Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2011:BR0659

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-07-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
216355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil met betrekking tot twee rapporten van Wageningen UR en een standpunt van de KNMvD over onverdoofd ritueel slachten. Geen concrete aanwijzingen dat aan de wetenschappelijke onafhankelijkheid van de rapporten moet worden getwijfeld. Grondrecht van vrijheid van wetenschap en van meningsuiting versus grondrecht van vrijheid van godsdienst. Afweging van belangen. Rapporten vormen als zodanig niet een inbreuk op het recht van vrijheid van godsdienst. Zij spelen wel een rol in het politieke en maatschappelijke debat over een verbod op onverdoofd ritueel slachten en in die zin zouden zij mogelijk wel, maar alleen indirect, kunnen bijdragen aan een inbreuk op het recht van godsdienstvrijheid. Of een dergelijke inbreuk gerechtvaardigd zou zijn ligt niet ter beoordeling in dit kort geding voor. Niet gebleken is dat de rapporten en het standpunt zo kennelijk of apert wetenschappelijk onjuist zijn, dat er grond is voor een verplichting tot beantwoording van vragen. Vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/427

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 216355 / KG ZA 11-261

Vonnis in kort geding van 7 juli 2011

in de zaak van

1. het kerkgenootschap

NEDERLANDS-ISRAËLITISCH KERKGENOOTSCHAP,

gevestigd te Amsterdam,

2. het kerkgenootschap

NEDERLANDS-ISRAËLITISCHE HOOFDSYNAGOGE,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. R.A. Kiek te ‘s-Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ID-LELYSTAD, INSTITUUT VOOR DIERHOUDERIJ EN DIERGEZONDHEID B.V.,

gevestigd te Wageningen, kantoorhoudende te Lelystad,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

WAGENINGEN UNIVERSITEIT/WAGENINGEN UNIVERSITY,

gevestigd te Wageningen,

3. de stichting

STICHTING DIENST LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK,

gevestigd te Wageningen,

4. de stichting

STICHTING VAN HALL LARENSTEIN,

gevestigd te Wageningen, kantoorhoudende te Velp,

5. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KONINKLIJKE NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE,

gevestigd te Utrecht, kantoorhoudende te Houten,

6. DE STAAT DER NEDERLANDEN

het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagden,

advocaat mr. A.J. Kronenberg te Arnhem namens gedaagden sub 1 tot en met 4,

advocaat mr. E. Bos - van den Berg te Zwolle namens gedaagde sub 5,

advocaat mr. S.M. Kingma te ’s-Gravenhage namens gedaagde sub 6.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk NIK c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk respectievelijk ID-Lelystad, Wageningen Universiteit, DLO, Van Hall Larenstein, KNMvD en de Staat worden genoemd. Gedaagden sub 1 tot en met 4 zullen hierna gezamenlijk Wageningen UR worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de akte van NIK c.s.

- de producties van Wageningen UR, KNMvD en de Staat

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van NIK c.s.

- de pleitnota van Wageningen UR

- de pleitnota van KNMvD

- de pleitnota van de Staat.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In Nederland is bij en krachtens de wet geregeld dat aan het slachten van dieren bedwelming dient vooraf te gaan. In artikel 44 lid 3 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWD) is bepaald dat het slachten van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de Israëlitische of de Islamitische ritus is toegestaan. In het Besluit ritueel slachten zijn hierover nadere regels opgenomen.

2.2. Eiseres sub 1, het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, is het landelijk overkoepelend kerkgenootschap waarbij alle Nederlands-Israëlitische gemeentes in Nederland zijn aangesloten. Eiseres sub 2, de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge, is de grootste Nederlands-Israëlitische gemeente in Nederland en zij zorgt als enige Joodse gemeente in Nederland voor het slachten volgens de Israëlitische ritus, ofwel het koosjer slachten van dieren.

2.3. Op 2 september 2008 heeft Tweede Kamerlid Thieme van de Partij voor de Dieren een initiatiefwetsontwerp ingediend tot wijziging van de GWD in verband met het invoeren van een verplichte voorafgaande bedwelming bij ritueel slachten (TK 2007-2008, 31571, nr. 2). Op grond van dit wetsvoorstel komt artikel 44 lid 3 GWD als volgt te luiden: “Het slachten van dieren volgens de Israëlitische of de islamitische ritus is slechts toegestaan, indien de slachtdieren voorafgaand zijn bedwelmd.“

2.4. Wageningen Universiteit, DLO en Van Hall Larenstein vormen samen het niet rechtspersoonlijkheid bezittend samenwerkingsverband Wageningen University & Research centre. Op verschillende onderzoeksterreinen van dit samenwerkingsverband zijn kenniseenheden (zogenaamde Sciences Groups) gevormd door middel van het verbinden van de onderzoeksdomeinen van Wageningen Universiteit met die van DLO. Op deze wijze zijn op het domein ‘Dier’ aan de zijde van Wageningen Universiteit het departement ‘Dierwetenschappen’ en aan de zijde van DLO de onderzoeksinstituten ‘Wageningen UR Livestock Research’ en het ‘Centraal Veterinair Instituut van Wageningen UR’ samengevoegd in de kenniseenheid ‘Animal Sciences Group’ en onder één directie gebracht.

2.5. DLO is een voormalig geprivatiseerde dienst van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), voorheen het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV) en wordt ook gesubsidieerd door dit ministerie. DLO is verder enig aandeelhouder van DLO Holding B.V., die op haar beurt enig aandeelhouder is van ID-Lelystad. In een door NIK c.s. in het geding gebracht uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van ID-Lelystad is onder meer het volgende opgenomen:

Onderneming:

Handelsna(a)m(en) : ID-Lelystad, Instituut voor Dierhouderij en

Diergezondheid B.V.

ID-Lelystad

Animal Sciences Group

Adres : Edelhertweg 15, 8219 PH Lelystad

Correspondentieadres : Postbus 65, 8219 PH Lelystad

2.6. In september 2008 is in opdracht van en gesubsidieerd door het ministerie van LNV verschenen het rapport ‘Rapport 161, Ritueel slachten en het welzijn van dieren, een literatuurstudie’ (hierna: rapport 161), geschreven door Aize Kijlstra en Bert [Z]. Op de omslag van dit rapport staat vermeld: ‘Animal Sciences Group, Wageningen UR’. In de colofon is verder het volgende vermeld:

Uitgever

Animal Sciences Group van Wageningen UR

Postbus 65, 8200 AB Lelystad

(…)

E-mail Info.veehouderij.ASG@wur.nl

Internet http://www.asg.wur.nl

2.7. Rapport 161 betreft een literatuurstudie naar de welzijnsaspecten van ritueel

slachten. Volgens de auteurs komt uit het onderzoek als voornaamste conclusie naar voren, dat onbedwelmd ritueel slachten op diverse punten nadeliger is voor het welzijn van het dier dan slachten na bedwelming. Zij dragen diverse mogelijkheden aan om de situatie van dieren die ritueel geslacht gaan worden te verbeteren. In het rapport worden onder andere de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:

9 Conclusies en aanbevelingen

Uit de literatuur blijkt dat het onbedwelmd ritueel slachten nadeliger is voor het welzijn van het dier dan slachten na bedwelming. Dit blijkt alleen al uit de noodzaak om dieren die zonder bedwelming geslacht gaan worden zodanig te fixeren dat de halssnede bij vol bewustzijn kan worden uitgevoerd. Die fixatie kan veel stress bij de dieren teweegbrengen, met name bij runderen die op hun rug gedraaid worden. Bovendien is het niet uitgesloten dat runderen betrekkelijk lang bij bewustzijn blijven doordat hun hersenen, anders dan bij schapen en pluimvee het geval is, via de niet doorsneden arterie vertebralis nog even van bloed voorzien blijven.

Gezien het grote aantal pijnreceptoren in de halsstreek, zullen zonder bedwelming geslachte dieren een ernstige pijnprikkel ondervinden van het toebrengen van de halssnede. Bij sommige dieren onderdrukt een shocktoestand mogelijk de pijnsensatie.

Hoelang een dier na een halssteek zonder bedwelming het bewustzijn verliest, hangt in belangrijke mate af van de kwaliteit van de halssnede. Uit de literatuur blijkt dat daarmee veel mis is, waardoor dieren nog ernstiger moeten lijden.

Tijdens het verbloeden kan bloed in de luchtpijp en longen terechtkomen. Dieren die nog bij bewustzijn zijn moeten dat als ernstig ongerief ervaren. Het voelt aan als stikken.

Diverse islamitische en joodse organisaties blijken bepaalde vormen van bedwelmd ritueel slachten te accepteren.

Het ongerief bij ritueel te slachten dieren kan verminderd worden door aandacht te besteden aan de fixatiemethoden, door de inrichting van het slachthuis aan te passen, door gebruik te maken van getraind personeel en door regelmatig audits in het slachthuis uit te voeren.

De in deze studie gerapporteerde gegevens zijn gebaseerd op onderzoek dat in het buitenland is verricht. Gegevens over de situatie in Nederlandse slachthuizen waar ritueel wordt geslacht zijn momenteel niet voorhanden.

• Het zonder bedwelming slachten van dieren heeft ten opzichte van slachten na

bedwelming de volgende nadelen:

? Voor de uitvoering van de halssnede moeten de dieren op een andere wijze

gefixeerd worden. Dit levert, afhankelijk van de methode, maar vooral bij runderen

veel extra stress op.

? Dieren ondergaan de halssnede bij vol bewustzijn. Dat brengt, afhankelijk van de

(wisselende) kwaliteit van de halssnede, een ernstige pijnreactie teweeg;

? Het is niet uitgesloten dat runderen na de halssnede relatief lang bij bewustzijn

blijven doordat hun hersenen, anders dan bij schapen en pluimvee het geval is, via

de niet doorsneden arterie vertebralis nog even van bloed voorzien blijven;

? Bloed dat in de luchtpijp terechtkomt kan gevoelens van verstikking opleveren;

? Het feit dat er in diverse landen wel ruimte is voor vormen van bedwelming bij

ritueel slachten vormt een krachtig argument om ook in Nederland met de

religieuze organisaties om de tafel te gaan zitten om de haalbaarheid van dergelijke

oplossingen te bezien.

• Indien dieren toch onbedwelmd geslacht worden, behoren zij:

? direct na de halssnede bedwelmd te worden;

? onder direct toezicht van de bevoegde autoriteit, in de persoon van een dierenarts,

geslacht te worden;

? behandeld te worden door goed opgeleid, gecertificeerde personeel;

? behandeld te worden in een slachthuis waar wachtruimten en drijfgangen naar het

fixatietoestel dusdanig zijn ingericht, dat angst en stress worden vermeden;

? voor zover het runderen betreft gefixeerd te worden op een dragende restrainer met

aan het einde een fixatietoestel voor de kop, in tegenstelling tot de in Nederland

veelal toegepaste roterende fixatie. Een alternatief is het ontwikkelen van een

verbeterde fixatiemethode met een draaiing in maximale zijligging, zodat de

halssnede gemakkelijker is toe te dienen;

? behandeld te worden in slachthuizen die jaarlijks volgens een vooraf opgesteld

protocol een audit ondergaan. Een slachtvergunning zou alleen verleend moeten

worden bij het voldoen aan vooraf opgestelde normen en doelen.

