroordeling tot betaling van een dwangsom in een andere lidstaat (in dit geval België) is eerst mogelijk indien het bedrag ervan door de gerechten van de lidstaat van herkomst (in dit geval Nederland) definitief is bepaald.

Voor zover de vorderingen zijn gegrond op onrechtmatig handelen van BRRC, Bora en Golazo vloeit de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voort uit artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Verordening, omdat de schadebrengende feiten zich hebben voorgedaan of kunnen voordoen op het Nederlandse grondgebied.

Voor zover de vorderingen zijn gegrond op een toerekenbaar tekortschieten van BRRC vloeit de bevoegdheid van de Nederlandse rechter voort uit artikel 5 lid 1 onder a EEX-Verordening, omdat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, (mede) in Nederland moet worden uitgevoerd.

Toepasselijk recht

4.2. De volgende vraag is welk recht van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen. Anders dan de stichting en ICSO in hun dagvaarding stellen, kunnen de vorderingen, voor zover zij zijn gegrond op onrechtmatige gedragingen van BRRC, Bora en Golazo, niet worden beoordeeld naar Nederlands recht op grond van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007, betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‘Rome II’). Deze verordening is immers eerst van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen ná de datum van inwerkingtreding van de verordening, te weten 11 januari 2009. De gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen dateren van vóór deze datum. Dit betekent dat moet worden teruggevallen op de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad, waarin in artikel 3 lid 1 is bepaald dat verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt. De stichting en ICSO leggen aan de hier bedoelde vorderingen ten grondslag dat de inbreuk op hun rechten zich heeft voorgedaan op Nederlands grondgebied. Omdat dit door BRRC, Bora en Golazo niet gemotiveerd is weersproken, gaat de rechtbank er vanuit dat Nederlands recht van toepassing is.

Voor zover de vorderingen zien op een verklaring voor recht dat BRRC en Bora in strijd hebben gehandeld met het aan hen door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 3 januari 2007 opgelegde verbod, en, in het verlengde daarvan, de (eventuele) vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsommen, kunnen zij worden beoordeeld naar Nederlands recht, omdat het vonnis van 3 januari 2007 op basis van Nederlands recht is gewezen.

Voor zover de vorderingen zijn gegrond op een toerekenbaar tekortschieten van BRRC geldt het volgende. Dit tekortschieten ziet volgens de stellingen van de stichting en ICSO op het in strijd met artikel 5 van de licentieovereenkomst niet gezamenlijk met de stichting aanvragen van een nieuwe licentie voor de Benelux Tour. Aangezien de licentieovereenkomst is gesloten op 16 november 2004 dient voor de vraag welk recht van toepassing is te worden uitgegaan van het EEG-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (het EVO-Verdrag). Op grond van artikel 4 lid 1 van dit verdrag wordt de licentieovereenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Ingevolge het tweede lid van artikel 4 EVO-Verdrag wordt de overeenkomst vermoed het nauwst te zijn verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar hoofdbestuur heeft. Nu de stichting als partij die mede de kenmerkende prestatie moest verrichten, te weten het gebruik aan de VOF toestaan van de in mede-eigendom verkregen ProTour licentie en het na een periode van vier jaren (2005-2008) opnieuw gezamenlijk aanvragen van een nieuwe licentie, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar hoofdbestuur in Nederland had (en nog steeds heeft), is op de vorderingen, voor zover zij zijn gegrond op een toerekenbaar tekortschieten van BRRC, eveneens Nederlands recht van toepassing.

Heeft Eneco dwangsommen verbeurd?

4.3. Tussen partijen is allereerst in geschil de vraag of door Eneco als gevolg van het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 3 januari 2007 (hierna: het vonnis van 3 januari 2007) dwangsommen zijn verbeurd. In onderdeel 5.7 van dat vonnis is het Eneco verboden om actief bij te dragen aan de exploitatie van de licentie voor de organisatie van de Benelux Tour door Bora en BRRC buiten het verband van de VOF.

4.4. Volgens de stichting en ICSO heeft Eneco, nadat de Benelux Tour 2007 was georganiseerd en verreden, in eerste instantie aangegeven de sponsorovereenkomst met de VOF te willen verlengen. De stichting heeft daarop contact gezocht met BRRC en haar overeenkomstig artikel 5 van de licentieovereenkomst verzocht tezamen met de stichting een nieuwe licentie aan te vragen. Eneco heeft in het eerste kwartaal van 2008 echter overleg gevoerd met de heer [betrokkene 4] van BRRC/Bora over de gezamenlijke organisatie van de Benelux Tour in de periode 2009-2012, zonder de stichting. Op 22 april 2008 heeft Eneco per brief aan de stichting laten weten dat zij de sponsorovereenkomst niet wil verlengen. In juli 2008 heeft zij met Golazo als feitelijke organisator zelfstandig een ProTour licentie aangevraagd en uiteindelijk ook verkregen. Door aldus te handelen heeft Eneco volgens de stichting en ICSO het aan haar opgelegde verbod geschonden en heeft zij aan zowel de stichting als ICSO dwangsommen verbeurd.