2.8. In september 2010 is wederom in opdracht van en gesubsidieerd door het ministerie verschenen het rapport ‘Report 398, Report on restraining and neck cutting or stunning and neck cutting in pink veal calves’ (hierna: rapport 398), geschreven [Z], J.T.N. van der Werf, H.G.M. Reimert en V.A. Hindle. Op de omslag van dit rapport staat vermeld: ‘Wageningen UR Livestock Reseach’. In de colofon is verder het volgende vermeld:

Publisher

Wageningen UR Livestock Research

P.O. Box 65, 8200 AB Lelystad

(…)

E-mail info.livestockresearch@wur.nl

Internet http://www.livestockresearch.wur.nl

Copyright

© Wageningen UR Livestock Research, part of

Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO

Foundation), 2010

(…)

Liability

(…)

Wageningen UR Livestock Research and Central

Veterinary Institute of Wageningen UR, both part of

Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO

Foundation), together with the Department of

Animal Sciences of Wageningen University

comprises the Animal Sciences Group of

Wageningen UR (University & Research centre).

2.9. Rapport 398 betreft het ‘neural and physiological assessment of welfare during restraining and rotation, after neck cutting, neck cutting followed by captive bolt stunning and electrical stunning followed by neck cutting in pink veal calves.’ In het rapport worden de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:

5 Conclusions and recommendation

Conclusions

It can be concluded that rotation of the restrainer compromised pink veal calf since the heartbeat rate increased and variability in heartbeat rate fell after rotation. A difference between rotation of 90°, 120° and 180° was not observed.

Unconsciousness could be achieved

- on average approximately 80 s after the neck cut,

- 4 s after the neck cut by captive bolt stunning

- before the neck cut after electrical stunning.

The corneal reflex appeared to be a very conservative clinical parameter for measuring the state of consciousness.

Recommendations

A double rail conveyor restrainer for cattle was developed, which makes it possible to cut the neck in an upright position using head restraining. It is recommended to use such a restrainer, because rotating increased the stress.

It is reported in literature and observed in our study that unconsciousness in cattle occurred on average 1.5 minute after the neck cut and may remain up to 4 minutes during which pain sensation may be present. It is recommended to stun mechanically or electrically before or just after the neck cutting.

2.10. KNMvD is de beroepsorganisatie van dierenartsen in Nederland. Zij bevordert de professionele ontplooiing van de dierenarts op het terrein van dierenwelzijn, diergezondheid, volksgezondheid en voedselveiligheid. Zij behartigt daarbij de belangen van dierenartsen die actief zijn in uiteenlopende werkvelden.

2.11. Op 4 augustus 2010 heeft KNMvD een schriftelijk standpunt ingenomen over ‘het onbedwelmd slachten van dieren’ (hierna: het standpunt). De samenvatting van dit standpunt luidt als volgt:

De KNMvD is voorstander van het bedwelmd slachten van dieren. De KNMvD vindt dat het dierenwelzijn bij het onbedwelmd slachten van runderen en in mindere mate bij dat van schapen onaanvaardbaar wordt aangetast. Onder de huidige wet- en regelgeving, waarbinnen het onbedwelmd slachten volgens bepaalde riten is toegestaan, zijn het vooral de omstandigheden, die de mate van aantasting van dierenwelzijn bepalen.

In het standpunt worden onder andere aanbevelingen gedaan voor verbetering van die omstandigheden.

2.12. Bij de stukken bevindt zich een door NIK c.s. in het geding gebracht ‘Preliminary Report’ van Professor J.M. Regenstein Ph.D., Professor of Food Science van Cornell University, Ithaca NY, Verenigde Staten van Amerika, van 23 mei 2011, voluit luidende: ‘Expert Opinion on Considerations When Evaluating All Types of Slaughter: Mechanical, Electrical, Gas and Religious Slaughter and A Critical Scientific Review of Report 161: Ritual Slaughter and Animal Welfare (September, 2008); Report 398: Report on Restraining and Neck Cutting or Stunning and Neck Cutting in Pink Veal Calves (September, 2010) by the Animal Sciences Group, Wageningen UR; and the 2009 New Zealand Papers by Gibson et al.’ In dit rapport is op bladzijde 31 onder meer het volgende opgenomen:

Report 161. Ritual Slaughter And Animal Welfare.

Page 25. The conclusions page is a disaster. It returns to pre-conceived notions and is inconsistent with the documentation. I guess the hope is that many readers will just read the conclusion.

Most of my objections have already been covered by statements made earlier. However, despite their best attempts to force the issues into their preconceived ideas, the authors do make one very important statement: “The discomfort involved in ritual slaughter can be reduced by attending to details of the restraining methods, altering the design of slaughterhouses, using trained personnel, and performing regular slaughterhouse audits.” So here we have the authors’ admission that they really don’t have a basis for banning religious slaughter. And the authors admit that they really do not know much about what is happening in Holland. Their suggestions for how to slaughter without stunning include some good suggestions but also go beyond what is needed and helpful, and they delve into areas of marketing and policy that are beyond the scope of this paper, which again undermines the credibility of the work.

So again the truly rational conclusion is that work needs to be done to improve slaughter, both secular and religious slaughter. More time and attention to improving the situation by working together will be more expeditious and greater impacts on animal welfare then a lot of expensive studies on bad systems.

Voorts is in dit rapport op de bladzijden 31 en 32 onder meer het volgende opgenomen:

Report 398. Report on Restraining and Neck Cutting or Stunning and Neck Cutting in Pink Veal Calves.

Page 9. The English Summary. The difference between “electro-narcosis” and electrical stunning needs to be clarified. If electrical stunning, (i.e., the stun must be fully reversible) is not permitted then maybe the legislation that is needed is to permit electrical stunning. Other aspects in the summary are incomplete but whether these details are covered sufficiently in the text will be evaluated at the appropriate point in the text.

The final statement in the conclusion is exactly the major problem with this work. The corneal reflex (nictitating membrane in birds) according to Dr. Grandin is usually the final reflex to go before full insensibility (death) occurs. So it may be long after unconsciousness and therefore the relevance of this research becomes extremely questionable.

Ten slotte vermeldt het rapport van Professor Regenstein op bladzijde 33 onder meer het volgende:

The final conclusion clearly was the goal of the work, i.e., to recommend stunning. So regardless of the outcome or the meaningfulness of the work, this conclusion had to be established. It, however, is not credible after a careful reading and evaluation of the paper. Overall this paper is far from addressing any significant aspects of the religious slaughter itself, i.e., the issue of stunned versus un-stunned slaughter.

2.13. In appendix VII van voornoemd rapport (bladzijde 35) bespreekt Professor Regenstein het standpunt van KNMvD:

The premise that doing religious slaughter is slower is not relevant to a discussion of humane slaughter and, possibly more difficult to do right, does not preclude it from actually being done right. The possible need to upgrade equipment is also real, but that again does not support the need to ban un-stunned religious slaughter. Dealing with the worst-case scenario for unconsciousness is an issue that has already been dealt with. The key is that for cattle, which are the hardest animal to slaughter, the time is 10 to 33 seconds with an average of about 17 seconds for a good system (Dr. Grandin, personal communication) and which is then what religious slaughter plants ought to be expected to meet.

Many of the other issues remain unproven postulates and have also been discussed elsewhere. So this statement is based on the same inappropriate research as has already evaluated and discussed in detail elsewhere in this report.

2.14. Bij e-mailbericht van 29 maart 2011 heeft de advocaat van NIK c.s. een groot aantal vragen voorgelegd aan de [Z] van DLO betreffende - kort gezegd - de inhoud van de rapporten 161 en 398 en de vraag wie deze rapporten heeft uitgebracht.

2.15. Eveneens bij e-mailbericht van 29 maart 2011 heeft de advocaat van NIK c.s. een aantal vragen voorgelegd aan de heer [Y] van KNMvD betreffende - kort gezegd - het standpunt van KNMvD.

2.16. In reactie op de aan de heer [Z] voorgelegde vragen heeft de heer ir. drs. [E], directeur van ASG, op 4 april 2011 onder meer het volgende aan de advocaat van NIK c.s. bericht:

De onderzoeken waaraan u in uw mail refereert zijn beiden verricht door de stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek, onderdeel van Wageningen UR. De onderzoeken zijn in opdracht van het ministerie van economische Zaken, Landbouw en Innovatie (destijds LNV) verricht. Het moge duidelijk zijn dat in dier voege u uw vragen aan het betreffende ministerie als opdrachtgever en eigenaar van de onderzoeksrapporten zult moeten stellen. Het ministerie kan, indien het daartoe aanleiding ziet, desgewenst nadere vragen aan Wageningen UR voorleggen.

Voorts willen wij ten overvloede opmerken dat onderzoek verricht door Wageningen UR aan de hoogste kwaliteitscriteria voldoet. Alle onderzoekers zijn gebonden aan de Wageningse gedragscode voor wetenschapsbeoefening en de integriteitscode van Wageningen UR. Beide codes zijn te downloaden op eerder aangegeven website onder de tab: corporate governance.

Om bij het laatste punt aan te sluiten: aan uw verzoek in onderhavige mail aan Wageningse UR om de onderzoeksrapporten te herroepen zal vanzelfsprekend niet worden voldaan.

2.17. In reactie op de aan de heer [W] voorgelegde vragen heeft de heer[C], directeur van KNMvD, bij brief van 5 april 2011 onder meer het volgende aan de advocaat van NIK c.s. bericht:

In antwoord op uw vragen kan ik u het volgende mededelen.

De KNMvD is bij het opstellen van het standpunt zorgvuldig te werk gegaan. Er is een grote hoeveelheid aan wetenschappelijke literatuur geraadpleegd, waaronder ook het bovengenoemde artikel van Rosen. Een overzicht van deze artikelen vind u in de literatuurlijst bij ons standpunt (bijlage 1). Op basis van dit brede wetenschappelijke inzicht zijn wij van mening dat het onbedwelmd slachten een ernstige aantasting vormt van het dierenwelzijn van runderen en in mindere mate van schapen.

Ook na publicatie van ons standpunt in 2008 zijn er nog verschillende wetenschappelijke publicaties verschenen die onze visie ondersteunen. Ik wijs u in het bijzonder op de onderzoeken van[Z] c.s. uit 2008 (bijlage 2) en 2010 (bijlage 3). Maar ook maak ik u graag attent op de conclusies van veterinaire wetenschappers betrokken bij het Dialrel-project uit 2010 (bijlage 4). Vooralsnog zien we dan ook geen aanleiding om ons standpunt te heroverwegen. Dat neemt niet weg dat wij graag de dialoog aangaan met uw cliënt over diervriendelijke slachtmethoden.

2.18. De advocaat van NIK c.s. heeft in reactie op het onder 2.16 genoemde bericht bij e-mailbericht van 5 april 2011 aan de heer [B] nogmaals om een inhoudelijke reactie gevraagd. Omdat hierop geen reactie is gekomen, heeft de advocaat van NIK c.s. bij e-mailbericht van 18 april 2011 Wageningen UR verzocht en voor zover nodig gesommeerd ervoor zorg te dragen dat binnen drie dagen de in de e-mail van 29 maart 2011 gestelde vragen inhoudelijk worden beantwoord, alsmede dat de daarin verzochte informatie wordt verstrekt. Een soortgelijke sommatie heeft de advocaat van NIK c.s. bij e-mailbericht van 18 april 2011 aan KNMvD verstuurd.

2.19. Bij brief van 12 april 2011 heeft de heer drs. [D], Secretaris-Generaal van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, namens de staatssecretaris van het betreffende ministerie onder meer het volgende aan de advocaat van NIK c.s. bericht:

In uw e-mailbericht van 29 maart jl. heeft u mijn ministerie een aantal vragen voorgelegd over twee rapporten die Animal Sciences Group van Wageningen UR (hierna: ASG) in 2008 en 2010 heeft aangeboden aan de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV). Onder andere vraagt u met betrekking tot beide rapporten om een kopie van:

- het verzoek van de minister om de literatuurstudie en

- de aan dat verzoek voorafgegane en daarop gevolgde correspondentie tussen de minister

en ASG en eventueel bij de onderwerpelijke materie betrokken derden.

Deze verzoeken zijn aan te merken als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Verder vraagt u naar het wetenschappelijke niveau, de onafhankelijkheid en de financiering van de onderzoeken. Hieronder ga ik op deze aspecten in.

Ik beschik over het verzoek om literatuurstudie van de minister van LNV en de bevestiging van de opdracht door ASG met betrekking tot het onderzoek dat heeft geresulteerd in het rapport van 2008. Het onderzoek dat heeft geleid tot het rapport van 2010 maakte deel uit van het onderzoeksprogramma rond het thema “Bedwelmen en doden van dieren”. Ik beschik over de offerte voor dit onderzoeksprogramma en de bevestiging van de opdracht. Het onderzoeksplan is gepubliceerd op http://www.kennisonline.wur.nl/BO/BO-07/011.beschrijving.htm. Het onderzoek dat heeft geleid tot het rapport van 2010 staat vermeld bij project BO-07-011-038.04.

Wageningen UR is een samenwerkingsverband tussen Wageningen University, de stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek en de stichting Van Hall/Larenstein. Het onderzoek dat verricht wordt door Wageningen UR voldoet aan de hoogste kwaliteitscriteria. Alle onderzoekers zijn gebonden aan de Wageningse gedragscode voor wetenschapsbeoefening en de integriteitscode van Wageningen UR. Deze codes kunt u vinden op de website www.wur.nl, onder de tab: corporate governance. Met het voldoen aan deze criteria is de onafhankelijke status van de onderzoeker en het onderzoek voldoende gewaarborgd. Het onderzoek is volledig door het ministerie van LNV gefinancierd. Dit blijkt ook uit de stukken waarop het Wob-verzoek betrekking heeft. (…)

Beslissing

Ik maak de gevraagde gegevens openbaar, met uitzondering van de daarin opgenomen bedrijfsinformatie en de namen en persoonsgegevens van medewerkers van het toenmalige ministerie van LNV en van ASG.

2.20. Bij e-mailbericht van 19 april 2011 heeft de heer [B] onder meer het volgende aan de advocaat van NIK c.s. bericht:

Ten aanzien van de (veelal suggestieve) vragen die u de organisatie heeft gesteld naar aanleiding van onderhavige onderzoeksrapporten zien wij waarlijk niet op welke wijze wij deze vragen van antwoorden kunnen voorzien. Enerzijds blijkt helder uit uw vraagstelling dat antwoorden die niet in het belang van uw cliënte kunnen worden uitgelegd, onacceptabel zijn; anderzijds stelt u de vragen onder toevoeging van een claim uit onrechtmatige daad. Wageningen UR kan zich op deze wijze als onafhankelijk kennisinstituut niet onder druk laten zetten. Ook overigens, is er ons inziens geen (juridische) grondslag op basis waarvan Wageningen UR op uw verzoek of dat van uw cliënte zou moeten ingaan.

2.21. Bij e-mailbericht van 13 mei 2011 heeft de advocaat van NIK c.s. de heer [B] nogmaals gesommeerd ervoor zorg te dragen dat de (rechts)personen die de bewuste onderzoeken hebben verricht en de bewuste rapporten hebben uitgebracht, een behoorlijke en inhoudelijke beantwoording geven van de e-mail van 29 maart 2011. Tevens heeft hij deze (rechts)personen, voor het geval zij niet tijdig en ten volle aan de sommatie zullen voldoen, in gebreke gesteld.

2.22. Bij brief van 10 juni 2011 heeft de heer [C] namens KNMvD onder meer het volgende aan de advocaat van NIK c.s. bericht:

In uw mailbericht d.d. 18 april 2011 neemt u het standpunt in dat de KNMvD, vanwege haar maatschappelijke positie en het gewicht die haar standpunten daardoor hebben, gehouden is om inhoudelijk te reageren op uw verzoek. De KNMvD is zich uiteraard zeer bewust van haar positie in de maatschappij en de rol die zij heeft in het maatschappelijke debat ten aanzien van dierenwelzijn, diergezondheid, volksgezondheid en voedselveiligheid. De KNMvD draagt deze verantwoordelijkheid namens haar leden, de dierenartsen, al bijna 150 jaar en neemt deze zeer serieus. Ook ten aanzien van het bestreden document, ‘Standpunt KNMvD over het onbedwelmd slachten van dieren’ is de KNMvD zeer zorgvuldig te werk gegaan. De inhoud van het standpunt is gebaseerd op een uitgebreide en zorgvuldig samengestelde literatuurlijst die u al met de brief d.d. 5 april 2011 is toegezonden. Publicaties van recentere datum bieden ondersteuning voor ons standpunt, zoals ook vermeld in de brief d.d. 5 april 2011.

Gezien het voorgaande en na zorgvuldige afweging van uw argumenten, is de KNMvD van mening dat het door u bestreden standpunt reeds meer dan voldoende is toegelicht en dat een nadere schriftelijke toelichting niets zou toevoegen aan de beschikbare informatie. Indien u en uw cliënt alsnog met de KNMvD in gesprek willen treden over het standpunt aangaande onbedwelmd slachten van dieren, is en blijft de KNMvD hiertoe bereid, zoals we ook hebben aangegeven in de brief van 5 april jl.

2.23. Bij de stukken bevindt zich een door Wageningen UR en KNMvD in het geding

gebracht DIALREL-rapport, getiteld ‘Report on good and adverse practices – Animal welfare concerns in relation to slaughter practices from the viewpoint of veterinary sciences’ van februari 2010. Dit rapport, dat in opdracht van en gefinancierd door de Europese Commissie is opgemaakt door verschillende veterinaire wetenschappers uit Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Italië en Nederland, gaat kort gezegd over de zorgen over welzijn van dieren in relatie tot verschillende slachtpraktijken, te weten halssnede zonder bedwelming, bedwelming voorafgaand aan de halssnede en bedwelming na de halssnede, telkens gezien vanuit de veterinaire wetenschappen. Het bediscussieert en evalueert de verschillende slachtmethoden inclusief de voorbereidende activiteiten. Het rapport is gebaseerd op literatuuronderzoek en op observaties gedaan tijdens bezoeken aan slachterijen in verschillende landen waaronder Nederland. In het rapport is geen vergelijking gemaakt tussen Islamitische en joodse onbedwelmde slachtmethoden. In onderdeel 5.4 van het rapport, ‘Overall conclusions’, is onder meer het volgende opgenomen:

• All slaughter methods bear the risk of inadequate equipment or lack of sufficient knowledge or skills. They should be compared either if performed under optimum conditions or including an evaluation of the specific risks under practical conditions.

• There is considerable room for development and improvement with regard to management of the implicated risks for all slaughter methods.

• There is a need to define standard operation procedures for all slaughter methods. In regard to stunning prior to neck cutting especially diagnosis of failed stunning is required and measures to prevent inadequate stunning efficiency must be taken. Additional indicators during neck cutting without stunning to determine final loss of consciousness and actions to be taken in cases of prolonged consciousness are also needed.

• For all slaughter methods excited animals represent a special risk. In excited animals exact application of the stunning devices and the cut is more difficult and this can cause additional pain and suffering. Moreover, it is possible that stunning effectiveness can be impaired and that there is an increased risk for prolonged consciousness during slaughter without stunning.

• During neck cutting without stunning and often during post neck cut stunning, restraint is complex and imposes more stress and strain on the animal than during stunning prior to neck cutting. More manipulation of the animal is required to achieve the right position for neck cutting, including stretching the neck in red meat species. In addition, improved post cut management is needed after neck cutting without stunning to achieve optimum bleeding and also avoid the risk of mechanical and chemical stimuli on the wound surfaces.

• It can be stated with high probability that unstunned animals feel pain during and after the throat cut without prior stunning.

• If a reversible stunning method is successfully applied the animal will lose consciousness immediately (except for gas stunning) and will not feel potential pain during the cut and subsequent bleeding. If neck cutting without stunning is used, unconsciousness will occur after the brain function is lost due to lack of perfusion with blood.

• There is a critical period after the incision, during which an unstunned animal may temporarily perceive pain and distress before it becomes irreversibly unconscious due severe blood loss. In addition multiple cuts could increase the potential of inflicting further pain. This period represents a special risk.

• Reversible methods of stunning prior to neck cutting bear the risk of regaining consciousness if sticking is performed too late or if bleeding quality is low. For neck cutting without stunning there is as well a risk of drifting into consciousness again if compensatory mechanisms of the body are successful and not overwhelmed by volume losses. It might be argued that both risks are comparable. However, it has to be taken into account that for neck cutting without stunning there is no safety margin. Moreover, even considering the variability of routine slaughter conditions, usually no “back up”- stunning is performed after slaughter without stunning.

• Stunning post neck cutting will avoid potential pain and suffering from the moment it is applied. This should markedly improve animal welfare in relation to neck cutting without stunning during the time between the cut and loss of consciousness. Nevertheless the time needed to perform the cut and the period after the cut are not affected by post-cut stunning.

2.24. Bij de stukken bevindt zich verder een in opdracht van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap opgemaakt TNO-rapport van 14 juni 2011, getiteld ‘Kritische beoordeling van drie rapporten aangaande welzijnsaspecten bij ritueel geslachte dieren’. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

7. Conclusies

In het kader van dit rapport zijn drie rapporten beoordeeld die betrekking hebben op het welzijn van dieren in relatie tot verschillende slachtmethoden. Twee rapporten (Rapport 161 en het Dialrel rapport) betreffen literatuurstudies, waarvan een aangevuld met observaties van veterinairen en wetenschappers tijdens zogenaamde spot visits. Een derde rapport (Rapport 398) betreft een experimenteel onderzoek.

Rapport 161: ritueel slachten en het welzijn van dieren (Animal Sciences Group, Wageningen UR, september 2008) is een helder en overzichtelijk opgebouwd rapport van een literatuurstudie. Het bevat vele passages die voor de discussie over welzijnsaspecten in relatie tot slachtmethoden van belang zijn. Echter, mede door de relatief beperkte hoeveelheid gerefereerde literatuur is een deel van de conclusies niet gebaseerd op feiten maar op veronderstellingen of mogelijkheden, terwijl een ander deel gebaseerd is op ‘worst case’ scenario’s. Het daarbij gebezigde behoudende taalgebruik is in wetenschappelijke zin terecht, maar de hardheid van de conclusie en daarmee de wetenschappelijke waarde van het rapport zijn daardoor beperkt.

Rapport 398: Report on restraining and neck cutting or stunning and neck cutting in pink veal calves (Animal Sciences Group, Wageningen UR, september 2010) heeft een aantal tekortkomingen. Er is voor dit experimenteel onderzoek geen onderzoeksvraag geformuleerd. De experimentele omstandigheden en de data analysemethoden zijn onvoldoende gedetailleerd beschreven om de kwaliteit en relevantie van de gepresenteerde data goed te kunnen beoordelen. Het is niet duidelijk of de tekortkomingen de opzet en uitvoering van de studie zelf betreffen of dat alleen de rapportage ontoereikend is. De wetenschappelijke kwaliteit van het rapport in deze vorm is echter onvoldoende om een wezenlijke bijdrage te kunnen leveren aan de discussie rond welzijnsaspecten van rituele slacht.

Dialrel rapport: Report on good and adverse practices – Animal welfare concerns in relation to slaughter practices from the viewpoint of veterinary sciences (Dialrel, februari 2010) is een helder en wetenschappelijk verantwoord verslag van een literatuurstudie gecombineerd met observaties van slachtactiviteiten door veterinairen en wetenschappers. Het behandelt uitgebreid de verschillende slachtmethoden en de daarmee samenhangende welzijnsaspecten. De conclusies en aanbevelingen zijn voldoende onderbouwd met literatuurgegevens en ter plaatse van de slacht uitgevoerde observaties.