4.5. Eneco betwist dat zij het aan haar opgelegde verbod heeft overtreden. Het vonnis van 3 januari 2007 zag op een acute situatie die was ontstaan nadat Bora de VOF-overeenkomst had opgezegd en had, op een uitzondering na, uitdrukkelijk alleen betrekking op de periode van voortbestaan van de VOF. Uit het vonnis blijkt onmiskenbaar dat het ging om de exploitatie van de toenmalige licentie gedurende het bestaan van de VOF. Er kan geen twijfel over bestaan dat het bewuste verbod in het vonnis van 3 januari 2007 geen enkele betrekking heeft op de aanvraag van een nieuwe licentie door Eneco en het opzetten van een nieuwe organisatiestructuur daarvoor. De kennelijk door de stichting en ICSO voorgestane opvatting zou betekenen dat Bora en BRRC tot in lengte van dagen zouden zijn gehouden alle toekomstige wielerrondes die zij in Nederland zouden willen organiseren samen met de stichting en ICSO in VOF-verband te organiseren. Dit is een onjuiste lezing van het vonnis van 3 januari 2007.

4.6. Bij de vraag of Eneco dwangsommen heeft verbeurd omdat een veroordeling niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechtbank niet tot taak de door de voorzieningenrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient de rechtbank - naar analogie van het toetsingskader dat bij de beoordeling van reguliere executiegeschillen wordt toegepast - zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechtbank het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen met dien verstande dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Bovendien dient de veroordeling te worden gelezen in samenhang met de overwegingen waarop zij steunt, nu de voorzieningenrechter in die overwegingen heeft gemotiveerd hoe hij tot de veroordeling is gekomen.

4.7. De vraag of Eneco dwangsommen heeft verbeurd, is reeds aan de orde is geweest in het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 oktober 2008 (zie 2.22), alsmede in het naar aanleiding van dit vonnis in kort geding gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem van 29 september 2009 (zie 2.25). De rechtbank verwijst in dit verband met name naar de hiervoor onder 2.25 geciteerde overwegingen uit ’s hofs arrest en maakt deze tot de hare. Het vonnis van 3 januari 2007 biedt geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van de stichting en ICSO dat de voorzieningenrechter met het vonnis van 3 januari 2007 heeft beoogd Eneco te verbieden actief bij te dragen aan de exploitatie van de ProTour licentie voor de organisatie van de Benelux Tour, óók nadat de VOF is ontbonden. De stichting en ICSO hebben in deze procedure geen (nieuwe) concrete feiten en omstandigheden gesteld die nopen tot een ruimere uitleg van dat vonnis. Dat impliceert dat het aan Eneco opgelegde verbod is beperkt tot de duur van de oude ProTour licentie, die zag op de organisatie van de Benelux Tour voor de periode 2005-2008. Het feit dat Eneco in het eerste kwartaal van 2008 overleg heeft gevoerd met [betrokkene 4] van BRRC/Bora over de gezamenlijke organisatie van de Benelux Tour voor de periode 2009-2012, zonder de stichting daarbij te betrekken, alsmede de omstandigheid dat Eneco in juli 2008 zelfstandig een ProTour licentie bij UCI heeft aangevraagd voor het organiseren van de Benelux Tour voor de periode 2009-2012, vallen dan ook niet onder het in het vonnis van 3 januari 2007 aan Eneco opgelegde verbod. Dit betekent dat Eneco geen dwangsommen heeft verbeurd. Het gevorderde onder 3.1 sub 1 zal worden afgewezen.

Hebben Bora en BRRC dwangsommen verbeurd?

4.8. De volgende vraag die dient te worden beantwoord is, of door Bora en BRRC als gevolg van het vonnis van 3 januari 2007 dwangsommen zijn verbeurd. In onderdeel 5.5 van dit vonnis is het Bora en BRRC verboden om de vaste relaties die de stichting onderhoudt met de gemeentebesturen, sponsoren en wielerploegen systematisch direct of indirect te benaderen ter zake een door hen te organiseren wielerronde.