2.25. Bij de stukken bevindt zich tevens een Achtergrondrapport van het platform Landbouw, Innovatie & Samenleving (Stuurgroep Technology Assessment van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) van maart 2006 dat is getiteld: ‘Wie betaalt bepaalt? - Advies aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de noodzaak van onafhankelijkheid en diversiteit van het wetenschappelijk onderzoek’. In de ‘samenvatting en advies’ van dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

Probleemstelling

De sterke toename van het contractonderzoek aan de universiteiten en andere publieke onderzoeksinstellingen baart de academische wereld toenemende zorgen. Men ziet risico’s voor de betrouwbaarheid, de toegankelijkheid, de diversiteit en de innovatiekracht van het onderzoek.

(…)

Aangezien Wageningen UR “valt” onder LNV en LNV het overgrote deel van zijn onderzoeksbudget daar aan besteedt, richten wij ons vooral op Wageningen UR. In het rapport signaleren wij enkele verontrustende ontwikkelingen die zich wereldwijd in de wetenschap voordoen. Sommige van deze ontwikkelingen doen zich ook in Nederland voor, ook aan universiteiten en andere publiek gefinancierde onderzoeksinstellingen. Wij hebben geen enkele aanwijzing dat zulks aan de Wageningen Universiteit meer of minder het geval zou zijn dan aan andere universiteiten. Ons advies is veeleer een signaal naar de minister van LNV en naar Wageningen UR om alert te zijn op deze ontwikkelingen en waar nodig voorzorgsmaatregelen te nemen.

Bevindingen

Contractsonderzoek

Ten eerste zijn er risico’s voor de betrouwbaarheid. Onderzoekers kunnen onder druk komen te staan van de opdrachtgever, die immers geen neutrale maar een belanghebbende partij is. (…) Het feit dat Wageningen UR zeer actief is in de life sciences (o.a. voedingswetenschappen) kan dus reden zijn voor waakzaamheid. (…)

Meerdere hoogleraren verbonden aan wetenschappelijke instellingen, ook in Wageningen, waarschuwen voor de toenemende druk van het bedrijfsleven om resultaten van onderzoek geheim te houden of selectief te publiceren. Incidenteel valt zelfs de term “wurgeisen”.

In zulke situaties is het van groot belang dat de onderzoeker bereid en in staat is “de rug recht te houden”.De positie van de gemiddelde onderzoeker is echter structureel verzwakt door de druk om te publiceren, de schaarste aan vaste aanstellingen en de competitie tussen instellingen. Des te belangrijker is het dat de universiteit een robuuste gedragscode heeft die de onderzoeker houvast biedt. Wageningen UR heeft Etische Richtlijnen ingevoerd. Die richtlijnen behoeven aanscherping, met name waar het gaat om publicatierecht. (…)

Ten tweede zijn er risico’s voor de toegankelijkheid van onderzoek voor derden.

Ten derde zijn er risico’s voor een eerlijke verdeling van financiële en andere baten tussen opdrachtgever, onderzoeker of derden.

Ten vierde zijn er risico’s voor de innovatiekracht.

Tenslotte zijn er risico’s voor de diversiteit van onderzoek.

Kennisinfrastructuur

(…) Publiek-private samenwerking in het onderzoek heeft belangrijke voordelen en wordt in toenemende mate door de overheid gestimuleerd. De eerder genoemde risico’s door vervlechting van publieke en private belangen gelden hier echter in versterkte mate omdat het gaat om structurele samenwerking. Daar komt bij de sterke complexiteit en geringe transparantie inzake verantwoordelijkheden tussen bedrijven, onderzoeksinstellingen en overheid. (…) Van monopolies op universitair niveau is sprake bij enkele landbouwkundige disciplines (Wageningen UR) en bij de diergeneeskunde (de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht). Monopolies hebben de neiging tot eenzijdigheid, gering innovatievermogen en een gesloten houding naar de buitenwereld. Wageningen is in de jaren ’90 begonnen dat probleem aan te pakken door de vensters open te zetten en (hernieuwd) contacten te leggen met de landbouw en maatschappelijke organisaties. Toch hebben maatschappelijke organisaties nog geen stem in het publiek-private topinstituut Wageningen Centre for Food Sciences. Ook is DLO nog meer afgeschermd van competitie dan goed lijkt voor kwaliteit, creativiteit en diversiteit.

Aanbevelingen

(…)

Aanbevelingen kennisinfrastructuur

(…)

4. DLO is meer afgeschermd van competitie dan goed is voor kwaliteit, creativiteit en diversiteit. Bevorder op die terreinen waar voldoende kritische massa aanwezig is de competitie in het onderzoek bij DLO. Verhoog het percentage van de programmagelden dat is bestemd voor open aanbesteding.

5. Voeg aan de voorwaarde voor programmafinanciering van DLO toe dat DLO transparantie verschaft inzake de andre financiers van de kenniseenheden en inzake eventuele zakelijke nevenbelangen van onderzoekers.

6. Verplicht besturen van door u (mede) gefinancierde kennisinstellingen alsmede uw adviescommissies om – in navolging van de Gezondheidsraad – op hun websites de relevante nevenbelangen van hun leden te vermelden.

Wageningen UR adviseren we als volgt:

1. Bewaak dat leerstoelgroepen niet voor meer dan bijvoorbeeld 25% afhankelijk worden van één of twee grote opdrachtgevers. (…)

2. Sinds de fusie van Wageningen Universiteit en DLO treedt vermenging van en spanning tussen twee culturen: de onafhankelijke cultuur van de universiteit en de meer markt/opdrachtgever-georiënteerde cultuur van DLO. Schep duidelijkheid over de verschillende verantwoordelijkheden van DLO en universiteit en bevorder met kracht dat de open en onafhankelijke universitaire cultuur overeind blijft onder de directe en indirecte druk van opdrachtgevers.

3. Creëer transparantie inzake financiers: verplicht elke kenniseenheid op haar website te vermelden wie haar financiers zijn en welke relevante belangen de onderzoekers hebben.

Aanbevelingen agendering

(…)

Wageningen UR bevelen we aan:

4. Dring er bij alle kenniseenheden op aan om bij hun onderzoeksagendering naast het bedrijfsleven ook maatschappelijke organisaties om advies te vragen.

Aanbevelingen opdrachtverlening en contracten

(…)

De minister van LNV adviseren we als volgt:

16. Pas bij opdrachten op controversiële terreinen een zgn. extended peer review toe, waarbij elke belanghebbende partij gelegenheid krijgt commentaar te leveren op probleemstelling, vraagarticulatie, resultaten en conclusies.

2.26. Bij de stukken bevinden zich ten slotte de door Wageningen UR in het geding gebrachte ‘Wageningse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, Principes van goed wetenschappelijk onderwijs en onderzoek’, d.d. 15 september 2008, alsmede de ‘Integriteitscode Wageningen UR’, d.d. 26 oktober 2009.

3. Het geschil

3.1. NIK c.s. vorderen telkens op straffe van een dwangsom, dat:

A.

Wageningen UR wordt veroordeeld om binnen een week, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn na betekening van dit vonnis, de navolgende vragen te beantwoorden en de daarin verzochte copie-stukken c.q. informatie te verstrekken:

wat betreft haar rapport 161 uit 2008:

1. Aan wie c.q. welke rechtspersoon of rechtspersonen heeft, zoals vermeld in het

rapport, de minister de “Animal Sciences Group van Wageningen UR” gevraagd om de literatuurstudie?

2. Een kopie van het sub 1 bedoelde verzoek.

3. Hoe zijn de kosten van het onderzoek en ook overigens de totstandkoming van het

rapport gefinancierd?

4. Zijn die kosten betaald uit de aan het ministerie in rekening gebrachte bedragen of

is er sprake geweest van cofinanciering, en, in laatstbedoeld geval, wie hebben, direct en/of indirect, er financieel of anderszins aan bijgedragen?

5. Welke bedragen zijn voor, of in verband met, het onderzoek en de rapportage in

rekening gebracht, door wie, en aan wie?

6. Zijn aan het rapport c.q. delen daarvan een of meer concepten voorafgegaan? Zo ja,

kopie van die concepten, en op welke punten en in welke zin wijkt de uiteindelijke

versie af van daaraan voorafgegane versies?

7. Waarom zijn de concrete vraagstelling en doelstelling van de opdrachtgever niet in

het rapport opgenomen, is geen peer review systeem gehanteerd en heeft kennelijk

geen deskundige redactionele begeleiding plaatsgehad hoewel dit eisen zijn die

gesteld mogen en moeten worden aan wetenschappelijke rapportage door

adviesorganen (zoals, bijvoorbeeld, de Gezondheidsraad), des te meer indien de

overheid wellicht beleid en in dit geval zelfs wetgeving daarop zal baseren?

8. Pagina 17 vermeldt: Zimmerman daarentegen stelt dat het onbedoeld toebrengen

van een messnede bij de mens pas na meerdere seconden tot minuten een

pijngevoel oplevert. Tevens meent hij dat tijdens de onbedwelmde slacht een dier in

shock kan raken, waarbij endogene stoffen vrijkomen die een eventueel pijngevoel

zouden onderdrukken (Zimmerman, 2005).

Waarom is dit punt in de conclusies en aanbevelingen buiten beschouwing gelaten.

9. Pagina 17 vermeldt: Niet duidelijk is of bij deze vorm van pijnonderdrukking bij

alle dieren binnen een soort voorkomt. Het ontbreken ervan zou zeer ernstig leed

kunnen betekenen. Hoe verklaart u dat deze suggestieve uitspraak, die in het

rapport niet wordt bewezen, niettemin als conclusies en aanbevelingen wordt

gedaan?

10. Pagina 17 vermeldt: Het doorsnijden van zenuwen in de halsstreek, waaronder de

N. phrenicus, zou kunnen leiden tot een sensatie van ademnood of verstikking (von

Wenzlawowicz, von Holleben, 2007). Doordat ook de luchtpijp is doorsneden kan

het dier angst en pijn gevoelens niet uiten door te vocaliseren. Deze aanname

wordt in het rapport niet bewezen, zodat het ook hier gaat om een suggestieve en

niet-gevalideerde uitspraak. Hoe verklaart u dat deze uitspraak niettemin in de

conclusies en aanbevelingen wordt gedaan?

11. Pagina 21 vermeldt: Aangezien de zenuwbanen in het ruggenmerg intact blijven,

wordt ervan uitgegaan dat de dieren dit als stressvol zullen ervaren (Gregory,

2008). Ook hier is er sprake van een veronderstelling, die niet wordt bewezen. Hoe

verklaart u dat deze niettemin in de conclusies en aanbevelingen is verwoord?

12. Pagina 26 vermeldt: Tijdens het verbloeden kan bloed in de luchtpijp en longen

terechtkomen. Dieren die nog bij bewustzijn zijn moeten dat als ernstig ongerief

ervaren. Het voelt aan als stikken. Als dit kán, zegt dit niets over de vraag of, en zo

ja hoe vaak, het gebeurt, of en zo ja hoe vaak dieren dan nog bij bewustzijn zouden

zijn en of, en zo ja hoe, zij iets ervaren. Waarom is deze uitspraak niettemin in de

conclusies en aanbevelingen verwoord?

13. Pagina 26 vermeldt: Diverse islamitische en joodse organisaties blijken bepaalde

vormen van bedwelmd ritueel slachten te accepteren. Deze conclusies is wat

betreft de Joods-religieuze slacht pertinent onwaar. Waarom is deze uitspraak

niettemin in de conclusies en aanbevelingen verwoord?

wat betreft haar rapport 398 uit september 2010:

14 De hierboven onder 1 t/m 7 gestelde vragen, waar nodig zoveel mogelijk

overeenkomstig.

15 Anders dan het rapport uit 2008 dat alleen een studie van (enkel buitenlandse)

literatuur betrof, betreft rapport 398 uit september 2010 daadwerkelijk verricht

praktijkonderzoek, bevindingen daarbij en, naar aanleiding daarvan, conclusies en

aanbevelingen. Is hoewel de opdracht luidde: onderzoek naar bedwelmd ritueel

slachten van runderen volgens de Islamitische ritus, aan dit praktijkonderzoek geen

Islamitische slachter of andere bij de Islamitische slacht betrokken functionaris te

pas gekomen?

16 Is de joods-rituele slacht in de praktijk (in Nederland) niet onderzocht, (hoewel

vooraanstaande wetenschappers, onder wie Dr. T Grandin, juist de feitelijke

omstandigheden in het slachthuis en van de slacht bepalend achten voor het

dierenwelzijn, en veel minder de slachtmethode)?

17 Het rapport vermeldt in de Preface: The Directive makes an exception for omitting

stunning during ritual slaughter: The different religious groups have established their own rules.

Waarom wordt, in afwijking van de onderzoeksopdracht en zonder enige

onderbouwing, in het rapport gesuggereerd dat het rapport ook voor andere dan de Islamitische slachtritus relevant zou zijn?

18 Is het rapport relevant voor de slacht op Joods-religieuze wijze (dus: met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften en verricht door een bevoegde sjochet (slachter) hoewel deze wijze van slachten buiten de onderzoeksopdracht viel, en werd ook niet onderzocht? Op grond waarvan werd niettemin, en selectief, vermeld (op pagina 2): The neck cut has to be performed in two fluent movements, but during Jewish slaughter a mean of 3.2 cuts were needed and with Halal slaughter a mean of 5.2 cuts was reported. Even then the main arteries in the neck were not completely or incorrectly servered in one out of ten animals (Gregory et al., 2008)?

19 Het rapport vermeldt: The question remains whether or not the animals suffers during exsanguination. It is difficult to measure pain in an animal and results from different experiments show a different duration of consciousness after the neck cut. Het rapport is dus gebaseerd op aannames, niet op conclusieve wetenschap. Waarom?

20 Waarom vermeldt het rapport (in het voorwoord): The government should establish requirements for handling during ritual slaughter and facilitate a dialogue with those religious groups involved hoewel dergelijke beleidsadviezen in een wetenschappelijk rapport niet thuis horen en (voor zover bekend) door de opdrachtgever niet gevraagd waren? Waar baseren onderzoekers dit advies op en waarom is dit uit het rapport niet kenbaar?

21 Het rapport vermeldt: Tevens zijn bloed waarden gerelateerd aan de

energievoorziening gemeten. Waarom zijn deze metingen verricht? Wat heeft men

hiermee willen onderzoeken? Wat waren de aan de onderzoeksopdracht

gerelateerde uitkomsten? Waarom is dit alles uit het rapport niet kenbaar?

22 Het rapport vermeldt: Het verdient aanbeveling om fixeren, verdoven en

aansnijden op een dragende restrainer met aan het einde een kopfixatietoestel te

laten plaatsen vinden bij runderen om de stress tijdens het draaien te voorkomen.

Is stress onderzocht, zo ja hoe, en waarom is dit uit het rapport niet kenbaar?

Waarom is niet (ook) onderzocht in welke mate het dier stress heeft als het wordt

geslacht terwijl het vóór die slacht niet eerst in een rotatiebox wordt geplaatst, maar

op een dragende restrainer met een kopfixatietoestel?

23 Het rapport vermeldt: Uit de literatuur en het huidige onderzoek blijkt dat

bewustzijn bij runderen na alleen een halssnede gemiddeld ongeveer 1,5 minuut

aanhoudt en kan oplopen tot 4 minuten. Gedurende deze periode kan het dier

mogelijk pijn ervaren. Waarom is deze uitspraak in het rapport niet onderbouwd,

laat staan bewezen en is het onderwerp in het onderzoek als zodanig niet aan de

orde geweest? Waarom vermeldt het rapport dit dan tóch? Waarom worden

andersluidende onderzoeksbevindingen in het rapport niet genoemd, zoals:

“De periode van bewusteloosheid tussen bedwelmen en dood (of herstel) is met de

huidige technieken moeilijk direct meetbaar (Savenije, 2002) en zeker niet

meetbaar onder commerciële slachterijomstandigheden (Wageningen UR

Livestock Research, “Indicatoren voor bewusteloosheid”, september 2009)?

24 Hoe kan het rapport vermelden: The neck cut has to be performed in two fluent

movements, but during Jewish slaughter a mean of 3.2 cuts were needed and with Halal slaughter a mean of 5.2 cuts was reported, hoewel het onderzoek niet de joods-religieuze slacht betrof? Bij de joods-religieuze slacht wordt de halssnede conform de richtlijn in één vloeiende heen-en-weerbeweging uitgevoerd. De suggestie dat het er twee zijn, of zelfs moeten zijn, is onjuist. Waar is deze onjuiste vermelding op gebaseerd?

25. Het rapport vermeldt: The aim of this study is to assess brain and heart activity

during restraining and rotating the animal 90°, 120° or 180° and before and after neck cutting, neck cutting followed by captive bold and electrical stunning before neck cutting. Waarom wordt hier wel het doel van het onderzoek gedefinieerd, maar ontbreekt een voorafgaande vraagstelling? Waarom vindt hier een wetenschappelijk niet geoorloofde omdraaiing plaats: worden eerst metingen verricht en doet men vervolgens aanbevelingen die niet op meetresultaten gebaseerd kunnen worden?

26. Het rapport vermeldt: Correlation dimension analysis is a relatively new technique

that has been customized to measure depth of anesthesia in humans (Broek, 2003).

It is suggested that a reduction in CD to 60% of the baseline value was an indicator of unconsciousness (Broek, 2003). Op grond waarvan wordt in het

rapport CD analyse als maat ingevoerd hoewel het, zoals het rapport aangeeft, een nieuwe methode is, die alleen nog bij anesthesie van mensen wordt gebruikt en tot nu toe geen “rundgegevens” bekend zijn? It is suggested is een interpretatie, geen bewijs, dat CD analyse een indicator van bewusteloosheid is, en dan nog bij mensen, niet bij kalveren of runderen. Op grond waarvan acht gedaagde het dan tóch wetenschappelijk verantwoord deze methode toe te passen, en de uitkomsten ervan als betrouwbaar te beschouwen, waar het niet gaat om de mens maar om kip en rund?

27. Het rapport vermeldt: The CD scores and the %power of beta waves varied during

waiting and driving to the stunner. Dit heeft invloed op het experiment. Waarom is deze invloed niet genoemd of gewogen in de resultaten?

28. Het rapport vermeldt: Both values decreased sharply after captive bolt stunning

and the %power of delta and theta waves increased sharply (Table 2a and 2b). Er

is in dit hoofdstuk geen tabel 2a en geen tabel 2b. Hoe wordt dit verklaard?

29 Het rapport vermeldt: Thereafter a slow decrease and increase was observed,

respectively (Table 3a and 3b). Deze tabellen komen in het rapport niet voor. Hoe

wordt dit verklaard?

30 De tekst van de Nederlandse samenvatting en die van de Engelse samenvatting

stemmen op significante punten niet met elkaar overeen: Belangrijke verhogingen in de bloedwaarden werden aangetoond in de zuurstof druk tussen wachtruimte en ingang van het kantelapparaat en in de BE waarde (maat voor verzuring) na

180° draaien, en Interesting increases were observed in blood oxygen values between lairage and entrance to the restrainer and in BE values after rotation to 180°. Hoe wordt dit verklaard? En waarom leiden de geconstateerde verhogingen in de bloedwaarden niet tot conclusies in het rapport?

31 De samenvatting in het Engels vermeldt: According to the EU Council Directive on

the protection of animals, horses, ruminants, pigs, rabbits and poultry brought into

abattoirs for slaughter shall be a) moved and if necessary temporarily housed, b)

restrained and c) stunned before slaughter. Animals must be restrained in an

appropriate manner, so as to spare them any avoidable pain, suffering, agitation,

injury or contusions. Placement in the restrainer is potentially very stressful and

requires special attendance by the operative. Permitted methods for stunning are

1) captive bolt pistol, 2) concussion, 3) electro-narcosis and 4) exposure to approved gas mixtures. The Directive makes an exception to stunning for ritual

slaughter. Some Halal groups accept captive bolt stunning after the cut and/or

electrical stunning.

Waarom komt deze gehele alinea in de Nederlandse samenvatting niet voor?

32 De samenvatting in het Engels vermeldt: After electrical stunning a general

epileptiform insult was observed and characterized with EEG by tonic, clonic and exhaustion phases.

Waarom komt deze ernstige constatering met betrekking tot bedwelming in de Nederlandse samenvatting niet voor?

33. De samenvatting in het Nederlands vermeldt: Door het draaien tijdens de fixatie

steeg de hartslag en veranderde de hartvariabiliteit (daling L/R waarde), waardoor het welzijn mogelijk wordt geschaad (onderstreping R.A.K), en in het Engels: It can be concluded that (onderstreping R.A.K) rotation of the restrainer compromised pink veal calf since the heartbeat rate increased and variability in heartbeat rate fell after rotation. Waarom werd deze niet gevalideerde uitspraak, die voorts geen onderzocht aspect betreft, in het rapport opgenomen?

B.

KNMvD wordt veroordeeld om binnen een week, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn na betekening van dit vonnis, de navolgende vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken:

1. Waarom worden in de literatuurlijst bij het standpunt van 4 augustus 2010 van KNMvD

over “het” onbedwelmd slachten van dieren weliswaar genoemd (onder 9) de

wetenschappers S.D. Rosen, Physiological Insight into Shechita, in het gezaghebbende

Veterinary Record 2004 van The British Veterinary Association; 154: 759-765 en 10, en

(onder 10) T. Grandin en J.M. Regenstein, Religious slaughter and animal welfare; a

discussion for meat scientists, Meat Focus International, March 1994: 115-123, maar

wordt naar hun argumenten vóór koosjer slachten en de onderbouwing daarvan niet

verwezen hoewel in het artikel van Rosen uitgebreid op de onderzoeksresultaten van

Grandin en Regenstein en anderen wordt ingegaan en Rosen daar de gedragsreacties van

dieren ten opzichte van koosjer slachten en de neurofysiologische onderzoeken die

relevant zijn voor de beoordeling van pijn bespreekt?

2. In welke zin en op welke wetenschappelijk objectiveerbare gronden onderschrijft

KNMvD het navolgende (de gecursiveerde passages zijn citaten uit voornoemd artikel

van Rosen, de markeringen in vetschrift en de onderstreepte kopteksten zijn van NIK c.s.)

niet?

Wenselijkheid van voorafgaande bedwelming is gevoelsmatig, niet wetenschappelijk

It has been commented by some in discussions on animal welfare that, while it is accepted that there is no scientific evidence of Shechita being painful, prestunning is nevertheless desirable because the animal should be given ‘the benefit of the doubt’. There is an assumption (even described by some as a ‘tenet of belief’) that stunning before slaughter is a kindness to the animal. The argument underpinning this has been said to be ‘intuitive’. This, thought, is an unreliable measure, to say the least. ‘Intuitive’ in this context’ equals ‘unscientific’; it might also equal ‘irrational’ or, worse still, ‘untrue’.