4.9. De stichting en ICSO stellen in dit verband dat Bora en BRRC in strijd met het verbod hebben gehandeld, nu voor de organisatie van de Benelux Tour 2009 in ieder geval de reeds eerder door de stichting gecontracteerde start- en/of finishplaatsen Sittard-Geleen, Roermond, Amersfoort, Rotterdam en Rucphen zijn gecontracteerd door Golazo. Voorts heeft Golazo de ‘mediasponsoren’ van de stichting benaderd, te weten De Telegraaf en SBS6. Dit geldt eveneens voor de leveranciers van de jurywagens, de zogenaamde Movico-trailers, en de grote tv-schermen. De handelingen van Golazo in het kader van de organisatie van de Benelux Tour 2009 dienen in dit verband als handelingen van BRRC en/of Bora te worden beschouwd, aangezien Golazo met BRRC en/of Bora dient te worden vereenzelvigd. [betrokkene 4] is immers niet alleen bestuursvoorzitter van BRRC en bestuurder van Bora, maar tevens bestuurder van Golazo. Daarnaast is [betrokkene 4] 100% aandeelhouder van Golazo. [betrokkene 2] is eveneens bestuurder van BRRC en Bora en tevens bestuurder van de VOF. Hij is aangesteld als (koers)directeur voor de Benelux Tour 2009. Ook heeft [betrokkene 2] namens Golazo gecorrespondeerd in aangelegenheden die de VOF betreffen. Verder blijkt uit de sponsorovereenkomst, de licentieaanvraag van juli 2008 en de opstelling van Golazo bij UCI dat Golazo is verbonden met BRRC/Bora. Er is derhalve sprake van een identieke zeggenschapsituatie.

4.10. Bora en BRRC betwisten gemotiveerd dat zij op enig moment na het vonnis van 3 januari 2007 de vaste relaties die de stichting onderhield met de gemeentebesturen, sponsoren en wielerploegen, systematisch direct of indirect hebben benaderd ter zake van een door hen te organiseren wielerronde. Daarnaast stellen zij dat onderdeel 5.5 van het dictum van het vonnis van 3 januari 2007 in samenhang moet worden bezien met de onderdelen 5.2 en 5.4 van het dictum van dat vonnis, namelijk dat het verbod geldt zolang de VOF exclusief bevoegd is de oude licentie te exploiteren of totdat de stichting een nieuwe licentie zou hebben verkregen van UCI voor het organiseren van een wielerronde in Nederland in week 34.

4.11. Golazo betwist eveneens dat sprake is geweest van systematische, directe of indirecte benadering van de vaste relaties van de stichting. Verschillende door de stichting en ICSO genoemde gemeenten (Amersfoort, Sittard-Geleen en Roermond) hebben zich zelf bij Eneco gemeld direct nadat bekend was geworden dat de nieuwe licentie aan Eneco was verleend, terwijl de gemeente Rotterdam grootaandeelhouder is van Eneco en Eneco op haar beurt partner is van Rotterdam Topsport. Plaatsen waarvan bekend was dat er eerder contact mee is geweest, zijn juist niet actief benaderd door Eneco of Golazo. Voorts heeft Eneco buiten de Benelux Tour om reeds een (jarenlange) vaste relatie met SBS6 en De Telegraaf, terwijl leveranciers niet aan één specifieke partij zijn gebonden en zij al in een eerder stadium met Eneco zaken hebben gedaan. Verder stelt Golazo dat het haar ook volledig vrij stond om gemeenten te benaderen en te contracteren als etappeplaats. In het vonnis van 21 oktober 2008 heeft de voorzieningenrechter namelijk uitdrukkelijk overwogen dat het vonnis van 3 januari 2007 slechts zag op de edities van de Benelux Tour 2005 tot en met 2008 en niet op toekomstige edities. Dit vonnis is door het gerechtshof Arnhem bij arrest van 29 september 2009 bekrachtigd. Ten slotte stelt Golazo dat BRRC een entiteit is die voornamelijk tot doel heeft het houden van licenties voor sportevenementen. BRRC had de exploitatie van de oude licentie aan Bora gedelegeerd, die op haar beurt Octagon CIS opdracht had gegeven tot uitvoering van de werkzaamheden. Octagon CIS is in 2008 gewijzigd in Golazo. Mitsdien is Golazo al sinds 2005 bij de feitelijke organisatie van de Benelux Tour betrokken.

4.12. Voorop wordt gesteld dat ook bij de vraag of Bora en BRRC dwangsommen hebben verbeurd omdat een veroordeling niet of onvoldoende is nageleefd, het criterium geldt dat hiervoor onder 4.6 is weergegeven. Dit betekent dus dat de rechtbank zich ertoe dient te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld.