Geen stress voorafgaand aan de halssnede

There is no direct evidence of behavioural signs of stress in anticipation of Shechita. The restrained animal is calm and still before the act of Shechita, probably due to calm and purposive handling. A further pointer to the efficacy of restraint in this fashion is the fact that it has been adopted by a number of non-Shechita slaughtermen.

Snel verlies van bewustzijn

After the Shechita incision, blood loss is extremely rapid. In Duke’s classical studies (Dukes 1958), 33 per cent of the animal’s entire blood volume was lost in approximately 30 seconds and 50 per cent within one minute. The decrease in blood flow to the brain has been measured by means of a manometer placed in the internal maxillary artery, and the fall in blood pressure in the brain has been shown to be greater than the fall anywhere else in the arterial tree (Spörri 1965). As a consequence, flow through this artery was zero after Shechita. These rapid and important falls in blood pressure were associated with loss of consciousness within a few seconds.

Geen pijn tijdens of na de halssnede

Grandin (1994) reported that before Shechita, at the moment of the incision, and immediately after Shechita there was no flinching and no reflex defence response suggestive of any sensation of pain. Bager and others (1992) also observed a lack of flinching. It can be deduced, therefore, that the incision itself is not painful. The animals studied by Grandin were in a restraining pen, but not constrained to the extent that such movements would have been impeded. The lack of a response to the Shechita incision is in contrast to the observable effects of inflicting such painful stimuli as ear tagging or, possibly, captive bolt stunning.

Een chirurgische incisie

Considering the situation with Shechita, the starting point is, indeed, an animal which is conscious up to the moment of the act of Shechita, but the drastic and rapid fall in cerebral blood flow immediately after the Shechita incision inactivates the cerebral cortex by depriving it of its blood supply, leading to a rapid loss of consciousness. Also, the exquisite sharpness of the Chalaf [slaughterer’s knife], coupled with the smoothness of the incision, mean that, as for a surgical incision, there is minimal stimulation of the incised edges, typically below a level adequate to activate the pain pathways. The latter is analogous to the frequent experience of surgeons who have cut themselves in the course of an operation and only noticed it well after the event. It will also be recalled that proper attention to the halachic requirements during Shechita also contributes to the lack of stimulation of the incised edges.

Conclusie

Shechita is a painless and effective method by which to stun and dispatch an animal in one rapid act.

Rosen concludeert terecht, dat de sjechieta één gecombineerde handeling is waarbij verdoving en doding tegelijkertijd plaatsvinden. Dit in tegenstelling tot de reguliere slacht, die bestaat uit twee handelingen: bedwelming (middels een schot door de kop van het dier) gevolgd door een aparte handeling die de dood tot gevolg heeft.

De reguliere slacht, met voorafgaande bedwelming, geeft - alleen al doordat er twee aparte handelingen moeten plaatsvinden - meer kansen op fouten, die dierenleed tot gevolg hebben dan de sjechieta, die wordt uitgevoerd door een hoogopgeleide slachter met een chirurgisch instrument en een principiële - uit geloofsovertuiging - respectvolle attitude ten opzichte van het dierenwelzijn.

3. Waarom adviseert KNMvD (haar standpunt, blz. 4) dat vlees van onbedwelmd

geslachte dieren voor consumenten in de winkel duidelijk herkenbaar moet zijn door

middel van etikettering, hoewel dit geen diergeneeskundige maar een consumentenzaak

is?

4. Waarom citeert KNMvD veelvuldig de verklaring van vooringenomen Federation of

Veterinarians of Europe, die iedere pagina van haar position paper Slaughter of animals

without prior stunning afsluit met het even ongenuanceerde als veelzeggende statement:

“FVE is of the opinion that the practice of slaughtering animals without prior stunning is

unacceptable under any circumstances”?

5. Welk commentaar heeft KNMvD op de volgende passages uit de Memorie van

Toelichting bij het wetsontwerp Thieme en de daaronder vermelde (door vetschrift

gemarkeerde) kanttekeningen van NIK c.s.?

“Diverse dierenorganisaties zoals de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Dierengeneeskunde (KNMvD) en de Federation of Veterinarians in Europe (FVE) spreken van een onaanvaardbaar dierenleed”. [MvT, 1]

Beide organisaties vellen niet een dier-medisch of zelfs wetenschappelijk, maar een ethisch oordeel, gebaseerd op de humanisering van het dier. Bovendien zijn zowel het begrip “dierenleed” als de kwalificatie “onaanvaardbaar” subjectief. Zij worden niet nader (wetenschappelijk) onderbouwd en duiden op een hoge mate van vooringenomenheid.

“Na het aanbrengen van de halssnede treedt niet onmiddellijk bewustzijnsverlies op. De periode tot het intreden van bewustzijnsverlies kan in lengte sterk variëren afhankelijk van de diersoort, de wijze van het aanbrengen van de halssnede en de manier van verbloeden. Bij runderen en schapen kan deze periode oplopen tot twee minuten (KNMvD, 2008: 3, 4, 5, 6, 13, 14, 15)” [MvT, 2, 5]

Het rapport van de Animal Sciences Group, Wageningen UR (Rapport 161, september 2008) Ritueel slachten en het welzijn van dieren beschrijft (blz. 17): “De bloeddruk daalt na toediening van de halssnede scherp en de bloedtoevoer naar de hersenen valt uit, waardoor het dier al snel het bewustzijn verliest.”

“Bij runderen wordt bij de halssnede de arteria vertebralis niet doorgesneden. (KNMvD, 2008: 4)” [MvT, 2]

De arteria vertebralis verstrekken na het uitvoeren van de sjechieta geen bloed meer aan de hersenen. De rete mirabilis wordt via andere arteria niet meer gevoed na de halssnede omdat deze zijn doorgesneden, waardoor de bloeddruk wegvalt en het bloed ook vanuit de niet-doorgesneden arteria vertebralis niet meer naar de hersenen stroomt. Door bloedgebrek verliest het rund zijn bewustzijn.

“Het uitselecteren, verplaatsen en fixeren bij onbedwelmd slachten neemt over het algemeen meer tijd in beslag dan bij een regulier slachtproces. In de meeste gevallen zijn verregaande maatregelen nodig om het dier te fixeren. Zo worden runderen voorafgaand aan het toebrengen van de halssnede met behulp van een kantelapparaat in zij- of rugligging gebracht. Schapen en geiten worden in een speciale <restrainer> of op een burrie op de rug liggend vastgehouden.” [MvT, 4]

Het uitselecteren, verplaatsen en fixeren bij onbedwelmd slachten is met uitzondering van het gebruik van het kantelapparaat en de restrainer, gelijk aan het uitselecteren, verplaatsen en fixeren bij de reguliere slacht.

Het goed fixeren van het dier is een bewijs van de zorg van de Israëlitische ritus om het dier zoveel mogelijk leed te besparen.

“De KNMvD concludeert dat de wijze van uitselecteren, verplaatsen en fixeren op gespannen voet staat met artikel 3 van het Besluit ritueel slachten. Daarin is conform de Richtlijn (EU) nr. 93/119 bepaald dat bij verplaatsen, onderbrengen, fixeren, slachten of doden de dieren elke vermijdbare opwinding of pijn, elk vermijdbaar lijden en alle vermijdbare verwondingen moeten worden bespaard.” [MvT, 4]

Anders dan de indiener, maakt de Richtlijn bij de beschrijving van het proces gebruik van de kwalificatie “vermijdbare” bij de beschrijving van de sensaties opwinding, pijn en lijden en bij verwondingen. Kennelijk doelt de KNMvD hier met name op de onderdelen verplaatsen en onderbrengen waar het vermijdbare aspect (denk aan het gebruik van o.a. stokken en schokapparaten, het aanwezige aantal dieren, gebrek aan water, gebrek aan rust na transport) wel degelijk een probleem is op de slachthuizen. Dit heeft echter niets van doen met de rituele slacht.

“Tijdens de periode van verbloeden is het dier voor een deel bij kennis en is er zeer waarschijnlijk sprake van onnodige pijn en lijden vanwege o.a. […] de mogelijkheid van stress als gevolg van een plotselinge bloeddrukdaling (KNMvD, 2008: 3, 5).” [MvT, 5]

Het gebruik van “een deel”, “zeer waarschijnlijk”, “onnodig”, en “mogelijkheid” tonen aan dat het standpunt van de KNMvD niet geobjectiveerd is en doorspekt is van ongefundeerde waardeoordelen die - voor zover al aanwezig - niet meer dan een flinterdunne wetenschappelijke basis hebben.

“Op basis van wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bij dieren die bij bewustzijn geslacht worden, het dierenwelzijn meer is aangetast dan bij het reguliere slachtproces (KNMvD, 2008: 3, 6, 7).” [MvT, 5]

De vraag die hierbij moet worden gesteld is die van de mate van bewustzijn waarin de dieren verkeren, een onderwerp waarover de meningen onder wetenschappers sterk verschillen. Hier wordt ook de suggestie gewekt dat bij de reguliere slacht de dieren na bedwelming (een schot in de kop van het dier) niet bij bewustzijn verkeren.

C.

de Staat wordt veroordeeld om binnen een week, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn na betekening van dit vonnis, aan Wageningen UR opdracht, althans toestemming te verlenen om de door NIK c.s. aan Wageningen UR verzochte en bij deze gevorderde beantwoording en informatie aan NIK c.s. te verstrekken,

D.

Wageningen UR, KNMvD en de Staat worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede in de nakosten.

3.2. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van NIK c.s.

4.2. Het gaat in deze zaak om het volgende. In opdracht van het toenmalige ministerie van LNV zijn twee rapporten uitgebracht omtrent -kort samengevat- onverdoofd ritueel slachten, te weten rapport 161 van september 2008, een literatuurstudie naar de welzijnsaspecten van ritueel slachten, en rapport 398 van september 2010 betreffende een onderzoek naar het effect op de hersen- en hartactiviteit van runderen gedurende fixatie en draaien en vervolgens wel of niet bedwelmen voor het verbloeden. Deze rapporten spelen een rol in het actuele politieke en maatschappelijke debat over onverdoofd ritueel slachten. NIK c.s. hebben blijkens de dagvaarding en de toelichting ter zitting bezwaren tegen deze rapporten. Zij hebben enerzijds bedenkingen omtrent de herkomst van de rapporten en de wetenschappelijke onafhankelijkheid waarin die tot stand zijn gekomen. Anderzijds stellen NIK c.s. zich op het standpunt dat op de inhoud van de rapporten en het wetenschappelijk gehalte daarvan in tal van opzichten veel valt af te dingen. Volgens NIK c.s. geven de rapporten een verkeerd beeld van koosjer slachten volgens de Joodse ritus en dreigt op basis van dat verkeerde beeld een verbod op (onverdoofd) koosjer slachten, wat neerkomt op een verbod op koosjer slachten volgens de Joodse ritus omdat tot de essentie daarvan behoort dat dat onverdoofd gebeurt. NIK c.s. stellen zich op het standpunt dat daarmee een ontoelaatbare inbreuk dreigt op hun door o.a. artikel 6 Gw en artikel 9 EVRM beschermde recht op vrijheid van godsdienst. Soortgelijke bezwaren hebben NIK c.s. tegen de inhoud van het door KNMvD op 4 augustus 2010 uitgebrachte standpunt over het onbedwelmd slachten van dieren. Zij vinden dat standpunt onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. Tegen de achtergrond hiervan vorderen zij op grond van onrechtmatig handelen een veroordeling van Wageningen UR en KNMvD tot -kort gezegd- beantwoording van vele vragen naar aanleiding van de inhoud van de rapporten en het standpunt van KNMvD en wat betreft Wageningen UR tevens over de herkomst en de wijze van tot standkoming van de rapporten 161 en 398. Voorts vorderen zij veroordeling van de Staat als opdrachtgever tot de rapporten 161 en 398 om Wageningen UR opdracht althans toestemming te geven de vragen te beantwoorden en de gevraagde informatie te verstrekken.