4.13. De inhoud van de veroordeling ziet in essentie op een verbod om de vaste relaties die de stichting onderhoudt met de gemeentebesturen, sponsoren en wielerploegen systematisch direct of indirect te benaderen. In het vonnis van 3 januari 2007 heeft de voorzieningenrechter dit verbod als volgt gemotiveerd: Bora en BRRC hebben niet betwist dat de stichting een licentie heeft voor het organiseren van de Ronde van Nederland, welke zij tot 2005 gedurende een reeks van jaren jaarlijks heeft georganiseerd. Het is zeer aannemelijk dat de stichting in al die jaren goede contacten heeft opgebouwd met gemeentebesturen, sponsoren en wielerploegen. De voorzieningenrechter acht het daarom alleszins gerechtvaardigd dat Bora en BRRC deze relaties niet (zonder toestemming van de stichting) benaderen, zodat dit deel van de vordering ook zal worden toegewezen. (r.o. 4.13).

4.14. Uit deze motivering kan weliswaar worden afgeleid dat het Bora en BRRC in zijn algemeenheid is verboden om relaties van de stichting te benaderen, maar niet uit het oog moet worden verloren dat, zoals al eerder is vastgesteld, met betrekking tot andere verboden - gericht tegen Bora en BRRC, maar ook tegen Eneco - heeft te gelden dat deze zijn beperkt in tijd, namelijk zolang de VOF exclusief is gerechtigd om de licentie te exploiteren. Nu deze licentie slechts zag op de organisatie van de Benelux Tour voor de periode 2005-2008, en de VOF na de Benelux Tour van 2008 dus geen exclusief recht op de exploitatie daarvan meer kon doen gelden, stond het Bora en BRRC in beginsel vrij om gemeenten/ gemeentebesturen te benaderen en te contracteren als etappeplaats in het kader van een te organiseren wielerronde vanaf 2009. Daarbij komt dat het hier aan de orde zijnde verbod, ondanks de hiervoor onder 4.14 weergegeven algemene motivering, in het dictum nader is gepreciseerd, aldus dat het moet gaan om het systematisch benaderen van de vaste relaties van de stichting. Dit duidt dus op een consequente, planmatige en/of stelselmatige wijze van benaderen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de stichting en ICSO tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Bora, BRRC en Golazo, geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die duiden op een dergelijke wijze van benaderen van de vaste relaties van de stichting, nog daargelaten of in een zaak als de onderhavige kan worden gesproken van ‘vaste relaties’. Dit is ook op geen enkele wijze gebleken. De stichting en ICSO hebben zelfs nagelaten te stellen, zowel in de dagvaarding, als in de verkapte conclusie van repliek, dat de geconstateerde overtredingen zijn te beschouwen als een systematische wijze van benaderen van de vaste relaties van de stichting. Een en ander leidt dan ook tot de conclusie dat het gevorderde onder 3.1 sub 2 moet worden afgewezen. Dit betekent ook dat in het midden kan blijven of de handelingen van Golazo in het kader van de organisatie van de Benelux Tour 2009 als handelingen van BRRC en/of Bora moeten worden beschouwd en of Golazo aldus met BRRC en/of Bora dient te worden vereenzelvigd.

Dient aan Eneco, BRRC, Bora en Golazo een relatieverbod te worden opgelegd?

4.15. De stichting en ICSO vorderen voorts dat het Eneco, BRRC, Bora en Golazo wordt verboden de vaste relaties die de stichting onderhoudt met gemeentebesturen, sponsoren, wielerploegen, toeleveranciers en dergelijke, direct of indirect te benaderen ter zake een door hen te organiseren wielerronde.

4.16. In de eerste plaats moet worden geconstateerd dat deze vordering nagenoeg

identiek is aan het verbod dat bij vonnis van 3 januari 2007 is opgelegd en hiervoor is besproken. Voorts valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, gelet op artikel 3:303 BW niet in te zien welk belang de stichting en ICSO hebben bij een herhaald verbod. Dit geldt te meer nu de licentiecommissie van UCI een ProTour licentie voor een periode van vier jaren - van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012 - aan Eneco heeft verleend en de edities van de Benelux Tour 2009 en 2010 al geruime tijd geleden zijn verreden. Bovendien hebben de stichting en ICSO niet betwist dat verschillende gemeenten zich uit eigen beweging bij Eneco hebben gemeld, zodat gerede kans bestaat dat dit ook in de toekomst zal gebeuren, waardoor toewijzing van het verbod tot executieproblemen zal/kan leiden. Voorts hebben de stichting en ICSO de stelling van Eneco niet weersproken, dat Eneco uit andere hoofde al contact had met sommige gemeenten en jarenlange relaties onderhield met bijvoorbeeld SBS6 en De Telegraaf. Ten slotte is de vordering te onbepaalbaar, want niet beperkt in tijd en naar plaats, terwijl onduidelijk is gebleven welke relaties van de stichting tot haar vaste relaties behoren. Het gevorderde onder 3.1 sub 3 zal dan ook worden afgewezen.