4.3. Wat betreft de grondslag van de vorderingen moet uit de dagvaarding worden afgeleid dat die daarin gelegen is dat de rapporten 161 en 398 wat betreft de wijze van totstandkoming en de inhoud onrechtmatig zijn jegens NIK c.s. en het standpunt van KNMvD wat betreft de inhoud. Ter zitting heeft de raadsman van NIK c.s. zich echter op het standpunt gesteld dat het niet (schriftelijk) willen beantwoorden van de vragen door Wageningen UR en KNMvD gezien hun maatschappelijke functie en status onrechtmatig is jegens NIK c.s. Het is niet duidelijk of NIK c.s. daarmee hebben bedoeld de grondslag van de vorderingen zoals die uit de dagvaarding blijkt te verlaten. De voorzieningenrechter zal de vorderingen daarom op beide grondslagen beoordelen.

4.4. Ten aanzien van de wijze van tot standkoming van de rapporten 161 en 398 is er in de eerste plaats discussie over de vraag door wie van Wageningen UR (de gedaagden 1 t/m 4) de rapporten zijn opgesteld. Wageningen UR stelt dat de rapporten door DLO zijn opgesteld ingevolge opdracht van het toenmalige ministerie van LNV. Dat is als zodanig niet af te leiden uit de rapporten zelf die vermelden dat zij afkomstig zijn van respectievelijk Animal Sciences Group, Wageningen UR (rapport 161) en Live Stock Research Wageningen UR (rapport 398). In dat laatste rapport is echter toegevoegd ‘part of Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek’. Ook valt uit de stukken waarin opdracht is gegeven voor de onderzoeksrapporten niet af te leiden dat de opdracht aan DLO is gegeven. Namens DLO is ter zitting echter verklaard dat een herstructurering heeft plaatsgevonden waarbij de opdrachten in DLO zijn ingebracht. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard moet worden afgeleid dat Wageningen UR een niet rechtspersoonlijkheid bezittend samenwerkingsverband is tussen Wageningen Universiteit, DLO en Van Hall Larenstein en dat Wageningen Live Stock Research een benaming is van een onderdeel van DLO dat in het kader van het samenwerkingsverband Wageningen UR tezamen met het Departement Dierwetenschappen van Wageningen Universiteit en het onderdeel Centraal Veterinair Instituut van DLO, bekend staat onder de naam Animal Sciences Group. Dat het voor NIK c.s. aldus niet duidelijk was wie de rapporten heeft opgesteld valt te begrijpen. Hoewel DLO aldus is ingebed in een samenwerkingsverband met Wageningen Universiteit en Van Hall Larenstein, hebben NIK c.s. tegenover het standpunt van Wageningen UR dat de rapporten uitsluitend door DLO zijn opgesteld, niet concreet en gemotiveerd aangegeven dat die (mede) door een van de andere gedaagden 1 t/m 4 zijn opgesteld. DLO heeft in dat verband ook onbetwist gesteld dat de heer [Z] in dienst is van DLO. Het enkele feit dat ID-Lelystad (ook) handelt onder de naam Animal Sciences Group noopt niet tot de conclusie dat de rapporten door ID-Lelystad zijn vervaardigd. In dit kort geding wordt er -de verwarring tengevolge van het door elkaar gebruiken van allerlei benamingen van niet juridische entiteiten ten spijt- vanuit gegaan dat de rapporten door DLO zijn uitgebracht. Dat dat gebeurd is in opdracht van het ministerie van LNV vindt bevestiging in de desbetreffende stukken en is door NIK c.s. verder ook niet gemotiveerd weersproken.

4.5. Desgevraagd is ter zitting door DLO verklaard en bevestigd dat DLO een voormalige geprivatiseerde dienst van het ministerie van LNV is en dat tussen het ministerie en DLO een subsidierelatie bestaat. Dat is door NIK c.s. niet weersproken en vindt overigens bevestiging in de overgelegde stukken. De rapporten 161 en 398 zijn volgens DLO binnen onderzoeksopdrachten in het kader van die subsidierelatie tot stand gekomen. Aangenomen moet worden dat de rapporten door het ministerie als opdrachtgever zijn gefinancierd. Door de heer [Z] is namens DLO ter zitting verklaard dat er van rapport 161 concepten zijn geweest die binnen DLO door drie andere wetenschappers zijn gelezen en becommentarieerd en op taal zijn getoetst door twee taalkundigen waaronder een wetenschapsjournalist van buiten DLO. Van rapport 398 is volgens de heer [Z] een concept gelezen door een andere wetenschapper van DLO en is het concept vervolgens naar het ministerie gegaan alwaar het is becommentarieerd door twee deskundige beleidsmedewerkers. Daarop zijn vragen en opmerkingen vanuit het ministerie gekomen, waarna het definitieve rapport is uitgebracht.

4.6. Met hetgeen aldus is gesteld en ter zitting gebleken omtrent de totstandkoming van de rapporten 161 en 398 is voor een deel tevens het antwoord op de vragen 1 t/m 6 en 14 daaromtrent gegeven. Voor een rechtsplicht tot een verdergaande beantwoording ziet de voorzieningenrechter geen grond. Geconstateerd moet worden dat er zorgen bestaan over de onafhankelijkheid van wetenschappelijk onderzoek dat door universiteiten en andere onderzoeksinstellingen waaronder DLO in het bijzonder in opdracht en tegen betaling wordt verricht. Daarvan getuigt het rapport ‘Wie betaalt bepaalt?’ van maart 2006, een ‘Advies aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de noodzaak van onafhankelijkheid en diversiteit van het wetenschappelijk onderzoek’. Er zijn echter geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan in concreto aan de wetenschappelijke onafhankelijkheid van de rapporten 161 en 398 moet worden getwijfeld. DLO heeft gesteld dat zij handelt overeenkomstig de Wageningse Gedragscode Wetenschapsbeoefening en dat de rapporten in overeenstemming daarmee tot stand zijn gekomen. NIK c.s. hebben dat niet gemotiveerd betwist. Dat het meelezen van de rapporten zoals hiervoor door DLO gesteld en niet gemotiveerd door NIK c.s. is betwist, niet voldoet aan wat van behoorlijke peer review mag worden verwacht, is door NIK c.s. verder niet onderbouwd. Wat betreft de opmerkingen van de zijde van het ministerie op het concept van rapport 398 heeft de heer [Z] verklaard dat die onder andere betrekking hadden op verduidelijking van sommige aspecten, maar dat zulke opmerkingen niet kunnen raken aan de eigen wetenschappelijke verantwoordelijkheid van de onderzoeker. In hetgeen omtrent de totstandkoming van de rapporten vastgesteld heeft kunnen worden ligt meer in het bijzonder geen concrete zwaarwegende aanwijzing besloten dat de inhoud van de rapporten invloed van politieke of commerciële belangen heeft ondergaan, zoals NIK c.s. klaarblijkelijk veronderstellen en vrezen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de rapporten in dat opzicht onrechtmatig zijn jegens NIK c.s., noch dat de weigering tot verdere beantwoording van de vragen dat is. Voor zover NIK c.s. openbaarmaking wensen van bescheiden waarover het ministerie van thans EL&I beschikt zullen zij dat in het kader van een WOB-verzoek aan de orde kunnen stellen. De vorderingen met betrekking tot de vragen 1 t/m 6 en 14 moeten daarom worden afgewezen.

4.7. Dan de bezwaren tegen en de vorderingen betreffende de inhoud van de rapporten 161 en 398. Die vorderingen moeten worden beoordeeld in het licht van het volgende. Het gaat hier om rapporten op basis van wetenschappelijk onderzoek. Publicatie van wetenschappelijk onderzoek valt onder het recht op vrijheid van meningsuiting zoals dat onder andere wordt beschermd door artikel 10 EVRM (vgl. EHRM 25 augustus 1998 NJ 1999, 712 Hertel/Zwitserland en EHRM 23 juni 2009 nr 17089/03 Sorguc/ Turkije r.o.v 35). Daarnaast wordt de wetenschappelijke vrijheid als zodanig onder andere gegarandeerd in artikel 13 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, PbEG C 364, (gewijzigd 12 december 2007, PbEU C303). De vraag onder welke omstandigheden een wetenschappelijke publicatie onrechtmatig jegens een derde kan zijn, kan daarom slechts worden beantwoord in het kader van deze aldus beschermde rechten en binnen de grenzen van de inbreuken daarop die volgens artikel 10 lid 2 EVRM toelaatbaar zijn. Dat kunnen slechts zijn ‘beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen’. Ook beperkingen op grond van artikel 6:162 BW wegens handelingen die in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, hebben te gelden als beperkingen die bij de wet zijn voorzien (HR 2 mei 2003 NJ 2004, 80).

4.8. Hiertegenover staat dat de vrijheid van godsdienst waarin NIK c.s. stellen te worden aangetast onder andere door artikel 6 Gw en artikel 9 EVRM wordt beschermd. Aangenomen moet worden dat de wijze van slachten volgens de Joodse ritus (de shechita) valt onder het in artikel 9 lid 1 EVRM gegarandeerde recht op ‘practice and observance’. Inbreuken daarop zijn slechts mogelijk binnen de grenzen van artikel 9 lid 2 EVRM. NIK c.s. kunnen de rechten uit artikel 9 EVRM ten behoeve van hun leden uitoefenen. Zie: EHRM 27 juni 2000 27417/95 EHRC 2000, 66 Cha’are Shalom Ve Tsedek v. Frankrijk.

4.9. De vraag is in de eerste plaats of hetgeen NIK c.s. vorderen raakt aan de hiervoor bedoelde rechten op vrijheid van (wetenschappelijke) publicatie en wetenschap en daarop inbreuk maakt. De vorderingen zoals die thans in dit kort geding worden ingesteld strekken klaarblijkelijk niet tot een veroordeling tot aanpassing van de rapporten, maar tot een separate schriftelijke beantwoording van vragen aan NIK c.s. De geëiste beantwoording is blijkens pos. 25 van de dagvaarding erop gericht om in een bodemprocedure herroeping en aanpassing van de rapporten en het standpunt van KNMvD te bewerkstelligen. De vragen strekken er blijkens hun inhoud toe in de visie van NIK c.s. bestaande omissies en onjuistheden in de rapporten aan de orde te stellen. Aangenomen moet worden dat de weigering om die vragen te beantwoorden valt onder het recht op vrijheid van publicatie en wetenschap. De opstellers van de rapporten hebben het recht vrijelijk verslag te doen van hun bevindingen op basis van onderzoek en daarbij past niet een verplichting op verzoek van derden vragen te moeten beantwoorden over tal van aspecten die door derden van belang worden gevonden. Onder het door artikel 10 EVRM beschermde recht valt overigens ook het recht om zich niet te uiten. Een verplichting tot beantwoording van de vragen moet mede gezien het doel waarvoor de beantwoording in dit kort geding wordt gevorderd, worden aangemerkt als een inbreuk op het recht van wetenschap en publicatie. De vraag is of een dergelijke inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van het recht van anderen, hier de door artikel 9 beschermde vrijheid van godsdienst van NIK c.s. Om aan te kunnen nemen dat een beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van rechten van anderen zal moeten blijken van een ‘pressing social need’, een dringende maatschappelijke behoefte daaraan. Voorts zal de beperking ‘proportionate to the legitimate aim pursued’ moeten zijn, dat wil zeggen een gerechtvaardigd doel moeten dienen. Met inachtneming van dit een en ander zal een belangenafweging plaats moeten vinden, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van het geval (HR 18 januari 2008 NJ 2008, 274).