Heeft Eneco de rechten van de stichting/ICSO op de Benelux Tour toegeëigend dan wel daarop inbreuk gemaakt?

4.17. De stichting en ICSO stellen dat de stichting vanaf medio jaren ’70 van de vorige eeuw de Ronde van Nederland heeft georganiseerd in week 34 van elk kalenderjaar. Zij heeft deze wielerronde vervolgens ingebracht in de Benelux Tour, althans deze ronde vormde de basis waarop de licentie is aangevraagd en door UCI is verleend. Van een nieuw evenement was derhalve geen sprake. De Benelux Tour was niets meer en niets minder dan een uitbreiding van de Ronde van Nederland. De stichting en ICSO waren volledig verantwoordelijk voor de organisatie van het Nederlandse deel van de Benelux Tour. Zij organiseerden hun deel van de Benelux Tour in de jaren 2005 tot en met 2008 ook op dezelfde manier als zij altijd de Ronde van Nederland organiseerden. Zij wendden daarvoor hun contacten aan met gemeentebesturen, wielerploegen, media en toeleveranciers. Ook maakten zij gebruik van een grote schare vrijwilligers die sinds jaar en dag hun medewerking aan de organisatie verleenden. De Benelux Tour vertegenwoordigt dan ook een aanzienlijke waarde, waaraan voor de eigenaar exclusieve rechten zijn verbonden. Deze waarde bestaat met name uit de opgebouwde know how en goodwill, alsmede een publiciteits- en reclamewaarde.

4.18. Volgens de stichting en ICSO heeft Eneco zich genoemde rechten van de stichting/ICSO op de Benelux Tour toegeëigend, dan wel daarop inbreuk gemaakt, althans in strijd gehandeld met hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, hetgeen een onrechtmatige daad jegens de stichting/ICSO oplevert. Eneco heeft immers in 2008 zelfstandig een ProTour licentie aangevraagd bij UCI voor het organiseren van de Benelux Tour. Zij heeft geen licentie aangevraagd voor een willekeurig wielerevenement, maar voor het evenement van de stichting en ICSO. Nadat Eneco een ProTour licentie had verkregen, heeft zij in 2009 ook daadwerkelijk de Benelux Tour georganiseerd. Daarbij heeft zij op grote schaal de goodwill van de stichting aangewend en profijt getrokken van de in 2008 door de stichting en ICSO geleverde inspanningen ten behoeve van de Benelux Tour 2009. Ook heeft Eneco gebruik gemaakt van mensen die onder meer namens de stichting en ICSO bij de organisatie van de Benelux Tour 2005 tot en met 2008 waren betrokken. Eneco heeft dan ook een wielerevenement toegeëigend, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat de stichting en ICSO hun grootste inkomstenbron zijn kwijtgeraakt.

4.19. De rechtbank overweegt het volgende. Vaststaat dat de stichting (en haar rechtsvoorganger) sinds medio jaren ’70 van de vorige eeuw de Ronde van Nederland heeft georganiseerd. Dit betrof een nationale wielerronde die met licenties van de landelijke wielerfederatie in week 34 van ieder kalenderjaar werd verreden. Het wekt op zichzelf geen verbazing - en gedaagden hebben dit als zodanig ook niet weersproken - dat als gevolg van deze jarenlange traditie en daarmee samenhangende inspanningen de stichting goede relaties en contacten heeft opgebouwd met diverse partijen die bij de organisatie en uitvoering van de Ronde van Nederland waren betrokken, zoals gemeentebesturen, sponsoren, wielerploegen, media, toeleveranciers en vrijwilligers. Dit geheel aan relaties en contacten, alsmede de in al die jaren door de stichting opgebouwde kennis, kan worden gekenschetst als de infrastructuur van de Ronde van Nederland. Aangenomen moet worden dat een dergelijke infrastructuur, waaronder ook een zekere mate van goodwill zal zijn begrepen, een bepaalde waarde vertegenwoordigt, daargelaten hoe die waarde in dit concrete geval precies moet worden geduid en hoe hoog die is.

4.20. Nadat UCI in 2004 het profwielrennen had gereorganiseerd, door alle grote rondes, de wereldbekerwedstrijden en de wedstrijden buitencategorie samen te voegen in de zogeheten ProTour en daarbij aan (onder meer) de stichting kenbaar te maken dat de Ronde van Nederland op zichzelf niet, maar wel als onderdeel van een gecombineerd wielerevenement voor Nederland, België en Luxemburg deel zou kunnen uitmaken van die ProTour, heeft de stichting tezamen met BRRC (de Luxemburgse wielerbond haakte af) een ProTour licentie aangevraagd en uiteindelijk ook verkregen voor het organiseren van een Benelux Tour in de jaren 2005 tot en met 2008. De stichting heeft vervolgens haar wielerronde, de Ronde van Nederland, ingebracht in de Benelux Tour. Op 1 januari 2005 is de ProTour daadwerkelijk van start gegaan. Daarin ligt dus besloten dat de sedert medio jaren ’70 door de stichting en ICSO georganiseerde Ronde van Nederland als het ware is ‘opgegaan’ in de Benelux Tour.

4.21. Eneco is een van de grootste energieleveranciers van Nederland. Vanaf 2001 is zij als hoofdsponsor verbonden aan de Ronde van Nederland. Nadat de Ronde van Nederland deel is gaan uitmaken van de Benelux Tour, is Eneco hoofdsponsor geworden van de Benelux Tour. Uit artikel 3.1 van de op 15 maart 2005 tussen de VOF en Eneco gesloten sponsorovereenkomst blijkt dat Eneco over de jaren 2005 tot en met 2008 respectievelijk

€ 850.000,00, € 775.000,00, € 800.000,00 en € 800.000,00 zou bijdragen aan de Benelux Tour, terwijl werd gewerkt met een begroting van, zo kan uit artikel 20.1 van de sponsorovereenkomst worden afgeleid, minimaal € 2.200.000,00. De bijdrage van Eneco bedroeg derhalve jaarlijks een substantieel deel van het totale beschikbare budget. Als hoofdsponsor van aanvankelijk de Ronde van Nederland en vervolgens van de Benelux Tour heeft Eneco in totaal dus acht jaar samengewerkt met de stichting/ICSO. Daarbij heeft zij, waar het de Benelux Tour betreft, als hoofdsponsor ook een zekere mate van invloed kunnen uitoefenen op het beleid en/of de organisatie van die Benelux Tour. Dit kan worden afgeleid uit artikel 18 van de sponsorovereenkomst, waarin is bepaald dat Eneco de beschikking krijgt over één van de drie zetels in het hoogste bestuursorgaan van de VOF. Deze zetel, zo blijkt uit datzelfde artikel, biedt volledig stemrecht binnen de vergaderingen van de raad van commissarissen van de VOF, waarbij bindende beslissingen binnen dit orgaan worden genomen bij unanimiteit.

4.22. Gelet op het voorgaande heeft Eneco op 9 juli 2008 zelfstandig, dat wil zeggen:

buiten de stichting/ICSO om, bij UCI een aanvraag voor een ProTour licentie 2009 ingediend voor het organiseren van de Benelux Tour. In deze aanvraag heeft zij Golazo opgevoerd als feitelijk organisator. Nadat aan Eneco de ProTour licentie was verleend, heeft zij in 2009 daadwerkelijk de Benelux Tour georganiseerd. Aangenomen moet worden dat Eneco in het kader van die organisatie met verschillende partijen heeft gesproken - te denken valt aan de eerder genoemde gemeentebesturen, sponsoren, wielerploegen, media, toeleveranciers en vrijwilligers die voordien deel uitmaakten van de onder 4.19 genoemde infrastructuur van de stichting en ICSO, en met wie Eneco vervolgens ook daadwerkelijk in zee is gegaan, daargelaten wie telkens het initiatief tot deze contacten heeft genomen. Dat betekent dat Eneco in zoverre (mede) gebruik heeft gemaakt van de relaties en contacten van de stichting, alsmede van de door de stichting opgebouwde kennis, hiervoor ook tezamen aangeduid als de infrastructuur van de Ronde van Nederland. Eneco heeft voor het gebruik van die door (onder andere) de stichting en ICSO in het verleden opgebouwde infrastructuur, geen toestemming gevraagd aan de stichting en ICSO en evenmin heeft zij daarover overleg gevoerd met de stichting en ICSO. Zij heeft evenmin een vergoeding willen betalen voor het gebruik van deze infrastructuur.