4.10. Aan de vrijheid van wetenschap en wetenschappelijke publicatie moet als zodanig in een democratische samenleving groot gewicht worden toegekend. “Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and for each individual’s self-fulfilment. Subject to paragraph 2 of Article 10, it is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb. Such are the demands of pluralism, tolerance and broadmindedness without which there is no ‘democratic society’. As set forth in Article 10, this freedom is subject to exceptions, which (….) must, however, be construed strictly, and the need for any restrictions must be established convincingly” (EHRM 25 augustus 1998 NJ 1999,712 (Hertel/Zwitserland). Dit geldt in het bijzonder ook voor publicatie van resultaten van wetenschappelijk onderzoek. De mogelijkheid van ongecontroleerde publicatie van wetenschappelijk onderzoek is evenzeer ‘one of the basic conditions for (..) progress of a democratic society’. Voor rapporten die, zoals hier, in opdracht zijn opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek geldt niet principieel iets anders. Voor een goede werking van de wetenschap als vorm van voortschrijdende kennisvergaring en in het hiervoor geciteerde persoonlijke en maatschappelijke perspectief, is een zoveel mogelijk ongecontroleerd wetenschappelijk debat een noodzakelijke voorwaarde. Vrijelijke kennisneming van elkaars onderzoek en gedachtengangen -ook van onjuistheden daarin- door middel van publicatie en de mogelijkheid van voortbouwen daarop, is onontbeerlijk. Dat geldt voor zuiver wetenschappelijk onderzoek, maar in principe ook voor contractonderzoek, hoewel de zorgen daarover de wetenschappelijke onafhankelijkheid betreffen en de werking van het wetenschappelijk discours. Terughoudendheid moet daarom worden betracht met ingrijpen op vordering van derden. Hiertegenover staat het zwaarwegende belang van Joodse gelovigen om overeenkomstig hun godsdienstige overtuiging te kunnen leven en in overeenstemming met de voorschriften van hun geloof te kunnen praktiseren, hier in het bijzonder wat betreft de koosjere slacht.

4.11. De rapporten 161 en 398 zijn in opdracht van het ministerie van LNV uitgebracht in het kader van de behartiging van het publieke belang van dierenwelzijn rondom de onverdoofde rituele slacht en de maatschappelijke discussie daarover. De rapporten strekken tot voorlichting daarover; rapport 161 tot voorlichting over de bestaande kennis hieromtrent zoals die uit de literatuur blijkt en rapport 398 tot voorlichting over de resultaten van een empirisch onderzoek. Of de opdracht tot het uitbrengen van die rapporten rechtstreeks is gegeven in het kader van het thans aanhangige wetsvoorstel, is niet duidelijk. In ieder geval moet worden geconstateerd dat het wetsvoorstel een initiatiefwetsvoorstel is van het Tweede Kamerlid Thieme en niet van het ministerie is uitgegaan. Iets anders is dat die rapporten wel een rol spelen, mogelijk zelfs een grote, in het (parlementaire) debat rond dat initiatiefwetsvoorstel. Dat de beide rapporten, ook al bevatten die voor NIK c.s. onwelgevallige resultaten, conclusies en aanbevelingen, als zodanig inbreuk maken op het recht op vrijheid van godsdienst, kan niet worden gezegd. De rapporten kunnen wel van invloed zijn op de besluitvorming omtrent een verbod op onverdoofde rituele slacht. Een dergelijk verbod kan een inbreuk vormen op het recht op vrijheid van godsdienst, waarbij de vraag dan kan rijzen of een dergelijke inbreuk gerechtvaardigd is op grond van artikel 9 lid 2 EVRM. Die vraag ligt hier echter niet ter beantwoording voor. De inhoud van de rapporten kan aldus wel maar alleen indirect bijdragen aan een mogelijke en mogelijk niet gerechtvaardigde inbreuk op het recht van godsdienstvrijheid van NIK c.s. In het kader van het debat staat het NIK c.s. volkomen vrij de juistheid van de rapporten ter discussie te stellen. Daarvoor is niet de geëigende weg om de onderzoekers en opstellers van de rapporten te dwingen commentaar te geven op in de visie van NIK c.s. bestaande omissies en onjuistheden, met het oog op een in te stellen vordering tot herziening van die rapporten. Eventuele onjuistheden of onvolkomenheden zullen in beginsel in het wetenschappelijke discours aan het licht moeten komen. Daarbij komt dat een rechterlijk ingrijpen ten aanzien van de resultaten van het onderzoek zoals die in de rapporten zijn verwoord de politieke besluitvorming zou kunnen doorkruisen. Het staat NIK c.s. vrij rapporten en onderzoeken waarin zij bevestiging vinden voor hun visie en waarin op de rapporten 161 en 398 wordt afgedongen wat erop af te dingen valt in het publieke en politieke debat in te brengen, zoals zij dat overigens hebben gedaan met de rapporten van TNO en Regenstein.

4.12. Niet gezegd kan overigens worden dat de rapporten 161 en 398 op een of meer punten zo kennelijk of apert onjuist zijn dat van een op onrechtmatige daad gestoelde rechtsplicht tot beantwoording van een of meer vragen sprake kan zijn. De kritiek in het rapport van TNO op rapport 161 is niet zodanig dat op grond daarvan kennelijk of aperte wetenschappelijke onjuistheid valt aan te nemen. Wat er van de kritiek in het rapport van TNO op rapport 398 zij, kan in het kader van dit kort geding niet worden vastgesteld. Namens NIK c.s. is verder ook niet uiteengezet of toegelicht dat en in welk opzicht het rapport 398 volgens TNO kennelijk of apert wetenschappelijk onjuist is. De kritiek in het rapport Regenstein betreft voornamelijk de eenzijdige focus op mogelijk dierenleed als gevolg van de onverdoofde halssnede, zonder aandacht voor veel ander dierenleed. Ook wordt daarin gewezen op mogelijkheden tot verbetering van de behandeling van de dieren voorafgaande en tijdens de shechita. Als zodanig wordt echter weinig tegenover de bevindingen in de rapporten 161 en 398 gesteld. Een punt van kritiek van NIK c.s. is dat de opstellers van de rapporten nooit de moeite hebben genomen zelf te gaan waarnemen hoe de koosjere slacht in de praktijk in zijn werk gaat. Dat daarmee in wetenschappelijke zin afbreuk aan de rapporten wordt gedaan, valt niet in te zien. Rapport 161 betrof immers slechts een literatuur onderzoek, terwijl rapport 398 gebaseerd is op metingen van hersen- en hartactiviteit. Dat het bijwonen van een koosjere slacht tot andere meetresultaten zou hebben geleid, is niet gesteld of gebleken. Ter zitting heeft de heer [Z] overigens verklaard dat hij ten behoeve van het DIALREL onderzoek tweemaal koosjer slachten heeft bijgewoond. Wat betreft rapport 398 is ter zitting besproken de beperktheid van het onderzoek bij telkens slechts drie kalveren. Daarbij is de vraag gerezen naar de statistische significantie van de verkregen resultaten. De heer [Z] heeft verklaard dat het onderzoek een pilotonderzoek betrof omdat er geen eerdere vergelijkbare onderzoeken waren gedaan en dat het ministerie geen behoefte had aan een breder opgezet vervolgonderzoek in het kader van beleidsvoornemens. Dat het een pilotonderzoek betrof blijkt niet met zoveel woorden uit het rapport. In zoverre zou het rapport voor leken een verkeerd beeld kunnen geven van de betekenis van de resultaten van het onderzoek. Uit het rapport blijkt overigens echter duidelijk dat het slechts een beperkt onderzoek betreft. In het licht van hetgeen wordt gevorderd is aldus voldoende opheldering verschaft. Ten slotte verdient aandacht dat het in Europees verband uitgebrachte DIALREL-report tot soortgelijke conclusies en aanbevelingen komt als rapport 161, terwijl TNO geen kritiek op dat rapport heeft. Voor het overige is door Wageningen UR bij pleidooi de kritiek die in de vragen besloten ligt gemotiveerd weersproken. NIK c.s. hebben van hun zijde daartegenover niet verder toegelicht dat en waarom die kritiek wel terecht is en zodanig dat DLO gehouden zou zijn een of meer vragen te beantwoorden.

4.13. Een punt van kritiek van NIK c.s. is dat in de rapporten aanbevelingen zijn gedaan die volgens hen niet in dergelijke rapporten thuis horen en waarom niet was gevraagd. Aangenomen moet echter worden dat personen ook in wetenschappelijke publicaties tot op zekere hoogte vrijelijk een mening of waarschuwing moeten kunnen afgeven naar aanleiding van hun onderzoek, ook al wordt die strikt genomen door de resultaten van hun onderzoek in wetenschappelijke zin niet gedekt. Voor die opvatting valt ook steun te vinden in EHRM 25 augustus 1998 NJ 1999,712 (Hertel/Zwitserland). Hetzelfde geldt indien dergelijke opmerkingen zijn gemaakt in een rapport van onderzoek dat in opdracht is verricht.

4.14. Ook het standpunt dat KNMvD over onverdoofd slachten heeft gepubliceerd valt onder de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van meningsuiting. Het stond KNMvD vrij daarover een standpunt te geven dat gebaseerd is op de beroepsopvatting op grond van wetenschappelijk onderzoek waarnaar zij heeft verwezen. Wat betreft dat standpunt geldt mutatis mutandis wat hiervoor ten aanzien van wetenschappelijke vrijheid en het functioneren van het wetenschappelijke en publieke debat is overwogen. Dat het standpunt in enig opzicht kennelijk of apert wetenschappelijk onjuist is, is niet gebleken.

4.15. Al het voorgaande tegen elkaar afwegende kan niet worden gezegd dat vanwege de inhoud van de rapporten en het standpunt sprake is van onrechtmatig handelen van DLO of KNMvD dat een inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting en wetenschappelijke vrijheid rechtvaardigt. Dat er los van het voorgaande sprake is van onrechtmatig handelen van Wageningen UR en KNMvD jegens NIK c.s. door de vragen niet te willen beantwoorden, kan niet worden aangenomen. Het enkele feit dat zij een maatschappelijke functie hebben en een zeker maatschappelijk prestige genieten, is daarvoor onvoldoende, ook in de context van het debat over onverdoofd ritueel slachten en het mogelijke gewicht dat aan hun rapporten en standpunten in dat debat wordt toegekend.

4.16. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vorderingen jegens Wageningen UR en KNMvD moeten worden afgewezen. Daarmee ontvalt de grond aan de vordering jegens de Staat, die daarom ook moet worden afgewezen, waarbij in het midden kan blijven wat daarvan verder zij.

4.17. NIK c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van zowel Wageningen UR, KNMvD als de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 568,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.384,00

Daarbij zullen, nu dat door KNMvD en de Staat is gevorderd, de nakosten eveneens worden toegewezen, ten aanzien van KNMvD tevens te vermeerderen met wettelijke rente.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt NIK c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Wageningen UR tot op heden begroot op € 1.384,00,

5.3. veroordeelt NIK c.s. in de proceskosten, aan de zijde van KNMvD tot op heden begroot op € 1.384,00, alsmede tot vergoeding van de nakosten ad € 131,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.384,00 en over € 199,00 zulks vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt NIK c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.384,00, alsmede tot vergoeding van de nakosten ad € 131,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening van dit vonnis,

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling van NIK c.s. aan de zijde van Wageningen UR en KNMvD uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 7 juli 2011.