4.23. Aan hetgeen hiervoor onder 4.19 tot en met 4.22 is overwogen, in

onderling verband en samenhang bezien, verbindt de rechtbank de gevolgtrekking dat Eneco in strijd heeft gehandeld met hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Eneco heeft na een jarenlange samenwerking met de stichting in zowel de Ronde van Nederland als daarna in de Benelux Tour in 2008 buiten de stichting en ICSO om een ProTour licentie aangevraagd en verkregen voor het organiseren van een nieuwe editie van de Benelux Tour, waarin de Ronde van Nederland - die door de stichting sinds circa dertig jaar werd georganiseerd - vanaf 2005 was geïntegreerd. Zij heeft vervolgens bij het organiseren van de Benelux Tour 2009 gebruik gemaakt van de met name door de stichting in de loop der jaren opgebouwde infrastructuur van de Ronde van Nederland, bestaande uit relaties en contacten van de stichting, alsmede de door de stichting opgebouwde kennis, waarbij moet worden aangenomen dat deze infrastructuur ook een bepaalde waarde vertegenwoordigt. Eneco heeft voor (het gebruik van) deze infrastructuur geen enkele vergoeding aan de stichting/ICSO willen betalen. Hierbij verdient nog opmerking dat op zichzelf weliswaar juist is de stelling van Eneco, dat voor de stichting en ICSO niets eraan in de weg staat in week 34 van elk kalenderjaar naast de Benelux Tour ook een Ronde van Nederland te organiseren, maar daarmee miskent Eneco dat het voor de stichting en ICSO feitelijk onmogelijk zal zijn een dergelijke ronde te realiseren, als zij niet over de daarbij behorende infrastructuur kan beschikken, nog daargelaten of het reëel is te veronderstellen of aan een dergelijke ronde nog behoefte bestaat naast de Benelux Tour, waarin de oude Ronde van Nederland is geïncorporeerd. Eneco heeft derhalve onrechtmatig gehandeld jegens de stichting en ICSO.

4.24. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank met inachtneming van artikel 612 Rv het gevorderde onder 3.1 sub 4 toewijzen en ter vaststelling van de schade conform genoemde vordering van de stichting en ICSO naar de schadestaatprocedure verwijzen. De mogelijkheid dat er schade door de stichting en ICSO is geleden volgt genoegzaam uit het voorgaande en is daarmee vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt.

Heeft Golazo (en in het verlengde daarvan Bora en/of BRRC) de rechten van de stichting/ICSO op de Benelux Tour toegeëigend dan wel daarop inbreuk gemaakt?

4.25. In dit verband stellen de stichting en ICSO dat Bora en BRRC op grond van de licentieovereenkomst niet gerechtigd waren zelfstandig een licentieaanvraag te doen. Om die reden hebben zij tezamen met Eneco een constructie bedacht om de stichting en ICSO buiten spel te zetten, hierin bestaande dat Eneco zelfstandig de ProTour licentie voor de Benelux Tour zou aanvragen, waarbij Golazo haar als feitelijke organisator zou bijstaan. Golazo heeft aldus eveneens inbreuk gemaakt op de rechten van de stichting en ICSO ter zake de Benelux Tour, althans heeft zij in strijd gehandeld met de maatschappelijke betamelijkheid. Dit is onrechtmatig jegens de stichting en ICSO. Het is volgens de stichting en ICSO immers duidelijk dat Eneco zonder medewerking van Golazo, feitelijk vooral de ervaring van de VOF, Bora en BRRC, nooit een ProTour licentie had kunnen verkrijgen. Omdat Golazo vereenzelvigd dient te worden met Bora en BRRC, is eveneens sprake van een onrechtmatige daad van Bora en BRRC jegens de stichting.

4.26. In de eerste plaats geldt ook hier dat het hof in zijn in kort geding gewezen arrest de stelling van de stichting en ICSO heeft verworpen dat met ‘de licentie’ niet alleen wordt gedoeld op de bestaande, maar ook op toekomstige licenties. Die stelling vindt volgens het hof geen steun in de inhoud van het vonnis van 3 januari 2007, waarin met ‘de licentie’ duidelijk wordt verwezen naar de door UCI afgegeven ProTour licentie welke onderwerp is van de licentieovereenkomst en waarin eventuele toekomstige licenties in het geheel niet worden genoemd. Na de Benelux Tour van 2008 kon de VOF, aldus het hof, geen exclusief recht meer op exploitatie van de ProTour licentie doen gelden. De rechtbank maakt dit oordeel tot het hare. Reeds hierom kan niet worden geoordeeld dat Bora en BRRC op grond van de licentieovereenkomst niet gerechtigd waren zelfstandig een licentieaanvraag te doen, zodat evenmin kan worden aangenomen dat zij om die reden tezamen met Eneco een constructie hebben bedacht om de stichting en ICSO buiten spel te zetten. Daarnaast hebben de stichting en ICSO naar het oordeel van de rechtbank geen andere concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit - indien bewezen - blijkt dat genoemde partijen een constructie hebben bedacht om de stichting en ICSO buiten spel te zetten. De enkele omstandigheid dat Eneco in het eerste kwartaal van 2008 overleg heeft gevoerd met [betrokkene 4] van BRRC/Bora over de gezamenlijke organisatie van de Benelux Tour in 2009, alsmede dat Eneco in juli 2008 zelfstandig een ProTour licentie bij UCI heeft aangevraagd voor het organiseren van de Benelux Tour, zijn onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van een vooropgezet plan. Het feit dat Eneco de nieuwe ProTour licentie heeft aangevraagd voordat de oude ProTour licentie (over de periode 2005-2008) was geëxpireerd, maakt dit oordeel niet anders. Bovendien is de positie die Golazo in het geheel inneemt niet te vergelijken met de positie die Eneco al die jaren innam, met name daar waar het gaat om de jarenlange samenwerking met de stichting in zowel de Ronde van Nederland als daarna in de Benelux Tour en de omstandigheid dat Eneco als hoofdsponsor van beide evenementen een zekere mate van invloed heeft kunnen uitoefenen op het beleid en/of de organisatie. Juist deze aspecten hebben mede ten grondslag gelegen aan het oordeel dat Eneco onrechtmatig heeft gehandeld jegens de stichting en ICSO, maar die ontbreken waar het Golazo betreft.

4.27. Daargelaten of Golazo vereenzelvigd dient te worden met Bora en BRRC volgt uit het voorgaande dat noch Golazo, noch Bora en BRRC onrechtmatig hebben gehandeld jegens de stichting en ICSO. Evenmin is sprake van handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. Het gevorderde onder 3.1 sub 5 zal dan ook worden afgewezen.

Is BRRC toerekenbaar tekortgeschoten jegens de stichting?

4.28. De stichting en ICSO stellen ten slotte dat BRRC, als gevolg van het handelen van de met haar te vereenzelvigen vennootschap Golazo, toerekenbaar is tekortgeschoten jegens de stichting. Zij heeft immers in strijd met artikel 5 van de licentieovereenkomst niet gezamenlijk met de stichting een nieuwe ProTour licentie voor de Benelux Tour aangevraagd. Subsidiair heeft Golazo onrechtmatig jegens de stichting gehandeld door misbruik te maken van identiteitsverschil. Het gegoochel met rechtspersonen heeft geen ander doel gehad dan om onder de verplichtingen van BRRC uit de licentieovereenkomst en de verboden zoals deze werden opgelegd bij vonnis van 3 januari 2007 uit te komen.

4.29. Naar het oordeel van de rechtbank is van een toerekenbaar tekortschieten aan de

zijde van BRRC geen sprake. Ook hier geldt namelijk dat de VOF na de Benelux Tour van 2008 geen exclusief recht meer kon doen gelden op exploitatie van de ProTour licentie. Reeds hierom dient het gevorderde onder 3.1 sub 6 te worden afgewezen. Omdat uit de licentieovereenkomst geen verplichting voor BRRC meer voortvloeide om tezamen met de stichting een ProTour licentie aan te vragen voor de Benelux Tour voor de jaren 2009-2012, kan ook het subsidiaire betoog van de stichting en ICSO niet slagen. Overigens hebben de stichting en ICSO in dit verband geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van ‘gegoochel’ met rechtspersonen met geen ander doel dan om onder de verplichtingen van BRRC uit de licentieovereenkomst en de verboden zoals deze werden opgelegd bij vonnis van 3 januari 2007 uit te komen.

Resumerend

4.30. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de stichting en ICSO, voor zover zij zijn ingesteld tegen Bora, BRRC en Golazo, zullen worden afgewezen. Dit geldt evenzeer voor de vorderingen van de stichting en ICSO die zijn ingesteld tegen Eneco en die zien op de verbeurde dwangsommen en het relatieverbod. Omdat Eneco naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig heeft gehandeld jegens de stichting en ICSO zal het gevorderde onder 3.1 sub 4 worden toegewezen.

Proceskosten

4.31. Aangezien in de verhouding de stichting en ICSO versus Eneco elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

4.32. De stichting en ICSO zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Golazo worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Golazo worden begroot op:

- griffierecht € 263,00

- salaris advocaat € 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.393,00

4.33. De stichting en ICSO zullen eveneens als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Bora en BRRC worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bora en BRRC worden begroot op:

- griffierecht € 263,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.167,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Eneco onrechtmatig heeft gehandeld jegens de stichting en ICSO, door jegens hen te handelen in strijd met hetgeen haar krachtens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt,

5.2. veroordeelt Eneco tot vergoeding van de door de stichting en ICSO geleden schade, nader op te maken bij staat,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen Eneco en de stichting en ICSO, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. veroordeelt de stichting en ICSO in de proceskosten, aan de zijde van Golazo tot op heden begroot op € 1.393,00,

5.5. veroordeelt de stichting en ICSO in de proceskosten, aan de zijde van Bora en BRRC tot op heden begroot op € 1.167,00,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A van der Pol en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.

Coll.: MvG